Lijst van 12405 Nederlandse werkwoorden

Ga naar lijst Spaanse werkwoorden
Ir a lista de verbos españoles
Laatst gewijzigd:       05 Feb 2018
Última Actualización: 05 Feb 2018

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

InfinitiefVerleden tijdVoltooid deelwoord
AaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; aaide, heeft geaaid)
1 zacht met de hand over iets heen strijken om een aangenaam gevoel op te wekken of als uiting van tederheid.

In Spaans overeenkomend met: Acariciar
AaideGeaaid
AanaardenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aardde aan, heeft aangeaard; aanaarding)
1 met aarde bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Acollar ((),(Cobijar con tierra el pie de los árboles, y principalmente el tronco de las vides y otras plantas.)), Aporcar
Soterrar, Terraplenar
Aporcar en almáciga
Aardde aanAangeaard
AanbakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bakte aan, is aangebakken)
1 door bakken aankoeken.

In Spaans overeenkomend met: Pegar
Bakte aanAangebakken
AanbalkenBalkte aanAangebalkt
AanbehorenBehoorde aanAanbehoord
AanbelandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; belandde aan, is aanbeland)
1 ergens toevallig aankomen om daar te vertoeven of te blijven.

In Spaans overeenkomend met: Recalar ((),(Dicho de una persona: Aparecer por algún sitio.))
Ir a parar a
  sAanlanden
Terechtkomen
Belandde aanAanbeland
AanbelangenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belangde aan, heeft aanbelangd)
1 (formeel) betreffen, aangaan.

In Spaans overeenkomend met: Relacionarse, Tener relación
  sAangaan
Betreffen
Verkeren
Zich verhouden
Belangde aanAanbelangd
AanbellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; belde aan, heeft aangebeld)
1 een deurbel doen overgaan.

In Spaans overeenkomend met: Llamar, Llamar a la puerta, Tocar la campanilla
  sBellen
Luiden
Schellen
Belde aanAangebeld
AanbenenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Beende aanAangebeend
AanbermenBermde aanAangebermd
AanbestedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besteedde aan, heeft aanbesteed; aanbesteding)
1 de uitvoering (van een werk of een levering) in het openbaar voor een prijsopgave beschikbaar stellen.

In Spaans overeenkomend met: Ajustar, Contratar, Dar a destajo, Sacar a concurso público
Besteedde aanAanbesteed
AanbestervenBestierf aanAanbestorven
AanbetalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; aanbetaalde, heeft aanbetaald; aanbetaling)
1 (een deel van de prijs van een artikel) vooruitbetalen.

Betaalde aanAanbetaald
AanbeterenBeterde aanAangebeterd
AanbevelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beval aan, heeft aanbevolen; aanbeveling)
1 belangstelling, een gunstige stemming voor iemand of iets trachten op te wekken
2 aanprijzen.

In Spaans overeenkomend met: Aconsejar
Encomendar, Recomendar
  sAanraden
Aantekenen
Adviseren
Raad geven
Raden
Recommanderen
Beval aanAanbevolen
AanbewijzenBewees aanAanbewezen
AanbiddenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aanbad, heeft aanbeden; aanbidder, aanbidding)
1 als goddelijk wezen vereren
2 (iemand) met geestdrift bewonderen.

In Spaans overeenkomend met: Adorar, Venerar
  sAdoreren
Verafgoden
Vereren
AanbadAanbeden
AanbiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bood aan, heeft aangeboden; aanbieding)
1 vrijwillig ter beschikking stellen
2 tegen een bepaalde prijs, bepaalde voorwaarden verkrijgbaar stellen.
(wederkerend werkwoord; bood zich aan, heeft zich aangeboden)
1 (van zaken) zich vertonen, zich voordoen
2 (in [[België]]) zich melden.

In Spaans overeenkomend met: Brindar
Hacer oferta
Deparar, Presentar, Representar
Ofrecer, Proponer
  sBieden
Indienen
Presenteren
Te koop aanbieden
Uitbeelden
Uitloven
Vertonen
Voordragen
Voorslaan
Voorstellen
Bood aanAangeboden
AanbijtenBeet aanAangebeten
AanbikkenBikte aanAangebikt
AanbindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bond aan, heeft aangebonden; aanbinder)
1 bevestigen met een riem, touw enz.

In Spaans overeenkomend met: Comenzar
Bond aanAangebonden
AanblaffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blafte aan, heeft aangeblaft)
1 door blaffen bedreigen
2 toesnauwen.

Blafte aanAangeblaft
AanblazenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blies aan, heeft aangeblazen; aanblazing)
1 (vuur) door blazen doen vlammen
2 blazen op (een instrument) om de toon te onderzoeken
3 ([[spraakklanken]]) met aspiratie uitspreken.

Blies aanAangeblazen
AanblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef aan, is aangebleven)
1 in functie blijven.

In Spaans overeenkomend met: Durar
Seguir ((in een betrekking))
Permanecer encendido ((licht , vuur))
  sAanhouden
Beklijven
Duren
Standhouden
Voortduren
Bleef aanAangebleven
AanblikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blikte aan, heeft aangeblikt)
1 (formeel) aankijken.

In Spaans overeenkomend met: Mirar
  sAankijken
Blikte aanAangeblikt
AanboekenBoekte aanAangeboekt
AanbonzenBonsde aanAangebonsd
AanborenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boorde aan, heeft aangeboord; aanboring)
1 door boren raken
2 door boren openen.

Boorde aanAangeboord
AanbotsenBotste aanAangebotst
AanbouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bouwde aan, heeft aangebouwd)
1 (een nieuw gedeelte) aan iets bouwen.

Bouwde aanAangebouwd
AanbradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; braadde aan, heeft aangebraden)
1 (vlees) dichtschroeien door het even te braden.

In Spaans overeenkomend met: Dorar
  sDoreren
Braadde aanAangebraden
AanbrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brandde aan, is aangebrand)
1 (van voedsel) verschroeien door te snel bakken of koken.
([[overgankelijk]] werkwoord; brandde aan, heeft aangebrand)
1 (bouwkunde) (een muur- of grondvlak) met een dunne laag mortel bestrijken om nieuw beton beter te doen hechten.

In Spaans overeenkomend met: Pegarse
Quemarse
Brandde aanAangebrand
AanbrassenBraste aanAangebrast
AanbreienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; breide aan, heeft aangebreid)
1 door breien toevoegen.

Breide aanAangebreid
AanbrekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brak aan, is aangebroken)
1 (van tijd) beginnen.
([[overgankelijk]] werkwoord; brak aan, heeft aangebroken)
1 voor het eerst iets nemen van (een voorraad).

In Spaans overeenkomend met: Comenzar, Empezar, Principiar
Amanecer ((van de dag),(del día))
  sAanpakken
Aanvangen
Beginnen
Dagen
Ingaan
Krieken
Licht worden
Brak aanAangebroken
AanbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht aan, heeft aangebracht; [[aanbrenger]], aanbrenging)
1 (onderdelen) ergens invoegen, toevoegen
2 (iets slechts) bij een instantie aangeven
3 (iemand) werven voor een organisatie
4 meebrengen in het huwelijk
5 veroorzaken.

In Spaans overeenkomend met: Introducir
Añadir
Aportar, Traer
Delatar, Denunciar
Instalar
Aplicar
Alistar, Hacer prosélitos, Reclutar
  sAandragen
Aangeven
Aanleggen
Aanwerven
Aanzeggen
Bijdoen
Bijleggen
Bijmengen
Bijvoegen
Brengen
Fitten
Installeren
Invullen
Klikken
Opleggen
Toegeven
Toevoegen
Verklikken
Verraden
Werven
Bracht aanAangebracht
AanbriesenBrieste aanAangebriest
AanbruisenBruiste aanAangebruist
AanbrullenBrulde aanAangebruld
AanbulderenBulderde aanAangebulderd
AandammenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; damde aan, heeft aangedamd; aandamming)
1 (land) aanwinnen door het maken van een dam
2 (lage, drassige grond) aanvullen of ophogen.

Damde aanAangedamd
AandienenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; diende aan, heeft aangediend)
1 zich willen laten gelden als.
([[overgankelijk]] werkwoord; diende aan, heeft aangediend; aandiening)
1 de komst, de naam melden van (een bezoeker).
(wederkerend werkwoord; diende zich aan, heeft zich aangediend)
1 aanbreken, beginnen.

In Spaans overeenkomend met: Anunciar
  sAankondigen
Adverteren
Annonceren
Bekend maken
Diende aanAangediend
AandiepenDiepte aanAangediept
AandijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dijkte aan, heeft aangedijkt; aandijking)
1 (een eiland) door dijken aanhechten.

Dijkte aanAangedijkt
AandikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dikte aan, heeft aangedikt)
1 [[dikker]] maken
2 overdrijven.

In Spaans overeenkomend met: Agravar, Exagerar
Hacerse espeso
Abultar
  sChargeren
Dikker worden
Overdrijven
Verergeren
Dikte aanAangedikt
AandoenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; deed aan, heeft aangedaan)
1 (kleding, schoeisel, voorwerpen) aan of om het lichaam aanbrengen
2 (iets [[naars]]) bij iemand teweegbrengen
3 een bepaalde indruk geven
4 onderweg, voor korte tijd bezoeken
5 in werking stellen.

In Spaans overeenkomend met: Afectar
Encender ((licht, lampen, kachel))
Causar, Dar lugar a, Inferir ((),(Producir o causar ofensas, agravios, heridas)), Ocasionar, Producir
Ponerse ((kleren etc.))
Poner ((kleren etc.))
  sAangrijpen
Aanrichten
Aantrekken
Berokkenen
Bezorgen
Opbrengen
Opdoen
Opleggen
Stichten
Teweegbrengen
Toebrengen
Veroorzaken
Deed aanAangedaan
AandraaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; draaide aan, heeft aangedraaid; aandraaiing)
1 door draaien vastmaken
2 door draaien in werking zetten.

In Spaans overeenkomend met: Apretar
Draaide aanAangedraaid
AandragenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; droeg aan, heeft aangedragen; aandrager)
1 (iets [[zwaars]]) naar iemand toedragen.

In Spaans overeenkomend met: Aportar, Traer
  sAanbrengen
Brengen
Droeg aanAangedragen
AandravenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; draafde aan, heeft aangedraafd)
¶ alleen in verbindingen.

Draafde aanAangedraafd
AandrentelenDrentelde aanAangedrenteld
AandrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef aan, heeft aangedreven; aandrijving)
1 (een mens of dier) opwekken tot een grotere inspanning
2 op mechanische wijze in beweging brengen.

In Spaans overeenkomend met: Accionar, Impulsar
Acuciar, Arrear, Impeler
Ser arrojado a la playa
  sAan wal gaan
Drijven
Opjagen
Voortdrijven
Dreef aanAangedreven
AandringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; drong aan, heeft aangedrongen)
1 krachtig verzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Ahincar, Apretar, Insistir, Urgir
Instar
  sAanhouden
Drong aanAangedrongen
AandruisenDruiste aanAangedruist
AandrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; drukte aan, heeft aangedrukt)
1 vast op of in elkaar drukken.

In Spaans overeenkomend met: Apretar
  sAanduwen
Dringen
Drukken
Knellen
Persen
Pressen
Drukte aanAangedrukt
AanduidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; duidde aan, heeft aangeduid; aanduiding)
1 uitdrukken met een enkele aanwijzing
2 blijk geven van
3 betekenen
4 (in [[België]], niet algemeen) aanstellen.

In Spaans overeenkomend met: Señalar
Acusar
Denominar
Denotar, Designar, Hacer un signo, Indicar, Marcar
  sAangeven
Aankruisen
Aanwijzen
Een teken geven
Een teken zijn van
Kenmerken
Markeren
Merken
Tekenen
Uitduiden
Duidde aanAangeduid
AandurvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; durfde aan/dorst aan, heeft aangedurfd)
1 durven te doen
2 durven te bestrijden.

Durfde aanAangedurfd
AanduwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; duwde aan, heeft aangeduwd)
1 (een [[motorvoertuig]]) door duwen starten
2 vastduwen, aandrukken.

In Spaans overeenkomend met: Apretar, Presionar
Empujar
  sAandrukken
Douwen
Dringen
Drukken
Duwen
Knellen
Persen
Pressen
Stoten
Duwde aanAangeduwd
AandweilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dweilde aan, heeft aangedweild)
1 schoonmaken met een dweil.

Dweilde aanAangedweild
AaneenbindenBond aaneenAaneengebonden
AaneenblijvenBleef aaneenAaneengebleven
AaneenbrengenBracht aaneenAaneengebracht
AaneendragenDroeg aaneenAaneengedragen
AaneendriegenDriegde aaneenAaneengedriegd
AaneenflansenFlanste aaneenAaneengeflanst
AaneengrenzenGrensde aaneenAaneengegrensd
AaneengroeienGroeide aaneenAaneengegroeid
AaneenhakenHaakte aaneenAaneengehaakt
AaneenhangenHing aaneenAaneengehangen
AaneenhechtenHechtte aaneenAaneengehecht
AaneenhoudenHield aaneenAaneengehouden
AaneenketenenKetende aaneenAaneengeketend
AaneenklevenKleefde aaneenAaneengekleefd
AaneenklinkenKlonk aaneenAaneengeklonken
AaneenkluisterenKluisterde aaneenAaneengekluisterd
AaneenknopenKnoopte aaneenAaneengeknoopt
AaneenkoekenKoekte aaneenAaneengekoekt
AaneenkoppelenKoppelde aaneenAaneengekoppeld
AaneenlijmenLijmde aaneenAaneengelijmd
AaneennaaienNaaide aaneenAaneengenaaid
AaneenpassenPaste aaneenAaneengepast
AaneenplakkenPlakte aaneenAaneengeplakt
AaneenpratenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; praatte aaneen, heeft aaneengepraat)
1 (in [[België]]) door praten met elkaar verbinden.

Praatte aaneenAaneengepraat
AaneenrijgenReeg aaneenAaneengeregen
AaneenschakelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schakelde aaneen, heeft aaneengeschakeld; aaneenschakeling)
1 als een keten aan elkaar voegen.

In Spaans overeenkomend met: Concadenar
Concatenar
Schakelde aaneenAaneengeschakeld
AaneenschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef aaneen, heeft aaneengeschreven)
1 als één woord schrijven.

Schreef aaneenAaneengeschreven
AaneensluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloot aaneen, heeft aaneengesloten; aaneensluiting)
1 strak tegen elkaar aan komen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot aaneen, heeft aaneengesloten)
1 strak tegen elkaar aanleggen.
(wederkerend werkwoord; sloot zich aaneen, heeft zich aaneengesloten)
1 zich verenigen.

In Spaans overeenkomend met: Concentrar
  sBinden
Verdichten
Sloot aaneenAaneengesloten
AaneensmedenSmeedde aaneenAaneengesmeed
AaneenspijkerenSpijkerde aaneenAaneengespijkerd
AaneenvoegenIn Spaans overeenkomend met: Juntar, Unir
  sBijeenbrengen
Samenbrengen
Samenvoegen
Verenigen
Voegde aaneenAaneengevoegd
AaneenzettenZette aaneenAaneengezet
AaneenzittenZat aaneenAaneengezeten
AanervenErfde aanAangeërfd
AanfietsenFietste aanAangefietst
AanflitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; flitste aan, heeft aangeflitst)
1 (van lampen) plotseling aangaan.

Flitste aanAangeflitst
AanfloepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; floepte aan, is aangefloept)
1 aanflitsen.

Floepte aanAangefloept
AanfluitenFloot aanAangefloten
AanfokkenFokte aanAangefokt
AanfruitenFruitte aanAangefruit
AangaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging aan, is aangegaan)
1 in het voorbijgaan een bezoek brengen
2 (van bijeenkomsten) beginnen
3 (van lampen, apparaten) beginnen te functioneren
4 (van jonge planten) wortel schieten en beginnen te groeien
5 ([[wielersport]]) de [[eindsprint]] beginnen.
([[overgankelijk]] werkwoord; ging aan, is aangegaan)
1 beginnen met (iets)
2 betreffen, raken.

In Spaans overeenkomend met: Formar
Atañer, Concernir, Corresponder, Incumbir, Respectar
Ajustar, Contratar, Destajar
Relacionarse, Tener relación
  sAanbelangen
Aannemen
Afsluiten
Betreffen
Contracteren
Formeren
Gelden
Raken
Toebehoren
Verkeren
Vormen
Zich verhouden
Ging aanAangegaan
AangapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gaapte aan, heeft aangegaapt)
1 [[dom]] of verbaasd met open mond aanstaren.

In Spaans overeenkomend met: Estar boquiabierto, Estar embobado, Mirar con la boca abierta
  sDom kijken
Gapen
Gaapte aanAangegaapt
AangespenGespte aanAangegespt
AangevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gaf aan, heeft aangegeven; aangever, aangeving)
1 in handen geven
2 bekendmaken, laten weten
3 ter kennis brengen van de overheid
4 met tekens aanduiden
5 (sport) (de bal) toespelen.

In Spaans overeenkomend met: Declarar
Delatar, Denunciar
Dar
Hacer inscribir
Señalar
Entregar, Llegar, Pasar
Trazar
Hacer un signo, Indicar, Marcar
Alargar, Transferir
  sAanbrengen
Aanduiden
Aankruisen
Aanreiken
Aanwijzen
Aanzeggen
Afdragen
Betuigen
Declareren
Doorbrengen
Een teken geven
Geven
Kenmerken
Klikken
Markeren
Merken
Opbrengen
Overgeven
Tekenen
Toebrengen
Toekennen
Toereiken
Uitduiden
Verdrijven
Verklaren
Verklikken
Verlenen
Verraden
Voorschrijven
Gaf aanAangegeven
AangierenGierde aanAangegierd
AangietenGoot aanAangegoten
AanglimmenGlom aanAangeglommen
AangloeienGloeide aanAangegloeid
AanglurenGluurde aanAangegluurd
AangolvenGolfde aanAangegolfd
AangooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; gooide aan, heeft aangegooid)
1 als pitcher werpen.

Gooide aanAangegooid
AangordenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[gordde]] aan, heeft aangegord)
1 (formeel) om het middel vastbinden (in het bijzonder wapens).
(wederkerend werkwoord; [[gordde]] zich aan, heeft zich aangegord)
1 zich voor de strijd uitrusten.

Gordde aanAangegord
AangrauwenGrauwde aanAangegrauwd
AangravenGroef aanAangegraven
AangrijnzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; grijnsde aan, heeft aangegrijnsd)
1 spottend of dreigend aankijken.

Grijnsde aanAangegrijnsd
AangrijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; greep aan, heeft aangegrepen; aangrijping)
1 een sterke indruk op het gevoel of het gestel maken van (iemand)
2 aanvallen
3 beetpakken.

In Spaans overeenkomend met: Afectar, Agarrarse ((),(Dicho de una enfermedad o de un estado de ánimo: Apoderarse de alguien tenazmente: Se le agarró la tos.))
Agredir, Atacar
Agarrar, Asir, Coger
Conmover
  sAandoen
Aantasten
Aanvallen
Attaqueren
Bewegen
Grijpen
Ontroeren
Tackelen
Vastgrijpen
Vasthouden
Vastpakken
Greep aanAangegrepen
AangrimmenGrimde aanAangegrimd
AangrinnikenGrinnikte aanAangegrinnikt
AangroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; groeide aan, is aangegroeid; aangroeiing)
1 toenemen in kracht of aantal
2 (van een verloren gegaan deel van een organisme) opnieuw groeien.

In Spaans overeenkomend met: Aumentar, Crecer
  sGroeien
Stijgen
Toenemen
Groeide aanAangegroeid
AangrommenGromde aanAangegromd
AanhakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; haakte aan, heeft/is aangehaakt)
1 verder doorgaan op wat eerder geschreven, gezegd is.
([[onovergankelijk]] werkwoord; haakte aan, heeft/is aangehaakt; aanhaking)
1 (van [[schaatsenrijders]]) de rechterhand in de op de rug gehouden linkerhand van een voorganger leggen en zo meerijden
2 (sport) aansluiting vinden, bv. bij een groep renners.
([[overgankelijk]] werkwoord; haakte aan, heeft aangehaakt)
1 met een haak vastmaken.

Haakte aanAangehaakt
AanhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; haalde aan, is aangehaald)
1 [[krachtiger]] worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde aan, heeft aangehaald)
1 (ook absoluut) (een mens, dier) vleiend naar zich toe halen
2 (ook absoluut) citeren
3 aantrekken, verstevigen
4 (iets [[moeilijks]]) beginnen.

In Spaans overeenkomend met: Atraer
Citar
Alegar
  sAantrekken
Aanvoeren
Bijbrengen
Citeren
Noemen
Trekken
Haalde aanAangehaald
AanhangenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hing aan, heeft aangehangen)
1 hangende vast blijven zitten.
([[overgankelijk]] werkwoord; hing aan, heeft aangehangen)
1 enthousiast steunen
2 door hangen bevestigen.

In Spaans overeenkomend met: Ser partidario de
Hing aanAangehangen
AanhardenHardde aanAangehard
AanharkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; harkte aan, heeft aangeharkt)
1 (de grond, tuin) door harken in orde brengen.

In Spaans overeenkomend met: Rastrillar
  sHarken
Opharken
Uitkammen
Harkte aanAangeharkt
AanhebbenIn Spaans overeenkomend met: Llevar, Tener puesto
  sDragen
Ophebben
Voorhebben
Had aanAangehad
AanhechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hechtte aan, heeft aangehecht; aanhechting)
1 door hechten bevestigen
2 een nieuwe of afgebroken draad vasthechten.

Hechtte aanAangehecht
AanheffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[hief]] aan, heeft aangeheven)
1 (iets) beginnen te uiten.

Hief aanAangeheven
AanhikkenHikte aanAangehikt
AanhinkenHinkte aanAangehinkt
AanhitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hitste aan, heeft aangehitst; aanhitser, aanhitsing)
1 ophitsen.

Hitste aanAangehitst
AanhoestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hoestte aan, heeft aangehoest)
1 hoesten in de richting van -, met [[name]] als manier waarop [[virussen]] of bacillen worden overgedragen.

Hoestte aanAangehoest
AanhollenHolde aanAangehold
AanhopenHoopte aanAangehoopt
AanhorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hoorde aan, heeft aangehoord)
1 aandachtig luisteren naar.
([[overgankelijk]] werkwoord; aanhoorde, heeft aanhoord)
1 (archaïsch of in [[België]], niet algemeen) aandachtig luisteren naar.

In Spaans overeenkomend met: Escuchar
  sBeluisteren
Luisteren
Toehoren
Toeluisteren
Hoorde aanAangehoord
AanhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hield aan, heeft aangehouden)
1 blijven aandringen
2 doorgaan, voortduren
3 in de genoemde richting voortgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; hield aan, heeft aangehouden)
1 aanspreken
2 blijven houden
3 de behandeling uitstellen van (iets)
4 handhaven, laten voortduren
5 (eufemisme) arresteren.

In Spaans overeenkomend met: Arrestar, Detener
Continuar
Durar
Parar
Aplazar, Diferir
Instar
  sAanblijven
Aandringen
Arresteren
Beklijven
Duren
In verzekerde bewaring nemen
Inrekenen
Keren
Standhouden
Stilleggen
Stoppen
Stuiten
Uitstellen
Verdagen
Verschuiven
Voortduren
Hield aanAangehouden
AanhuppelenHuppelde aanAangehuppeld
AanjagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; jaagde aan/joeg aan, heeft aangejaagd; aanjager)
1 (een vuur) [[feller]] aanstoken
2 (een apparaat) [[sneller]] aandrijven
3 aansporen.

Jaagde aan, Joeg aanAangejaagd
AankaartenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kaartte aan, heeft aangekaart)
1 (iets) beginnen te bespreken.

In Spaans overeenkomend met: Servir
  sOpdienen
Serveren
Kaartte aanAangekaart
AankakkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Kakte aanAangekakt
AankalkenKalkte aanAangekalkt
AankantenKantte aanAangekant
AankappenKapte aanAangekapt
AankeffenKefte aanAangekeft
AankervenKerfde aanAangekerfd
AankijkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; keek aan, heeft aangekeken)
1 op de genoemde wijze beoordelen.
(werkwoord; keek aan, heeft aangekeken)
1 (iemand) van iets verdenken.
([[overgankelijk]] werkwoord; keek aan, heeft aangekeken)
1 kijken naar iem.
2 (iets) in beraad houden.

In Spaans overeenkomend met: Mirar, Poner la vista en
  sAanblikken
Keek aanAangekeken
AanklagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klaagde aan, heeft aangeklaagd; aanklager)
1 bij de bevoegde macht beschuldigen
2 (in [[België]], niet algemeen) aan de kaak stellen, afkeuren.

In Spaans overeenkomend met: Acriminar, Acusar, Denunciar, Inculpar
Quejarse
  sAan de kaak stellen
Beschuldigen
Betichten
Zijn beklag doen
Klaagde aanAangeklaagd
AanklampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; klampte aan, is aangeklampt)
1 ([[wielersport]]) (van wielrenners) een groep met moeite bijhouden.
([[overgankelijk]] werkwoord; klampte aan, heeft aangeklampt)
1 (iemand) staande houden en aanspreken voor hulp of steun
2 (een ander schip) terzijde varen en zich eraan vasthaken.

In Spaans overeenkomend met: Abordar
Dirigir la palabra a, Dirigirse a
  sAanspreken
Toespreken
Klampte aanAangeklampt
AankledenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kleedde aan, heeft aangekleed; aankleding)
1 (iemand) kleding voor overdag of voor buiten aantrekken
2 stofferen, meubileren, van een passende versiering voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Vestir
  sKleden
Omkleden
Staan
Kleedde aanAangekleed
AanklemmenKlemde aanAangeklemd
AanklevenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kleefde aan, heeft aangekleefd; aankleving)
1 eigen zijn aan.

Kleefde aanAangekleefd
AanklikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klikte aan, heeft aangeklikt)
1 (een teken, woord, icoon op een computerscherm) selecteren door er met de muis op te klikken.

Klikte aanAangeklikt
AanklinkenKlonk aanAangeklonken
AanklooienKlooide aanAangeklooid
AankloppenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt)
1 een beroep doen op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt)
1 door ergens te kloppen te kennen geven dat men wenst binnengelaten te worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt)
1 door kloppen [[vaster]] maken.

In Spaans overeenkomend met: Llamar a la puerta
Klopte aanAangeklopt
AanklossenKloste aanAangeklost
AanklotenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; klootte aan, heeft aangekloot)
1 (informeel) aanmodderen.

Klootte aanAangekloot
AanklotsenKlotste aanAangeklotst
AanknippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knipte aan, heeft aangeknipt)
1 als een geheel knippen met een ander deel
2 met een knippend geluid in werking stellen.

Knipte aanAangeknipt
AanknoeienKnoeide aanAangeknoeid
AanknopenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; knoopte aan, heeft aangeknoopt)
1 verder gaan met bespreken, vertellen.
([[overgankelijk]] werkwoord; knoopte aan, heeft aangeknoopt)
1 vastknopen
2 beginnen met (iets dat wederzijdse werking veronderstelt).

In Spaans overeenkomend met: Entablar
Anudar
Knoopte aanAangeknoopt
AankoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; koekte aan, is aangekoekt)
1 zich als een koek vastzetten
2 met een koeklaag bedekt worden.

Koekte aanAangekoekt
AankoersenKoerste aanAangekoerst
AankomenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; kwam aan, is aangekomen)
1 afhangen van.
(werkwoord; kwam aan, is aangekomen)
1 onverwacht aankaarten.
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam aan, is aangekomen; aankomst)
1 zijn bestemming bereiken
2 het doel treffen
3 naderen
4 in gewicht toenemen
5 (van een mededeling, gebeurtenis) de genoemde indruk maken
6 (archaïsch) door erfenis eigendom worden.

In Spaans overeenkomend met: Arribar ((haven)), Arribarse, Llegar
Estar en contacto, Tocar
  sAanraken
Arriveren
Beroeren
Binnenlopen
Landen
Raken
Toucheren
Kwam aanAangekomen
AankondigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kondigde aan, heeft aangekondigd; aankondiger, aankondiging)
1 bekendmaken dat iets zal gebeuren
2 inluiden
3 (spel) bij het kaartspel bieden.
(wederkerend werkwoord; kondigde zich aan, heeft zich aangekondigd)
1 aanbreken
2 (in [[België]], niet algemeen) (van iets wat staat te gebeuren) beloven te worden, zich laten aanzien.

In Spaans overeenkomend met: Anunciar, Echar
Divulgar, Enterar, Hacer saber, Informar
  sAandienen
Adverteren
Annonceren
Bekend maken
In kennis stellen
Mededelen
Meedelen
Verwittigen
Kondigde aanAangekondigd
AankooienKooide aanAangekooid
AankopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kocht aan, heeft aangekocht)
1 kopen voor eigen behoefte.

In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Comprar, Procurarse
  sAanschaffen
Afnemen
Inkopen
Kopen
Overnemen
Kocht aanAangekocht
AankoppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; koppelde aan, heeft aangekoppeld; aankoppeling)
1 door in elkaar sluitende delen verbinden
2 (dieren) door middel van een koppel aan elkaar vastbinden.

Koppelde aanAangekoppeld
AankorstenKorstte aanAangekorst
AankrammenKramde aanAangekramd
AankrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kreeg aan, heeft aangekregen)
1 als levering ontvangen.

Kreeg aanAangekregen
AankruienKruide aanAangekruid
AankruisenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kruiste aan, heeft aangekruist; aankruising)
1 met een kruisje merken of aangeven.

In Spaans overeenkomend met: Marcar
  sAanduiden
Aangeven
Een teken geven
Kenmerken
Markeren
Merken
Kruiste aanAangekruist
AankunnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kon aan, heeft aangekund)
1 minstens even sterk zijn als (iemand)
2 berekend zijn voor (een taak).

Kon aanAangekund
AankwekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kweekte aan, heeft aangekweekt)
1 opkweken
2 met zorg ontwikkelen en bevorderen.

In Spaans overeenkomend met: Cultivar
  sBebouwen
Beschaven
Kweken
Telen
Verbouwen
Kweekte aanAangekweekt
AanlachenLachte aanAangelachen
AanladenLaadde aanAangeladen
AanlandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (landde aan, is aangeland) land bereiken
2 (landde aan, is aangeland) terechtkomen
3 (landde aan, heeft aangeland) (van aardgas) aan land gebracht worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; landde aan, heeft aangeland; aanlanding)
1 (aardgas) aan land brengen.

In Spaans overeenkomend met: Abordar, Arribar, Llegar, Recalar
  sAanbelanden
Terechtkomen
Landde aanAangeland
AanlangenLangde aanAangelangd
AanlappenLapte aanAangelapt
AanlassenLaste aanAangelast
AanlatenLiet aanAangelaten
AanleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; legde aan, heeft aangelegd)
1 (van vaartuigen) afmeren
2 onderweg pauzeren om uit te rusten of iets te gebruiken.
([[overgankelijk]] werkwoord; legde aan, heeft aangelegd)
1 (ook absoluut) (een vaartuig) afmeren
2 (ook absoluut) (een wapen) richten
3 tegen of om iets aanbrengen
4 doen [[overeenkomstig]] een bepaald doel
5 bezig zijn tot stand te brengen.

In Spaans overeenkomend met: Abordar ((van een schip),(Sujetar el buque en el puerto o otro fondeadero, por medio de anclas, cadenas o cables.)), Amarrar ((van een schip),(Sujetar el buque en el puerto o otro fondeadero, por medio de anclas, cadenas o cables.)), Atracar ((van een schip),(Sujetar el buque en el puerto o otro fondeadero, por medio de anclas, cadenas o cables.))
Apearse ((een café)), Detenerse ((een café)), Pararse ((een café))
Instalar
Construir, Edificar
Apuntar ((geweer),(Fusíl)), Encarar ((geweer),(Fusíl))
  sAanbrengen
Afslaan
Blijven staan
Bouwen
Construeren
Fitten
Halt houden
Ineenzetten
Installeren
Maken
Richten
Stilhouden
Stilstaan
Stoppen
Legde aanAangelegd
AanlengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lengde aan, heeft aangelengd; aanlenging)
1 (een vloeibare stof) verdunnen.

In Spaans overeenkomend met: Aguar, Desleír
  sBinden
Liéren
Met water verdunnen
Oplossen
Lengde aanAangelengd
AanlerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leerde aan, heeft aangeleerd)
1 zich (een kennis of vaardigheid) eigen maken
2 (een kennis of vaardigheid) onderwijzen.

In Spaans overeenkomend met: Aprender
  sLeren
Leerde aanAangeleerd
AanleunenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; leunde aan, heeft aangeleund)
1 (in [[België]]) een voorkeur hebben voor, steun zoeken bij
2 (in [[België]]) overeenkomst vertonen met.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Leunde aanAangeleund
AanleverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leverde aan, heeft aangeleverd; aanlevering)
1 bezorgen voor transport.

Leverde aanAangeleverd
AanlichtenLichtte aanAangelicht
AanliggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lag aan, heeft aangelegen)
1 aan de dis liggen
2 (scheepvaart) zekere koers aanhouden.

Lag aanAangelegen
AanlijkenLijkte aan, Leek aanAangelijkt, Aangeleken
AanlijmenLijmde aanAangelijmd
AanlijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lijnde aan, heeft aangelijnd; aanlijning)
1 (een hond) aan een riem vastmaken.

Lijnde aanAangelijnd
AanlodenLoodde aanAangelood
AanloeienLoeide aanAangeloeid
AanloerenLoerde aanAangeloerd
AanloevenLoefde aanAangeloefd
AanlokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lokte aan, heeft aangelokt; aanlokking)
1 aantrekken, op aangename wijze boeien.

In Spaans overeenkomend met: Atraer, Cautivar, Seducir
  sAantrekken
Bekoren
Toelachen
Trekken
Verlekkeren
Lokte aanAangelokt
AanlonkenLonkte aanAangelonkt
AanlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (liep aan, heeft/is aangelopen) (van een bewegend deel van een werktuig) een ander deel licht raken en daardoor in de loop gestuit worden
2 (liep aan, is aangelopen) kleuren, de genoemde kleur krijgen.

Liep aanAangelopen
AanmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte aan, heeft aangemaakt)
1 in voorraad vervaardigen
2 toebereiden
3 doen branden.

In Spaans overeenkomend met: Encender
Crear, Fabricar, Producir
Hacer
Aderezar, Adobar, Preparar
  sBedrijven
Bereiden
Doen
Doen ontbranden
Fabriceren
Gereedmaken
Maken
Ontsteken
Stoken
Toebereiden
Uitbrengen
Uitrichten
Uitvoeren
Vervaardigen
Voorbereiden
Maakte aanAangemaakt
AanmanenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; maande aan, heeft aangemaand; aanmaning)
1 (iemand) met nadruk aansporen
2 (iemand) opwekken tot hetgeen men verplicht is te doen.

In Spaans overeenkomend met: Excitar, Exhortar, Requerir
Maande aanAangemaand
AanmarcherenMarcheerde aanAangemarcheerd
AanmatigenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; matigde zich aan, heeft zich aangematigd; aanmatiging)
1 op onpassende of wederrechtelijke wijze aanspraak maken op.

Matigde aanAangematigd
AanmeldenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; meldde aan, heeft aangemeld)
1 zich bekendmaken.
([[overgankelijk]] werkwoord; meldde aan, heeft aangemeld; aanmelder, aanmelding)
1 de komst of aanwezigheid melden van (iemand)
2 opgeven.

Meldde aanAangemeld
AanmengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mengde aan, heeft aangemengd)
1 klaarmaken door vermenging met iets vloeibaars.

Mengde aanAangemengd
AanmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; meerde aan, heeft aangemeerd)
1 afmeren.

Meerde aanAangemeerd
AanmerkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; merkte aan, heeft aangemerkt)
1 beschouwen als.
([[overgankelijk]] werkwoord; merkte aan, heeft aangemerkt; aanmerking)
1 ter afkeuring opmerken.

Merkte aanAangemerkt
AanmetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aanmeting)
¶ alleen in verbindingen.

Mat aanAangemeten
AanmodderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; modderde aan, heeft aangemodderd)
1 (informeel) prutsen, zonder plan werken.

Modderde aanAangemodderd
AanmoedigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; moedigde aan, heeft aangemoedigd; aanmoediging)
1 (iemand) aansporen op een positieve manier
2 de ontwikkeling, toename bevorderen van.

In Spaans overeenkomend met: Estimular
Alentar, Animar, Atrever
  sAnimeren
Bemoedigen
Bezielen
Opmonteren
Opvrolijken
Opwekken
Stijven
Moedigde aanAangemoedigd
AanmonsterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; monsterde aan, heeft aangemonsterd; aanmonstering)
1 dienst nemen op een schip.
([[overgankelijk]] werkwoord; monsterde aan, heeft aangemonsterd)
1 in dienst nemen op een schip.

In Spaans overeenkomend met: Enrolarse
Monsterde aanAangemonsterd
AanmuntenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; muntte aan, heeft aangemunt; aanmunter, aanmunting)
1 tot munten slaan.

In Spaans overeenkomend met: Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar
  sAfdrukken
Slaan
Stempelen
Zijn stempel drukken op
Muntte aanAangemunt
AannaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; naaide aan, heeft aangenaaid)
1 naaiend vasthechten.

In Spaans overeenkomend met: Coser
Naaide aanAangenaaid
AannagelenNagelde aanAangenageld
AannemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; nam aan, heeft aangenomen; aannemer, aanneming)
1 (iets dat aangereikt wordt) aanpakken
2 (het aangebodene) graag ontvangen
3 zich eigen maken
4 als juist of zo zijnd aanvaarden
5 veronderstellen
6 op zich nemen
7 (personeel) in dienst nemen
8 zich ontfermen over (iemand)
9 als lid opnemen in enig verband.

In Spaans overeenkomend met: Adoptar
Aceptar, Acoger, Admitir, Caber, Recibir, Tomar
Tomar a sueldo
Adaptar, Prohijar
Contratar
Suponer
Entregarse
  sAangaan
Aanvaarden
Aanwerven
Accepteren
Adopteren
Affiliëren
Afsluiten
Contracteren
Huren
In dienst nemen
Menen
Onderstellen
Ontvangen
Opnemen
Opvangen
Stellen
Tewerkstellen
Toelaten
Vermoeden
Veronderstellen
Zich eigen maken
Nam aanAangenomen
AanpakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; pakte aan, heeft aangepakt)
1 (iets dat wordt aangegeven) overnemen
2 beginnen met werken
3 (iemand) straffen, bestraffend toespreken
4 een diepe indruk maken op (iemand).

In Spaans overeenkomend met: Abordar, Emprender ((behandelen)), Salir al paso
Empezar ((beginnen))
Asir, Coger, Tomar
Perseguir ((in rechte vervolgen))
  sAan komen lopen
Aanbreken
Aanvangen
Aanvatten
Beginnen
Beginnen met
Ingaan
Nemen
Oprapen
Pakken
Toetreden
Vatten
Pakte aanAangepakt
AanpappenPapte aanAangepapt
AanpassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; paste aan, heeft aangepast; aanpassing)
1 aantrekken om te passen
2 in overeenstemming brengen, passend maken.
(wederkerend werkwoord; paste zich aan, heeft zich aangepast)
1 zich regelen naar, zich schikken.

In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar, Adecuar, Amoldar, Apropiar
Ensayar, Intentar, Probar
Probar
  sAccommoderen
Adapteren
Beproeven
Passen
Proberen
Testen
Toetsen
Uitproberen
Paste aanAangepast
AanpersenPerste aanAangeperst
AanpezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; peesde aan, heeft aangepeesd)
1 (informeel) hard werken.

Peesde aanAangepeesd
AanpikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pikte aan, heeft aangepikt)
1 (een last) aan de haak van een hijswerktuig bevestigen
2 (sport) aanhaken, aansluiting vinden, bv. bij een groep renners.

Pikte aanAangepikt
AanplakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; plakte aan, heeft aangeplakt)
1 (ook absoluut) (een aanplakbiljet) door middel van lijm vasthechten
2 (een boodschap) door aanplakbiljetten bekendmaken.

Plakte aanAangeplakt
AanplantenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; plantte aan, heeft aangeplant; aanplanting)
1 (nieuwe of jonge gewassen) planten.

In Spaans overeenkomend met: Cultivar, Plantar
  sPlanten
Poten
Plantte aanAangeplant
AanplempenPlempte aanAangeplempt
AanploegenPloegde aanAangeploegd
AanporrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; porde aan, heeft aangepord)
1 (iemand) een [[veelbetekenende]] por geven
2 aansporen.

In Spaans overeenkomend met: Animar, Estimular
  sAansporen
Aanvuren
Prikkelen
Stimuleren
Porde aanAangepord
AanpotenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; pootte aan, heeft aangepoot)
1 (informeel) flink doorwerken.
([[overgankelijk]] werkwoord; pootte aan, heeft aangepoot)
1 nieuwe gewassen poten.

Pootte aanAangepoot
AanpratenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; praatte aan, heeft aangepraat)
1 door mooi praten iemand (iets) doen kopen
2 iemand (iets) op de mouw spelden.

In Spaans overeenkomend met: Encajar
  sAansmeren
Praatte aanAangepraat
AanprekenPreekte aanAangepreekt
AanprijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[prees]] aan, heeft aangeprezen; aanprijzing)
1 door [[lofprijzingen]] begeerlijk maken.

Prees aanAangeprezen
AanprikkelenPrikkelde aanAangeprikkeld
AanprikkenPrikte aanAangeprikt
AanpuntenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; puntte aan, heeft aangepunt; aanpunting)
1 een punt aan (iets) maken
2 (de gevoelige kanten) wat meer naar voren halen.

Puntte aanAangepunt
AanradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raadde aan/ried aan, heeft aangeraden)
1 raad geven om iets te doen of te nemen.

In Spaans overeenkomend met: Aconsejar, Recomendar
  sAanbevelen
Adviseren
Raad geven
Raden
Raadde aan, Ried aanAangeraden
AanrakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raakte aan, heeft aangeraakt; aanraking)
1 met opzet raken.

In Spaans overeenkomend met: Estar en contacto, Hurgar, Tocar
  sAankomen
Beroeren
Raken
Toucheren
Raakte aanAangeraakt
AanrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; randde aan, heeft aangerand; aanrander, aanranding)
1 met slechte bedoelingen te lijf gaan.

In Spaans overeenkomend met: Forzar, Violar, Violentar
Acometer, Agredir, Asaltar, Atentar, Sobresaltar
  sVergrijpen
Randde aanAangerand
AanrazenRaasde aanAangeraasd
AanrazerenRazeerde aanAangerazeerd
AanrechtenRechtte aanAangerecht
AanreikenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; reikte aan, heeft aangereikt)
1 iemand iets in handen geven
2 beschikbaar stellen.

In Spaans overeenkomend met: Entregar, Llegar, Pasar
Alargar, Transferir
  sAangeven
Afdragen
Doorbrengen
Overgeven
Toereiken
Verdrijven
Reikte aanAangereikt
AanrekenenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; rekende aan, heeft aangerekend)
1 schatten op, beschouwen als.
([[overgankelijk]] werkwoord; rekende aan, heeft aangerekend)
1 de schuld geven van.

In Spaans overeenkomend met: Achacar, Atribuir, Echar la culpa, Valorar en
  sToedichten
Toerekenen
Toeschrijven
Wijten
Rekende aanAangerekend
AanrennenRende aanAangerend
AanrichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; richtte aan, heeft aangericht; aanrichter, aanrichting)
1 (iets [[naars]], [[nadeligs]]) teweegbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Arreglar
Causar, Dar lugar a, Inferir ((),(Producir o causar ofensas, agravios, heridas)), Instigar, Maquinar, Ocasionar, Producir
  sAandoen
Arrangeren
Berokkenen
Bezorgen
Ordenen
Stichten
Teweegbrengen
Toebrengen
Veroorzaken
Richtte aanAangericht
AanrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; aanrijding)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; reed aan, heeft aangereden)
1 met zijn voertuig botsen tegen.

In Spaans overeenkomend met: Atropellar
  sVoorrijden
Reed aanAangereden
AanrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; reeg aan, heeft aangeregen)
1 aan een draad rijgen
2 (een stuk stof) met een rijgsteek vastmaken.

Reeg aanAangeregen
AanrijpenRijpte aanAangerijpt
AanrissenRiste aanAangerist
AanristenRistte aanAangerist
AanroeienRoeide aanAangeroeid
AanroepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; riep aan, heeft aangeroepen; aanroeping)
1 door roepen de aandacht trekken van
2 (een hoger wezen) om hulp vragen.

In Spaans overeenkomend met: Invocar
Llamar
  sOproepen
Praaien
Riep aanAangeroepen
AanroerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; roerde aan, heeft aangeroerd; aanroering)
1 terloops, oppervlakkig behandelen.

In Spaans overeenkomend met: Tocar
  sAanslaan
Aanzitten
Roerde aanAangeroerd
AanroestenRoestte aanAangeroest
AanrokenRookte aanAangerookt
AanrollenRolde aanAangerold
AanrommelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rommelde aan, heeft aangerommeld)
1 zonder plan werken.

Rommelde aanAangerommeld
AanrotzooienRotzooide aanAangerotzooid
AanruisenRuiste aanAangeruist
AanrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Rukte aanAangerukt
AanschaffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schafte aan, heeft aangeschaft; aanschaffing)
1 zich door koop in het bezit stellen van.

In Spaans overeenkomend met: Proporcionarse
Comprar
Procurarse
  sAankopen
Afnemen
Inkopen
Kopen
Overnemen
Verkrijgen
Schafte aanAangeschaft
AanschakelenSchakelde aanAangeschakeld
AanscharrelenScharrelde aanAangescharreld
AanschellenSchelde aanAangescheld
AanscherpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scherpte aan, heeft aangescherpt; aanscherping)
1 [[duidelijker]], preciezer vaststellen.

Scherpte aanAangescherpt
AanschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoot aan, heeft aangeschoten)
1 haastig aantrekken
2 verwonden door een schot
3 terloops aanklampen om haastig iets te vragen of te zeggen.

Schoot aanAangeschoten
AanschikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schikte aan, is aangeschikt; aanschikking)
1 dichter bijeen gaan zitten
2 aan tafel plaatsnemen.

Schikte aanAangeschikt
AanschoffelenSchoffelde aanAangeschoffeld
AanschoppenSchopte aanAangeschopt
AanschouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aanschouwde, heeft aanschouwd; aanschouwer, aanschouwing)
1 (formeel) zien.

AanschouwdeAanschouwd
AanschrappenSchrapte aanAangeschrapt
AanschrijdenSchreed aanAangeschreden
AanschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef aan, heeft aangeschreven; aanschrijver, aanschrijving)
1 schriftelijk bevelen
2 in rekening brengen.

In Spaans overeenkomend met: Notificar
Schreef aanAangeschreven
AanschroevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schroefde aan, heeft aangeschroefd)
1 met schroeven vastmaken
2 een schroef [[vaster]] draaien.

Schroefde aanAangeschroefd
AanschuinenSchuinde aanAangeschuind
AanschuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (schoof aan, is aangeschoven) schuivend dichterbij komen
2 (schoof aan, is aangeschoven) (in [[België]]) langzaam vooruitgaan (in een rij [[wachtenden]] of een file)
3 (schoof aan, heeft/is aangeschoven) bij anderen aan tafel komen zitten.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof aan, heeft aangeschoven)
1 schuivend dichterbij brengen.

Schoof aanAangeschoven
AanschurenSchuurde aanAangeschuurd
AansjokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Sjokte aanAangesjokt
AansjorrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sjorde aan, heeft aangesjord)
1 [[stijver]] vastbinden door het aantrekken van de touwen.

Sjorde aanAangesjord
AansjouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Sjouwde aanAangesjouwd
AanslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloeg aan, is aangeslagen)
1 (van [[motoren]]) beginnen te functioneren
2 zich aan de oppervlakte vastzetten
3 beslagen raken
4 (van zaken) succes oogsten
5 even geluid geven
6 na verplanten opnieuw wortel schieten
7 (van projectielen) een oppervlakte aanraken en opspringen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg aan, heeft aangeslagen)
1 snel en kort treffen
2 de waarde bepalen van
3 (militair, leger) (het geweer) in schiethouding aan de schouder brengen
4 voor tijdelijk gebruik gereedmaken
5 beslag leggen op.

In Spaans overeenkomend met: Ladrar ((van een hond),(de un perro))
Herir, Tocar
Embargar ((in beslag nemen)), Gravar ((belastingen)), Imponer ((belastingen)), Secuestrar ((in beslag nemen))
Empañarse ((ruiten),(vidrios))
Tasar ((waarderen)), Valuar ((waarderen))
Estimar ((waarderen))
  sAanroeren
Aanzitten
Beginnen te blaffen
Begroten
Belasten
Belasting heffen op
Beslaan
Blaffen
Hechten aan
Houden van
Mogen
Op prijs stellen
Schatten
Taxeren
Veraccijnzen
Waarderen
Sloeg aanAangeslagen
AanslenterenSlenterde aanAangeslenterd
AanslepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleepte aan, heeft aangesleept)
1 (in [[België]]) zich [[voortslepen]], voortduren, langer duren dan gewenst.
([[overgankelijk]] werkwoord; sleepte aan, heeft aangesleept)
1 met moeite of in grote hoeveelheden aandragen.

Sleepte aanAangesleept
AansleurenSleurde aanAangesleurd
AanslibbenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slibde aan, is aangeslibd; aanslibbing)
1 door slib ontstaan of groter worden (van grond).

Slibde aanAangeslibd
AanslijkenSlijkte aanAangeslijkt
AanslijmenSlijmde aanAangeslijmd
AanslijpenSleep aanAangeslepen
AansloffenSlofte aanAangesloft
AansluipenSloop aanAangeslopen
AansluitenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten)
1 gaan meedoen met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten; aansluiting)
1 zonder [[gaping]] overgaan of verbonden zijn
2 (van personen) dicht achter anderen gaan staan of lopen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten)
1 verbinden met een stroom- of telefoonnet, waterleiding enz.
2 aan iets of iemand doen sluiten zonder tussenruimte.

In Spaans overeenkomend met: Conectar
Comunicar
Juntarse, Unirse
Empalmar
Atar, Ligar
  sBinden
Vastbinden
Vastmaken
Verbinden
Zich aaneensluiten
Sloot aanAangesloten
AansmedenSmeedde aanAangesmeed
AansmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeerde aan, heeft aangesmeerd)
1 ([[pejoratief]]) iets te duur verkopen
2 met een laagje metselspecie of kalk bestrijken.

In Spaans overeenkomend met: Embaucar, Encajar
Untar
  sAanpraten
Besmeren
Doorsmeren
Smeren
Smeerde aanAangesmeerd
AansmijtenSmeet aanAangesmeten
AansnauwenSnauwde aanAangesnauwd
AansnellenSnelde aanAangesneld
AansnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed aan, heeft aangesneden; aansnijding)
1 de eerste snee maken in
2 beginnen te bespreken.

In Spaans overeenkomend met: Abordar ((onderwerp)), Plantear ((onderwerp))
Decentar, Empezar, Encentar
  sBeginnen te snijden
Opwerpen
Stellen
Voorstellen
Sneed aanAangesneden
AansnoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snoerde aan, heeft aangesnoerd)
1 [[vaster]] snoeren, [[nauwer]] toesnoeren.

Snoerde aanAangesnoerd
AansnorrenSnorde aanAangesnord
AanspannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spande aan, heeft aangespannen; aanspanner, aanspanning)
1 (voertuigen enz.) vastmaken aan een trekker, paard enz.
2 (een rechtszaak) beginnen
3 [[strakker]] spannen.

Spande aanAangespannen
AanspeldenSpeldde aanAangespeld
AanspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde aan, heeft aangespeeld)
1 (sport) (een medespeler) de bal toeschuiven.

Speelde aanAangespeeld
AanspetenIn Spaans overeenkomend met: Espetar
  sAan het spit steken
Speette aanAangespeet
AanspijkerenSpijkerde aanAangespijkerd
AanspinnenSpon aanAangesponnen
AanspoedenSpoedde aanAangespoed
AanspoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spoelde aan, is aangespoeld; aanspoeling)
1 aan wal komen drijven
2 aanslibben.
([[overgankelijk]] werkwoord; spoelde aan, heeft aangespoeld)
1 vormen door aanslibbing.

In Spaans overeenkomend met: Ser arrojado, Ser arrojado a la playa
Spoelde aanAangespoeld
AansporenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spoorde aan, heeft aangespoord; aansporing)
1 (een mens of dier) proberen over te halen om zich meer in te spannen.

In Spaans overeenkomend met: Incitar, Instigar
Aguijar, Aguijonear, Aguzar, Animar, Espolear, Estimular
  sAanporren
Aanvuren
Aanwakkeren
Aanzetten
Opwekken
Prikkelen
Stimuleren
Zwepen
Spoorde aanAangespoord
AansprekenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sprak aan, heeft aangesproken)
1 ter verantwoording roepen voor.
([[overgankelijk]] werkwoord; sprak aan, heeft aangesproken)
1 (ook absoluut) bevallen, in de smaak vallen
2 (een bepaalde hoeveelheid geld, voedsel, drank) gebruiken
3 het woord richten tot.

In Spaans overeenkomend met: Dirigir la palabra a, Dirigirse a
Tratar
  sAanklampen
Betitelen
Toespreken
Sprak aanAangesproken
AanspringenSprong aanAangesprongen
AanstaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond aan, heeft aangestaan)
1 op een kier staan
2 goed bevallen, aangenaam zijn.

In Spaans overeenkomend met: Agradar, Gustar
  sBehagen
Bevallen
Prettig vinden
Zinnen
Stond aanAangestaan
AanstampenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stampte aan, heeft aangestampt; aanstamper, aanstamping)
1 door stampen [[compacter]] maken.

In Spaans overeenkomend met: Apisonar, Hollar, Pisar, Pisotear
  sAantrappen
Onder de voet lopen
Vertrappen
Stampte aanAangestampt
AanstappenStapte aanAangestapt
AanstarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; staarde aan, heeft aangestaard)
1 met strakke blik aankijken.

Staarde aanAangestaard
AanstekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stak aan, heeft aangestoken)
1 doen branden of ontvlammen
2 ziektekiemen overbrengen op
3 (vruchten) doen rotten.

In Spaans overeenkomend met: Infectar, Infestar
Contagiar
Alumbrar, Encender, Iluminar, Inflamar
  sBelichten
Besmetten
Doen ontbranden
Doen ontvlammen
Infecteren
Verlichten
Verpesten
Voorlichten
Stak aanAangestoken
AanstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde aan, heeft aangesteld; aansteller, aanstelling)
1 in een zekere functie plaatsen.
(wederkerend werkwoord; stelde zich aan, heeft zich aangesteld)
1 zich op overdreven wijze uiten.

In Spaans overeenkomend met: Nombrar
Stelde aanAangesteld
AansterkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sterkte aan, is aangesterkt; aansterking)
1 (van zieken) gaandeweg herstellen.

Sterkte aanAangesterkt
AanstervenStierf aanAangestorven
AanstevenenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Stevende aanAangestevend
AanstichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stichtte aan, heeft aangesticht; aanstichter, aanstichting)
1 (iets [[kwaads]]) teweegbrengen.

Stichtte aanAangesticht
AanstiefelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Stiefelde aanAangestiefeld
AanstijvenIn de betekenis van: Stijver worden

Stijfde aanAangestijfd
AanstijvenSteef aanAangesteven
AanstikkenStikte aanAangestikt
AanstippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stipte aan, heeft aangestipt; aanstipper, aanstipping)
1 met een enkel woord vermelden
2 (geneeskunde) met een stift, medicament enz. even aanraken
3 met een stip markeren.

Stipte aanAangestipt
AanstokenIn Spaans overeenkomend met: Acuciar, Incitar
Hurgar
  sOp stang jagen
Ophitsen
Oppoken
Prikkelen
Sarren
Stookte aanAangestookt
AanstomenStoomde aanAangestoomd
AanstoppenStopte aanAangestopt
AanstormenStormde aanAangestormd
AanstortenStortte aanAangestort
AanstotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stootte aan/stiet aan, heeft aangestoten)
1 (iemand) porren om zijn aandacht te trekken
2 door stoten in aanraking brengen met.

Stootte aan, Stiet aanAangestoten
AanstouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stouwde aan, heeft aangestouwd; aanstouwer, aanstouwing)
1 proppen.

Stouwde aanAangestouwd
AanstralenStraalde aanAangestraald
AanstrandenStrandde aanAangestrand
AanstrepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streepte aan, heeft aangestreept; aanstreping)
1 met een streep merken.

Streepte aanAangestreept
AanstrijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streek aan, heeft aangestreken; aanstrijker, aanstrijking)
1 door strijken met verf, cement enz. bedekken
2 door strijken doen ontbranden
3 (muziek) (een snaar) met de strijkstok laten klinken.

In Spaans overeenkomend met: Frotar
  sUitwrijven
Wrijven
Streek aanAangestreken
AanstrikkenStrikte aanAangestrikt
AanstromenStroomde aanAangestroomd
AanstrompelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Strompelde aanAangestrompeld
AanstuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoof aan, is aangestoven)
1 naar een plaats toestuiven en zich daar ophopen.

Stoof aanAangestoven
AansturenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stuurde aan, heeft aangestuurd)
1 trachten te bereiken of verkrijgen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stuurde aan, heeft aangestuurd)
1 leiding geven aan, coördineren, managen.

Stuurde aanAangestuurd
AanstuwenStuwde aanAangestuwd
AansukkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sukkelde aan, heeft aangesukkeld)
1 voortsukkelen.

Sukkelde aanAangesukkeld
AanswitchenSwitchte aanAangeswitcht
AantakelenTakelde aanAangetakeld
AantappenTapte aanAangetapt
AantastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tastte aan, heeft aangetast; aantasting)
1 een schadelijke uitwerking hebben op
2 met fysiek of psychisch geweld aangrijpen.

In Spaans overeenkomend met: Agredir, Atacar
Cariar, Corroer, Repudrir
  sAangrijpen
Aanvallen
Attaqueren
Bijten
Corroderen
Tackelen
Uitbijten
Uitvreten
Wegvreten
Tastte aanAangetast
AantekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tekende aan, heeft aangetekend)
1 (ook absoluut) schriftelijk vastleggen
2 (ook absoluut) zich in ondertrouw laten opnemen
3 als verklaring opmerken.

In Spaans overeenkomend met: Sentar
Anotar, Apuntar, Notar, Tantear ((de punten in een spel),(los puntos en un juego))
Inscribir, Registrar
Certificar, Ensalzar, Recomendar
  sAanbevelen
Boeken
Noteren
Opschrijven
Recommanderen
Registreren
Te boek stellen
Tellen
Vastleggen
Tekende aanAangetekend
AantelenTeelde aanAangeteeld
AantijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tijgde aan, heeft aangetijgd; [[aantijger]], aantijging)
1 uit kwaadwilligheid beschuldigen.

Teeg aanAangetegen
AantikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; tikte aan, heeft aangetikt)
1 (van geld) oplopen tot een groot bedrag.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; tikte aan, heeft aangetikt)
1 kort aanraken, tikken tegen.

Tikte aanAangetikt
AantimmerenTimmerde aanAangetimmerd
AantippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tipte aan, heeft aangetipt)
1 kort en licht aanraken.

Tipte aanAangetipt
AantonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; toonde aan, heeft aangetoond; aantoner, aantoning)
1 de waarheid of aanwezigheid bewijzen van (iets).

In Spaans overeenkomend met: Demostrar, Probar
  sAdstrueren
Bewijzen
Staven
Uitwijzen
Waarmaken
Toonde aanAangetoond
AantrappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; trapte aan, heeft aangetrapt)
1 met een trapbeweging starten
2 aanstampen.

In Spaans overeenkomend met: Apisonar
Arrancar ((motorfiets met een trapbeweging starten))
  sAanstampen
Starten
Trapte aanAangetrapt
AantredenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trad aan, is aangetreden)
1 bijeenkomen op een aangewezen plaats en zich in het gelid stellen
2 beginnen te functioneren.

Trad aanAangetreden
AantreffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; trof aan, heeft aangetroffen)
1 (iemand) toevallig ontmoeten
2 (iets) toevallig vinden.

In Spaans overeenkomend met: Chocar contra, Dar con, Encontrarse con, Topar
Encontrar, Hallar
  sBevinden
Ontmoeten
Tegemoet treden
Tegenkomen
Treffen
Vinden
Trof aanAangetroffen
AantrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok aan, is aangetrokken; aantrekker, aantrekking)
1 een normale of gewenste toestand bereiken.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok aan, heeft aangetrokken)
1 naar zich toetrekken
2 door trekken [[vaster]] doen sluiten
3 op aangename wijze boeien
4 aan zich weten te verbinden
5 (kleding, schoeisel enz.) aandoen.
(wederkerend werkwoord; trok zich aan, heeft zich aangetrokken)
1 grote aandacht schenken aan.

In Spaans overeenkomend met: Cautivar, Seducir
Atraer
Colocarse, Ponerse
Poner, Sobreponer
Jalar
  sAandoen
Aanhalen
Aanlokken
Bekoren
Opbrengen
Opleggen
Toelachen
Trekken
Verlekkeren
Trok aanAangetrokken
AantrippelenTrippelde aanAangetrippeld
AantuigenTuigde aanAangetuigd
AanturenTuurde aanAangetuurd
AanvaardenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aanvaardde, heeft aanvaard; aanvaarding)
1 zich niet meer verzetten tegen
2 beginnen te doen (een reis, tocht enz.)
3 op zich nemen
4 (formeel) in ontvangst of in gebruik nemen.

In Spaans overeenkomend met: Emprender ((ondernemen))
Aceptar, Asumir
Entregarse
  sAannemen
Ondernemen
Op zich nemen
AanvaarddeAanvaard
AanvallenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; viel aan, is aangevallen)
1 zich storten op.
([[overgankelijk]] werkwoord; viel aan, heeft aangevallen)
1 (ook absoluut) pogen met geweld [[iemands]] positie te ondermijnen
2 met woorden bestrijden.

In Spaans overeenkomend met: Asaltar
Acometer, Atacar
Agredir
  sAangrijpen
Aantasten
Attaqueren
Overvallen
Tackelen
Viel aanAangevallen
AanvangenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ving aan, is aangevangen)
1 (formeel) beginnen te bestaan of te gebeuren.
([[overgankelijk]] werkwoord; ving aan, heeft aangevangen)
1 beginnen met.

In Spaans overeenkomend met: Comenzar, Empezar, Principiar
  sAanbreken
Aanpakken
Beginnen
Ingaan
Ving aanAangevangen
AanvarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voer aan, heeft aangevaren)
1 varende in aanraking komen met.

Voer aanAangevaren
AanvattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vatte aan, heeft aangevat; aanvatter, aanvatting)
1 (formeel) met een omsluitende greep beetpakken
2 (in [[België]]) een begin maken met
3 (formeel) te baat nemen.

In Spaans overeenkomend met: Asir, Coger, Tomar
  sAanpakken
Nemen
Oprapen
Pakken
Vatten
Vatte aanAangevat
AanvechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vocht aan, heeft aangevochten; aanvechter, aanvechting)
1 de juistheid, rechtsgeldigheid betwisten van.

In Spaans overeenkomend met: Contradecir, Discutir, Objetar
  sBestrijden
Betwisten
Tegenspreken
Vocht aanAangevochten
AanvegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; veegde aan, heeft aangeveegd)
1 met een bezem of veger schoonmaken
2 op een hoop vegen.

In Spaans overeenkomend met: Barrer
  sBezemen
Opvegen
Schoonvegen
Vegen
Veegde aanAangeveegd
AanvettenVette aanAangevet
AanvijlenVijlde aanAangevijld
AanvijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[vees]] aan, heeft aangevezen)
1 (in [[België]], niet algemeen) [[aanschroeven]], met schroeven vastmaken
2 (in [[België]], niet algemeen) [[aanschroeven]], (een schroef) [[vaster]] draaien.

Vees aanAangevezen
AanvinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; vinkte aan, heeft aangevinkt)
1 afvinken.

Vinkte aanAangevinkt
AanvlammenVlamde aanAangevlamd
AanvlechtenVlechtte aan, Vlocht aanAangevlochten
AanvliegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vloog aan, heeft aangevlogen)
1 het doel vliegend naderen
2 onverwachts snel en heftig aanvallen
3 met een vliegtuig aanvoeren.

Vloog aanAangevlogen
AanvloeienVloeide aanAangevloeid
AanvlottenVlotte aanAangevlot
AanvoegenVoegde aanAangevoegd
AanvoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; voelde aan, heeft aangevoeld)
1 het genoemde gevoel veroorzaken.
([[overgankelijk]] werkwoord; voelde aan, heeft aangevoeld)
1 intuïtief begrijpen.

In Spaans overeenkomend met: Entender, Intuir, Percibir
Sentir
  sGevoelen
Gewaarworden
Vermoeden
Voelen
Voelde aanAangevoeld
AanvoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voerde aan, heeft aangevoerd; aanvoerder, aanvoering)
1 (een aantal personen) leiden
2 (zaken) naar een bestemming brengen
3 als bewijs voor een bewering naar voren brengen.

In Spaans overeenkomend met: Aducir ((van argumenten)), Alegar ((van argumenten))
Capitanear, Encabezar
Acaudillar, Comandar, Mandar
Acarrear ((aanbrengen, naartoe transporteren))
  sAanhalen
Besturen
Bevelen
Bijbrengen
Commanderen
Het bevel voeren
Meevoeren
Regeren
Voerde aanAangevoerd
AanvragenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vroeg aan, heeft aangevraagd; aanvrager)
1 verzoeken, min of meer officieel.

In Spaans overeenkomend met: Encargar, Hacer pedido
Pedir, Rogar
  sBestellen
Inroepen
Verzoeken
Vragen
Vraagdeª aan, Vroeg aanAangevraagd
AanvretenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vrat aan, heeft aangevreten; aanvreter, aanvreting)
1 door vreten aantasten
2 aantasten.

Vrat aanAangevreten
AanvullenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vulde aan, heeft aangevuld; aanvuller, aanvulling)
1 voltallig, volledig maken.

In Spaans overeenkomend met: Completar, Llenar, Suplir
  sAanzuiveren
Afmaken
Bijpassen
Bijvoegen
Bijwerken
Completeren
Voleinden
Vulde aanAangevuld
AanvurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vuurde aan, heeft aangevuurd; aanvuring)
1 (personen) sterk aansporen tot iets goeds.

In Spaans overeenkomend met: Instigar
Animar, Incitar, Inflamar
Activar
Estimular, Irritar
  sAanporren
Aansporen
Aanwakkeren
Aanzetten
Opwekken
Prikkelen
Stimuleren
Verlevendigen
Zwepen
Vuurde aanAangevuurd
AanwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; is aangewaaid)
1 door de wind nader of aangevoerd worden.

Waaide aan, Woei aanAangewaaid
AanwaggelenWaggelde aanAangewaggeld
AanwakkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wakkerde aan, is aangewakkerd; aanwakkering)
1 (van zaken) [[heviger]] worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; wakkerde aan, heeft aangewakkerd)
1 [[feller]] doen branden
2 in kracht doen toenemen.

In Spaans overeenkomend met: Excitar
Instigar
Aumentar
Animar, Avivar, Azuzar, Incitar
  sAansporen
Aanvuren
Aanzetten
Opwekken
Opwinden
Prikkelen
Sterker worden
Verhitten
Verlevendigen
Werken op
Zwepen
Wakkerde aanAangewakkerd
AanwandelenWandelde aanAangewandeld
AanwassenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wies aan, is aangewassen)
1 groter worden.

In Spaans overeenkomend met: Crecer
  sAarden
Gedijen
Groeien
Tieren
Toenemen
Wassen
Wies aanAangewassen
AanwendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wendde aan, heeft aangewend; aanwending)
1 voor een speciaal doel gebruiken.

In Spaans overeenkomend met: Aplicar ((toepassen))
Emplear, Hacer uso de, Servirse de, Usar, Utilizar
  sBenutten
Doorvoeren
Gebruiken
In toepassing brengen
Toepassen
Wendde aanAangewend
AanwennenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; wende zich aan, heeft zich aangewend)
1 zich tot een gewoonte maken.

Wende aanAangewend
AanwentelenWentelde aanAangewenteld
AanwerpenWierp aanAangeworpen
AanwervenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wierf aan, heeft aangeworven; aanwerver, aanwerving)
1 ([[krijgsvolk]] enz.) in dienst nemen
2 (leden, aanhangers) winnen
3 (personeel) in dienst nemen.

In Spaans overeenkomend met: Tomar a sueldo
Alistar, Contratar, Enganchar, Enrolar, Hacer prosélitos, Levantar, Reclutar
  sAanbrengen
Aannemen
Huren
In dienst nemen
Tewerkstellen
Werven
Wierf aanAangeworven
AanwettenWette aanAangewet
AanwevenWeefde aanAangeweven
AanwijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wees aan, heeft aangewezen; aanwijzer, aanwijzing)
1 wijzen naar om te onderscheiden of te doen kennen
2 door middel van een wijzer aangeven
3 aanstellen.

In Spaans overeenkomend met: Designar, Enseñar, Indicar, Marcar, Señalar
Acusar
Trazar
Demostrar, Denotar
  sAanduiden
Aangeven
Een teken zijn van
Uitduiden
Voorschrijven
Wees aanAangewezen
AanwinnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; won aan, heeft aangewonnen; aanwinning)
1 bij reeds bestaand bezit verwerven.

Won aanAangewonnen
AanwippenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wipte aan, is aangewipt)
1 langsgaan, kort bezoeken.

Wipte aanAangewipt
AanwoekerenWoekerde aanAangewoekerd
AanwrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wreef aan, heeft aangewreven)
1 (iets) ten laste leggen.

Wreef aanAangewreven
AanzaaienZaaide aanAangezaaid
AanzakkenZakte aanAangezakt
AanzandenZandde aanAangezand
AanzeggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zegde aan/zei aan, heeft aangezegd; aanzegger, aanzegging)
1 op officiële wijze bekendmaken.

In Spaans overeenkomend met: Denunciar
  sAanbrengen
Aangeven
Klikken
Verklikken
Zegde aan, Zei aanAangezegd
AanzeilenZeilde aanAangezeild
AanzettenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; zette aan, heeft aangezet)
1 aansporen.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (zette aan, heeft aangezet) dik maken
2 (zette aan, is aangezet) licht aanbranden.
([[overgankelijk]] werkwoord; zette aan, heeft aangezet)
1 (ook absoluut) beginnen (iets te doen)
2 (iets) aan een voorwerp vastmaken
3 inschakelen
4 benadrukken
5 (iets) zo plaatsen dat het bijna aan iets anders raakt
6 scherpen, wetten.

In Spaans overeenkomend met: Afilar
Pegar
Arrancar
Encender
Poner
Activar, Animar, Incitar
Aguzar, Azuzar, Hurgar
  sAan de praat krijgen
Aansporen
Aanvuren
Aanwakkeren
Inschakelen
Op gang brengen
Prikkelen
Scherpen
Slijpen
Vastnaaien
Verlevendigen
Wetten
Zette aanAangezet
AanzeulenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; zeulde aan, heeft aangezeuld)
1 moeizaam aanslepen.

Zeulde aanAangezeuld
AanzienALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 vorm waaronder iets zich vertoont
2 achting, prestige.
(werkwoord; zag aan, heeft aangezien)
1 houden voor.
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 (in [[België]], niet algemeen) beschouwen als, houden voor.
([[overgankelijk]] werkwoord; zag aan, heeft aangezien)
1 aankijken.

In Spaans overeenkomend met: Tolerar ((dulden))
  sDulden
Pikken
Toelaten
Tolereren
Velen
Verdragen
Zag aanAangezien
AanzittenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zat aan, heeft/is aangezeten)
1 zitten aan de officiële maaltijd.

In Spaans overeenkomend met: Tocar
  sAanroeren
Aanslaan
Zat aanAangezeten
AanzoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zocht aan, heeft aangezocht)
1 (iemand) benaderen en verzoeken.

Zocht aanAangezocht
AanzoetenZoette aanAangezoet
AanzuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zoog aan, heeft aangezogen; aanzuiging)
1 door zuigen ergens heen brengen.

Zoog aanAangezogen
AanzuiverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zuiverde aan, heeft aangezuiverd; aanzuivering)
1 (het alsnog verschuldigde bedrag) voldoen.

In Spaans overeenkomend met: Ajustar, Cubrir, Saldar, Suplir
  sAanvullen
Bijpassen
Bijvoegen
Zuiverde aanAangezuiverd
AanzurenZuurde aanAangezuurd
AanzwaaienZwaaide aanAangezwaaid
AanzwellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwol aan, is aangezwollen; aanzwelling)
1 in omvang of sterkte toenemen.

Zwol aanAangezwollen
AanzwemmenZwom aanAangezwommen
AanzwengelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zwengelde aan, heeft aangezwengeld; aanzwengeling)
1 door draaien aan een zwengel in beweging brengen
2 op gang brengen.

In Spaans overeenkomend met: Relanzar
Zwengelde aanAangezwengeld
AanzwepenZweepte aanAangezweept
AanzwetenZweette aanAangezweet
AanzwevenZweefde aanAangezweefd
AanzwoegenZwoegde aanAangezwoegd
AardenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van aarde gemaakt
2 uit klei gevormd en tot steen gebakken.
(werkwoord; aardde, heeft geaard)
1 in aard overeenkomen met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; aardde, heeft geaard; aarding)
1 zich ergens wel bevinden.
([[overgankelijk]] werkwoord; aardde, heeft geaard)
1 (techniek) door verbinding met de aarde elektrisch beveiligen.

In Spaans overeenkomend met: Crecer, Desarrollarse
Acostumbrarse, Habituarse
Prosperar
Parecerse
  sAanwassen
Bloeien
Floreren
Gedijen
Gelijken
Gewend raken
Gewennen
Groeien
Lijken
Lijken op
Tieren
Toenemen
Vooruitkomen
Wassen
Welvaren
Wennen
AarddeGeaard
AarzelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; aarzelde, heeft geaarzeld; aarzeling)
1 wachten uit schroom of besluiteloosheid.

In Spaans overeenkomend met: Dudar, Titubear, Vacilar
  sDubben
Schoorvoeten
Schromen
Weifelen
AarzeldeGeaarzeld
AbandonnerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[abandonneerde]], heeft geabandonneerd)
1 afstand doen van
2 verlaten.

In Spaans overeenkomend met: Abandonar
AbandonneerdeGeabandonneerd
AbbreviërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[abbrevieerde]], heeft geabbrevieerd)
1 (iets) afkorten, verkort schrijven.

AbbrevieerdeGeabbrevieerd
AbdicerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; abdiceerde, heeft geabdiceerd; abdicatie)
1 aftreden als vorst.

In Spaans overeenkomend met: Abdicar, Dimitir
  sAbdiqueren
Afstand doen
Afstand doen van
Aftreden
AbdiceerdeGeabdiceerd
AbdiquerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord) zie abdiceren.

In Spaans overeenkomend met: Abdicar, Dimitir
  sAbdiceren
Afstand doen
Afstand doen van
Aftreden
AbdiqueerdeGeabdiqueerd
AbducerenAbduceerdeGeabduceerd
AbhorrerenAbhorreerdeGeabhorreerd
AbonnerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; abonneerde, heeft geabonneerd)
1 (iemand) een abonnement verstrekken.
(wederkerend werkwoord; abonneerde zich, heeft zich geabonneerd)
1 zich door intekening of betaling van het recht verzekeren op geregelde ontvangst van een krant, een tijdschrift enz. of tijdelijke [[gebruikmaking]] van een instelling.

In Spaans overeenkomend met: Suscribirse
AbonneerdeGeabonneerd
AborterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; aborteerde, heeft geaborteerd)
1 (een foetus) doden.

In Spaans overeenkomend met: Abortar
Provocar un aborto
  sEen miskraam krijgen
Mislukken
Ontijdig bevallen
AborteerdeGeaborteerd
AbseilenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; abseiler, abseilung)
1 (van [[bergbeklimmers]]) zich langs een touw naar beneden laten zakken.

Seilde abAbgeseild
AbsenterenAbsenteerdeGeabsenteerd
AbsolverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; absolveerde, heeft geabsolveerd)
1 een vrijstelling verlenen
2 vergeving van zonden schenken.

In Spaans overeenkomend met: Absolver
  sDe absolutie geven
Vrijspreken
AbsolveerdeGeabsolveerd
AbsorberenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; absorbeerde, heeft geabsorbeerd)
1 inzuigen, in zich opnemen.

In Spaans overeenkomend met: Absorber
  sIn beslag nemen
AbsorbeerdeGeabsorbeerd
AbstinerenAbstineerdeGeabstineerd
AbstraherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; abstraheerde, heeft geabstraheerd)
1 ontdoen van het toevallige, van het concrete.

In Spaans overeenkomend met: Abstraer
Deducir
  sAfleiden
Deduceren
AbstraheerdeGeabstraheerd
AccaparerenAccapareerdeGeaccapareerd
AccelererenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; accelereerde, heeft/is geaccelereerd; acceleratie)
1 op een hogere versnelling overgaan, optrekken.

In Spaans overeenkomend met: Acelerar, Activar, Adelantar, Apresurar
  sBespoedigen
Verhaasten
Versnellen
AccelereerdeGeaccelereerd
AccentuerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; accentueerde, heeft geaccentueerd; accentuering/accentuatie)
1 beklemtonen, de klemtoon leggen op
2 benadrukken, sterk doen uitkomen.

In Spaans overeenkomend met: Acentuar
  sBeklemtonen
Benadrukken
De klemtoon leggen op
AccentueerdeGeaccentueerd
AccepterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; accepteerde, heeft geaccepteerd; acceptatie)
1 aannemen
2 handelingen en omstandigheden als onvermijdelijk, [[vergeeflijk]] enz. aanvaarden.

In Spaans overeenkomend met: Aceptar, Acoger, Admitir, Recibir, Tomar
  sAannemen
Ontvangen
Opnemen
Opvangen
Toelaten
AccepteerdeGeaccepteerd
AcclimatiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; acclimatiseerde, is geacclimatiseerd; acclimatisatie/acclimatisering)
1 aan een andere omgeving of een ander klimaat wennen.

In Spaans overeenkomend met: Aclimatar
AcclimatiseerdeGeacclimatiseerd
AccommoderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; accommodeerde, heeft geaccommodeerd)
1 (ook absoluut) een vergelijk treffen
2 (biologie) (de lens van het oog) aanpassen aan de gezichtsafstand.
(wederkerend werkwoord; accommodeerde zich, heeft zich geaccommodeerd)
1 zich schikken in, naar.

In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar
  sAanpassen
Adapteren
AccommodeerdeGeaccommodeerd
AccompagnerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[accompagneerde]], heeft geaccompagneerd)
1 (muziek) begeleiden.

In Spaans overeenkomend met: Acompañar
  sBegeleiden
AccompagneerdeGeaccompagneerd
AccorderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; accordeerde, heeft geaccordeerd)
1 overeenkomen, overeenstemmen
2 prettig met elkaar omgaan
3 een vergelijk treffen
4 (muziek) welluidend [[samenklinken]] (van tonen).
([[overgankelijk]] werkwoord; accordeerde, heeft geaccordeerd)
1 (ook absoluut) schaduw en licht goed verdelen, eenheid en overeenstemming in zijn schilderijen brengen
2 vergelijken.

In Spaans overeenkomend met: Acordar
  sOvereenkomen
AccordeerdeGeaccordeerd
AccrediterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; accrediteerde, heeft geaccrediteerd)
1 de echtheid van (een lastgeving of volmacht) erkennen
2 (iemand) [[kredietwaardig]] bevinden, vertrouwen schenken
3 van geloofsbrieven voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Acreditar, Afirmar, Autentificar
AccrediteerdeGeaccrediteerd
AccrocherenAccrocheerdeGeaccrocheerd
AcculturerenAccultureerdeGeaccultureerd
AccumulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; accumuleerde, heeft geaccumuleerd; accumulatie)
1 opeenhopen.

In Spaans overeenkomend met: Acopiar, Acumular
  sOpeenhopen
Ophopen
AccumuleerdeGeaccumuleerd
AccuserenAccuseerdeGeaccuseerd
AchelenAcheldeGeacheld
AchtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; achtte, heeft geacht; achting)
1 beschouwen als
2 hoogschatten.

In Spaans overeenkomend met: Apreciar, Estimar
Opinar
  sAchting hebben voor
Achting toedragen
Geloven
Hoogachten
Van mening zijn
Vinden
AchtteGeacht
AchteraanblijvenBleef achteraanAchteraangebleven
AchteraangaanGing achteraanAchteraangegaan
AchteraankomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam achteraan, is achteraangekomen)
1 een van de [[laatsten]] zijn.

Kwam achteraanAchteraangekomen
AchteraanlopenLiep achteraanAchteraangelopen
AchteraanrennenRende achteraanAchteraangerend
AchteraanzittenZat achteraanAchteraangezeten
AchterblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef achter, is achtergebleven; achterblijver)
1 niet met anderen meekomen, blijven op de plaats waar men is
2 (van voorwerpen) blijven staan of liggen
3 in snelheid, ontwikkeling enz. achter anderen blijven
4 blijven leven, terwijl anderen sterven
5 zich aan iets [[gemeenschappelijks]] onttrekken.

In Spaans overeenkomend met: Quedarse
Demorar, Quedarse atrás, Tardar
  sNablijven
Bleef achterAchtergebleven
AchtergaanGing achterAchtergegaan
AchterhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; achterhaalde, heeft achterhaald)
1 op de vlucht inhalen, te pakken krijgen
2 ontdekken, te weten komen.

In Spaans overeenkomend met: Averiguar
Alcanzar
Sacar en claro
  sInhalen
AchterhaaldeAchterhaald
AchterhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield achter, heeft achtergehouden; achterhouder, achterhouding)
1 verduisteren
2 nog niet geven, meedelen.

In Spaans overeenkomend met: Cercenar, Disminuir, Escasear, Escatimar
  sMinder worden
Verlagen
Verminderen
Hield achterAchtergehouden
AchterklappenAchterklapteGeachterklapt
AchterlatenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; liet achter, heeft achtergelaten; achterlating)
1 in een bepaalde toestand of op een bepaalde plaats laten blijven, terwijl men zelf vertrekt
2 door zelf te sterven achter doen blijven
3 (een teken van werking) laten voortbestaan.

In Spaans overeenkomend met: Abandonar, Dejar, Dejar en pos, Dejarse atrás
  sIn de steek laten
Legateren
Nalaten
Verlaten
Vermaken
Verzuimen
Liet achterAchtergelaten
AchterliggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lag achter, heeft achtergelegen)
1 een meer naar achteren gelegen plaats hebben
2 in ontwikkeling, vordering achter zijn bij.

Lag achterAchtergelegen
AchterlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep achter, heeft achtergelopen)
1 (van uurwerken) te langzaam lopen
2 (van personen) niet op de hoogte zijn met de [[nieuwste]] stand van zaken.

In Spaans overeenkomend met: Retrasarse
Atrasar, Atrasarse
  sAchter zijn
Over tijd zijn
Te laat komen
Te laat zijn
Verlaten
Vertragen
Vertraging hebben
Zich verlaten
Liep achterAchtergelopen
AchternadoenDeed achternaAchternagedaan
AchternagaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging achterna, is achternagegaan)
1 op enige afstand volgen.

Ging achternaAchternagegaan
AchternagevenGaf achternaAchternagegeven
AchternalopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep achterna, heeft achternagelopen)
1 lopend achternagaan
2 iemand overal volgen om op hem te passen of om contact te krijgen, om zijn gunst te winnen.

Liep achternaAchternagelopen
AchternarijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; reed achterna, heeft/is achternagereden)
1 rijdend achternagaan.

Reed achternaAchternagereden
AchternasturenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stuurde achterna, heeft achternagestuurd)
1 achternazenden.

Stuurde achternaAchternagestuurd
AchternazendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zond achterna, heeft achternagezonden)
1 nazenden wat iemand vergeten was, of iemand afzenden om een vertrokken persoon in te halen.

Zond achternaAchternagezonden
AchternazettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette achterna, heeft achternagezet)
1 achternazitten.

Zette achternaAchternagezet
AchternazittenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zat achterna, heeft achternagezeten)
1 (een vluchteling) achtervolgen om hem in te halen
2 voortdurend streng controleren.

Zat achternaAchternagezeten
AchteromkijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; keek achterom, heeft achteromgekeken)
1 het hoofd omdraaien om achter zich te zien.

Keek achteromAchteromgekeken
AchteromlopenLiep achteromAchteromgelopen
AchteromzienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zag achterom, heeft achteromgezien)
1 achteromkijken.

Zag achteromAchteromgezien
AchterophinkenHinkte achteropAchteropgehinkt
AchteropkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kwam achterop, is achteropgekomen)
1 (iemand die voorgaat) inhalen en zich dan bij hem voegen.

Kwam achteropAchteropgekomen
AchteroplopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; liep achterop, heeft achteropgelopen)
1 door snel lopen (iemand die voorgaat) inhalen.

Liep achteropAchteropgelopen
AchteroprakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; raakte achterop, is achteropgeraakt)
1 achterblijven.

Raakte achteropAchteropgeraakt
AchteroverdrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; drukte achterover, heeft achterovergedrukt)
1 (informeel) verduisteren.

In Spaans overeenkomend met: Timar
Drukte achteroverAchterovergedrukt
AchteroverhellenHelde achteroverAchterovergeheld
AchteroverkammenKamde achteroverAchterovergekamd
AchteroverleunenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; leunde achterover, heeft achterovergeleund)
1 naar achteren leunen
2 werkeloos toezien, geen actie ondernemen.

Leunde achteroverAchterovergeleund
AchteroverliggenLag achteroverAchterovergelegen
AchteroverslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg achterover, heeft achterovergeslagen)
1 (informeel) snel of achterelkaar uitdrinken.

Sloeg achteroverAchterovergeslagen
AchterovervallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel achterover, is achterovergevallen)
1 achterwaarts omvallen.

Viel achteroverAchterovergevallen
AchterrakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; raakte achter, is achtergeraakt)
1 achterblijven.

Raakte achterAchtergeraakt
AchterstaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stond achter, heeft achtergestaan)
1 voor iemand of iets onderdoen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond achter, heeft achtergestaan)
1 (spel; sport) minder punten gescoord hebben dan de tegenpartij.

Stond achterAchtergestaan
AchterstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde achter, heeft achtergesteld; achterstelling)
1 minder of geringer schatten dan iemand of iets anders
2 minder bevoordelen, begunstigen.

In Spaans overeenkomend met: Desfavorecer
Desatender, Descuidar
  sBenadelen
Verzaken
Stelde achterAchtergesteld
AchteruitboerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boerde achteruit, heeft/is achteruitgeboerd)
1 snel [[achteruitgaan]] in zaken of gezondheid.

Boerde achteruitAchteruitgeboerd
AchteruitdeinzenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; deinsde achteruit, is achteruitgedeinsd)
1 terugdeinzen.

Deinsde achteruitAchteruitgedeinsd
AchteruitgaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging achteruit, is achteruitgegaan)
1 achterwaarts gaan
2 verminderen in welvaart, gezondheid, kwaliteit of kwantiteit.

In Spaans overeenkomend met: Decaer ((zieke)), Declinar ((zieke)), Desmejorar ((zieke)), Desmerecer ((zieke)), Empeorarse ((zieke))
Retrasar
Cejar, Ciar, Decrecer, Retroceder
  sVerslechteren
Ging achteruitAchteruitgegaan
AchteruitkijkenKeek achteruitAchteruitgekeken
AchteruitkrabbelenKrabbelde achteruitAchteruitgekrabbeld
AchteruitlerenLeerde achteruitAchteruitgeleerd
AchteruitlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (liep achteruit, heeft/is [[achteruitgelopen]]) teruglopen
2 (liep achteruit, is [[achteruitgelopen]]) in [[ongunstiger]] toestand komen.

In Spaans overeenkomend met: Ciar
  sWijken
Liep achteruitAchteruitgelopen
AchteruitrakenRaakte achteruitAchteruitgeraakt
AchteruitrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; reed achteruit, heeft/is achteruitgereden)
1 rijden in achterwaartse richting.

Reed achteruitAchteruitgereden
AchteruitroeienIn Spaans overeenkomend met: Ciar
  sTerugroeien
Roeide achteruitAchteruitgeroeid
AchteruitschoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schopte achteruit, heeft achteruitgeschopt)
1 achterwaarts schoppen.

Schopte achteruitAchteruitgeschopt
AchteruitschuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schoof achteruit, is achteruitgeschoven)
1 schuivend achteruitgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof achteruit, heeft achteruitgeschoven)
1 (een voorwerp) achterwaarts schuiven.

Schoof achteruitAchteruitgeschoven
AchteruitslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloeg achteruit, heeft achteruitgeslagen)
1 (van rij- en trekdieren) achterwaarts trappen
2 (van een scheepsschroef) in tegengestelde richting draaien, zodat het schip achteruit getrokken wordt.

Sloeg achteruitAchteruitgeslagen
AchteruitstekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stak achteruit, heeft achteruitgestoken)
1 met een auto [[achteruitrijden]] om te parkeren.

Stak achteruitAchteruitgestoken
AchteruitvallenViel achteruitAchteruitgevallen
AchteruitvliegenVloog achteruitAchteruitgevlogen
AchteruitwerkenWerkte achteruitAchteruitgewerkt
AchteruitwijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; week achteruit, is achteruitgeweken)
1 naar achteren wijken
2 zich terugtrekken, wijken.

Week achteruitAchteruitgeweken
AchteruitzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette achteruit, heeft achteruitgezet)
1 meer naar achteren zetten
2 (uurwerken) een vroeger tijdstip doen aanwijzen
3 teruggooien, achteruit doen gaan in geldelijk vermogen, aanzien enz.

In Spaans overeenkomend met: Postergar
  sPasseren
Zette achteruitAchteruitgezet
AchtervoegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voegde achter, heeft achtergevoegd; achtervoeging)
1 van achteren toevoegen.

In Spaans overeenkomend met: Posponer
Voegde achterAchtergevoegd
AchtervolgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; achtervolgde, heeft achtervolgd; achtervolger, achtervolging)
1 voortdurend lastigvallen
2 volgen met vijandige bedoelingen.

In Spaans overeenkomend met: Acosar, Perseguir
  sNajagen
Vervolgen
AchtervolgdeAchtervolgd
AchterwarenAchterwaardeAchterwaard
AchterzeilenZeilde achterAchtergezeild
AchterzettenIn Spaans overeenkomend met: Atrasar
Zette achterAchtergezet
AcquirerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 verwerven.

AcquireerdeGeacquireerd
AcquitterenAcquitteerdeGeacquitteerd
ActerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; acteerde, heeft geacteerd; acteur)
1 spelen, een persoon voorstellen op het toneel of voor de camera
2 doen alsof, een rol spelen.

In Spaans overeenkomend met: Actuar
ActeerdeGeacteerd
ActievoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; voerde actie, heeft actiegevoerd)
1 gezamenlijk of individueel actie ondernemen om te bewerkstelligen dat iets gebeurt, bv. door te staken of te demonstreren.

Voerde actieActiegevoerd
ActiverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; activeerde, heeft geactiveerd; activering)
1 actief maken, aansporen
2 (een chemische stof) in zodanige vorm brengen dat zij gemakkelijk in reactie treedt
3 (atoomkernen) radioactief maken door beschieting met elementaire deeltjes.

ActiveerdeGeactiveerd
ActualiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; actualiseerde, heeft geactualiseerd; actualisering)
1 actueel maken, maken tot een onderwerp dat op het ogenblik belangrijk is.

In Spaans overeenkomend met: Actualizar
  sActueel maken
Bijwerken
Moderniseren
Updaten
ActualiseerdeGeactualiseerd
AdapterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adapteerde, heeft geadapteerd; adaptatie)
1 aanpassen aan omstandigheden of een bepaalde kunstvorm.

In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar
  sAanpassen
Accommoderen
AdapteerdeGeadapteerd
AdderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[addeerde]], heeft geaddeerd)
1 (scheikunde) (nieuwe moleculen) vormen uit de samenvoeging van twee bestaande moleculen.

In Spaans overeenkomend met: Sumar
  sBijtellen
Optellen
AddeerdeGeaddeerd
AdelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adelde, heeft geadeld)
1 in de adelstand verheffen.

AdeldeGeadeld
AdemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ademde, heeft geademd)
1 de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
2 (van textiel, leer) voldoende ventilatie mogelijk maken.
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Espirar
Respirar
  sAdemhalen
Getuigen van
Uitademen
Uitwasemen
AdemdeGeademd
AdemhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; haalde adem, heeft ademgehaald; ademhaling)
1 ademen
2 (van planten) koolzuur en zuurstof uitwisselen.

In Spaans overeenkomend met: Alentar, Respirar
  sAdemen
Haalde ademAdemgehaald
AderenIn Spaans overeenkomend met: Jaspear, Vetear
  sMarmeren
AderdeGeaderd
AderiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aderiseerde, heeft geaderiseerd)
1 (autobanden die door slijtage glad geworden zijn) van nieuwe dwarse groeven voorzien.

AderiseerdeGeaderiseerd
AderlatenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aderliet, heeft adergelaten; aderlating)
1 (iemand) behandelen door bij hem bloed af te tappen
2 (iemand) te veel laten betalen.

In Spaans overeenkomend met: Sangrar
  sBloed aftappen
AderlietAdergelaten
AdjusterenAdjusteerdeGeadjusteerd
AdministrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[administreerde]], heeft geadministreerd)
1 (een zaak) voor een derde beheren, besturen, waarnemen
2 (gegevens) in een administratie onderbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Administrar
  sBeheren
Besturen
Toedienen
AdministreerdeGeadministreerd
AdmiraalzeilenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 met jachten, boeiers enz. een defilé varen, geordend als een vloot.

AdmitterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; admitteerde, heeft geadmitteerd)
1 (formeel) toelaten.

AdmitteerdeGeadmitteerd
AdoniserenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; adoniseerde zich, heeft zich geadoniseerd)
1 (formeel) al het mogelijke doen om voor jong en mooi door te gaan.

AdoniseerdeGeadoniseerd
AdopterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adopteerde, heeft geadopteerd)
1 (ook absoluut) (iemand) als kind aannemen
2 onder zijn hoede nemen.

In Spaans overeenkomend met: Adoptar, Ahijar, Prohijar
  sAannemen
Zich eigen maken
AdopteerdeGeadopteerd
AdorerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adoreerde, heeft geadoreerd; adoratie)
1 met geestdrift vereren.

In Spaans overeenkomend met: Adorar
  sAanbidden
Verafgoden
Vereren
AdoreerdeGeadoreerd
AdresserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adresseerde, heeft geadresseerd; adressering)
1 van een [[adres]] voorzien
2 (computer) het [[adres]] in een [[computergeheugen]] benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens.

In Spaans overeenkomend met: Dirigir
AdresseerdeGeadresseerd
AdsorberenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[adsorbeerde]], heeft geadsorbeerd; adsorptie)
1 (een stof) binden aan het oppervlak van een andere stof.

AdsorbeerdeGeadsorbeerd
AdstruerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adstrueerde, heeft geadstrueerd; adstructie)
1 (een betoog of bewering) met bewijzen staven, toelichten.

In Spaans overeenkomend met: Demostrar, Probar
  sAantonen
Bewijzen
Staven
Uitwijzen
Waarmaken
AdstrueerdeGeadstrueerd
AdverterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; adverteerde, heeft geadverteerd)
1 advertenties plaatsen.

In Spaans overeenkomend met: Anunciar
  sAandienen
Aankondigen
Annonceren
Bekend maken
AdverteerdeGeadverteerd
AdviserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; adviseerde, heeft geadviseerd)
1 (ook absoluut) (iemand) door raadgevingen helpen
2 aanraden.

In Spaans overeenkomend met: Asesorar
Aconsejar
  sAanbevelen
Aanraden
Raad geven
Raden
AdviseerdeGeadviseerd
AerobiccenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[aerobicte]], heeft geaerobict)
1 aerobics beoefenen.

AerobicteGeaerobict
AfbaardenBaardde afAfgebaard
AfbakenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bakende af, heeft afgebakend; afbakening)
1 met bakens of andere tekens markeren.

In Spaans overeenkomend met: Amojonar
Bakende afAfgebakend
AfbakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bakte af, heeft afgebakken)
1 (een voorgebakken product) in korte tijd gaar bakken.

Bakte afAfgebakken
AfbalkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; balkte af, heeft afgebalkt; afbalking)
1 (iemand op tv of in de krant) met een zwart [[balkje]] over de ogen onherkenbaar maken.

Balkte afAfgebalkt
AfbarstenBarstte afAfgebarsten
AfbedelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedelde af, heeft afgebedeld)
1 al bedelend verkrijgen.

Bedelde afAfgebedeld
AfbeeldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beeldde af, heeft afgebeeld; afbeelding)
1 door beeld, tekening enz. zichtbaar voorstellen
2 door woorden schetsen.

In Spaans overeenkomend met: Reproducir, Retratar
Figurar
  sFigureren
Uitbeelden
Verbeelden
Verzinnelijken
Voorstellen
Vormen
Beeldde afAfgebeeld
AfbeitelenBeitelde afAfgebeiteld
AfbekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekte af, heeft afgebekt)
1 (informeel) (iemand) met ruwe woorden afwijzen.

Bekte afAfgebekt
AfbellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belde af, heeft afgebeld)
1 (ook absoluut) telefonisch afzeggen
2 per telefoon langsgaan.

Belde afAfgebeld
AfbenenBeende afAfgebeend
AfbestellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestelde af, heeft afbesteld; afbestelling)
1 (het bestelde) afzeggen.

In Spaans overeenkomend met: Anular, Cancelar, Contramandar, Revocar
Bestelde afAfbesteld
AfbetalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betaalde af, heeft afbetaald; afbetaling)
1 een schuld, een rekening geheel voldoen
2 in mindering betalen op een schuld of rekening.

In Spaans overeenkomend met: Amortiguar, Amortizar
Pagar a plazos
  sAflossen
Afschrijven
Amortiseren
Betaalde afAfbetaald
AfbettenBette afAfgebet
AfbeulenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beulde af, heeft afgebeuld)
1 meedogenloos door zware en langdurige arbeid of inspanning geheel afmatten.

In Spaans overeenkomend met: Cansar, Fatigar
  sAfjakkeren
Beulde afAfgebeuld
AfbiddenBad afAfgebeden
AfbiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bood af, heeft afgeboden; afbieder, afbieding)
1 (in [[België]]) afdingen.

Bood afAfgeboden
AfbietsenBietste afAfgebietst
AfbiezenBiesde afAfgebiesd
AfbijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beet af, heeft afgebeten)
1 met de tanden afsnijden en wegnemen
2 door scheikundige middelen oplossen en wegnemen.

Beet afAfgebeten
AfbikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bikte af, heeft afgebikt)
1 (oude kalk, [[ketelsteen]], roest enz.) met een bikijzer verwijderen
2 (een muur) ontdoen van oude kalk enz.

Bikte afAfgebikt
AfbiljoenenBiljoende afAfgebiljoend
AfbindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bond af, heeft afgebonden; afbinder, afbinding)
1 (een lichaamsdeel) afsluiten van bloedtoevoer
2 losbinden.

Bond afAfgebonden
AfbladderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bladderde af, is afgebladderd)
1 (van een verflaag) in schilfers loslaten
2 (van een oppervlak) [[afschilferen]], zijn buitenste laag in schilfers verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Desconcharse
  sAfschilferen
Bladderde afAfgebladderd
AfbladenBlaadde afAfgeblaad
AfbladerenBladerde afAfgebladerd
AfblaffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blafte af, heeft afgeblaft)
1 tekeergaan tegen (iemand).

Blafte afAfgeblaft
AfblarenBlaarde afAfgeblaard
AfblazenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blies af, heeft afgeblazen)
1 (ook absoluut) affluiten
2 door blazen verwijderen
3 op het laatste moment afgelasten.

Blies afAfgeblazen
AfblijvenBleef afAfgebleven
AfbliksemenBliksemde afAfgebliksemd
AfblokkenBlokte afAfgeblokt
AfblottenBlotte afAfgeblot
AfbluffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blufte af, heeft afgebluft)
1 (iemand) met bluf imponeren.

Blufte afAfgebluft
AfblussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bluste af, heeft afgeblust)
1 ([[culinaria]]) (heet braadvet) aanlengen met een vloeistof.

Bluste afAfgeblust
AfboekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boekte af, heeft afgeboekt; afboeking)
1 afschrijven, van een saldo aftrekken
2 als verlies boeken.

In Spaans overeenkomend met: Amortizar
  sAfschrijven
Boekte afAfgeboekt
AfboenenBoende afAfgeboend
AfboetenBoette afAfgeboet
AfbollenBolde afAfgebold
AfbomenBoomde afAfgeboomd
AfbonkenBonkte afAfgebonkt
AfbonzenBonsde afAfgebonsd
AfboordenBoordde afAfgeboord
AfborstelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; borstelde af, heeft afgeborsteld; afborsteling)
1 met een borstel reinigen.

Borstelde afAfgeborsteld
AfbottelenBottelde afAfgebotteld
AfbouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bouwde af, heeft afgebouwd)
1 (ook absoluut) (activiteiten) geleidelijk beëindigen
2 (gebouwen) voltooien, afwerken.

Bouwde afAfgebouwd
AfbramenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; braamde af, heeft afgebraamd)
1 ontdoen van bramen, ruwe randen.

Braamde afAfgebraamd
AfbrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brandde af, is afgebrand; afbranding)
1 door brand vernietigd worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; brandde af, heeft afgebrand)
1 door branden verwijderen
2 (een oppervlak) door branden reinigen
3 door brand vernietigen
4 (iemand) vernietigende kritiek geven.

In Spaans overeenkomend met: Quemar
Brandde afAfgebrand
AfbrassenBraste afAfgebrast
AfbreienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; breide af, heeft afgebreid)
1 enige steken van een naald op de volgende breien.
([[overgankelijk]] werkwoord; breide af, heeft afgebreid)
1 breiende afmaken.

Breide afAfgebreid
AfbrekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brak af, is afgebroken; afbreker, afbreking)
1 door breken gescheiden worden van een groter geheel.
([[overgankelijk]] werkwoord; brak af, heeft afgebroken)
1 door breken scheiden
2 plotseling doen ophouden
3 (een constructie) vernietigen door de delen uit elkaar te nemen
4 (scheikunde) (samengestelde verbindingen) in [[eenvoudiger]] bestanddelen ontleden
5 afkraken, vernietigende kritiek uitoefenen op.

In Spaans overeenkomend met: Estropearse
Arrancar, Cortar
Desacreditar
Dividir, Partir
Demoler, Derribar, Echar abajo, Echar en tierra, Echar por tierra
Quebrar, Romper
  sAfgeven op
Afkammen
Afplukken
Afrukken
Breken
Delen
Doorbreken
Neerhalen
Opsplitsen
Plukken
Schenden
Slopen
Splitsen
Stukbreken
Uitrukken
Uittrekken
Verbreken
Verdelen
Verwoesten
Wegscheuren
Brak afAfgebroken
AfbrengenBracht afAfgebracht
AfbrijnenBrijnde afAfgebrijnd
AfbroddelenBroddelde afAfgebroddeld
AfbrokkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brokkelde af, is afgebrokkeld; afbrokkeling)
1 in kleine brokken losgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; brokkelde af, heeft afgebrokkeld)
1 in kleine brokjes van iets doen losgaan.

In Spaans overeenkomend met: Derribarse, Derruirse, Desmoronarse, Fragmentarse
  sGruizelen
Brokkelde afAfgebrokkeld
AfbuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boog af, is afgebogen; afbuiging)
1 een andere richting nemen.

Boog afAfgebogen
AfbuitelenBuitelde afAfgebuiteld
AfcheckenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; checkte af, heeft afgecheckt)
1 grondig controleren door verschillende gegevens onderling te vergelijken.

Checkte afAfgecheckt
AfcommanderenCommandeerde afAfgecommandeerd
AfconcluderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; concludeerde af, heeft afgeconcludeerd)
1 (politiek) beëindigen, afronden.

Concludeerde afAfgeconcludeerd
AfdalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; daalde af, is afgedaald; afdaling)
1 zich naar beneden begeven
2 afstammen.

In Spaans overeenkomend met: Bajar, Descender
  sAfgaan
Dalen
Naar beneden gaan
Neerdalen
Uitstappen
Zinken
Daalde afAfgedaald
AfdammenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; damde af, heeft afgedamd; afdamming)
1 (water) door een dam of dijk afsluiten.

In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso
  sAfsluiten
Belemmeren
Stuwen
Versperren
Damde afAfgedamd
AfdankenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dankte af, heeft afgedankt; afdanking)
1 afschaffen, afwijzen, ontslaan.

In Spaans overeenkomend met: Licenciar ((soldaten),(soldados))
Desarmar ((troepen),(tropas)), Despedir
Dankte afAfgedankt
AfdansenDanste afAfgedanst
AfdeinzenDeinsde afAfgedeinsd
AfdekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dekte af, heeft afgedekt)
1 (ook absoluut) (de tafel) verder dekken
2 ter bescherming met iets bedekken
3 van de bedekking ontdoen
4 uitsluiten door de daartoe geëigende maatregelen te nemen.

Dekte afAfgedekt
AfdelenDeelde afAfgedeeld
AfdelvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dolf af, heeft afgedolven)
1 afgraven.

Delfde af, Dolf afAfgedolven
AfdichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dichtte af, heeft afgedicht; afdichting)
1 afsluiten tegen het binnendringen van iets dat ongewenst is.

Dichtte afAfgedicht
AfdienenDiende afAfgediend
AfdievenDiefde afAfgediefd
AfdijkenDijkte afAfgedijkt
AfdingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; dong af, heeft afgedongen)
1 minder bieden dan de gevraagde prijs.

In Spaans overeenkomend met: Regatear
  sMarchanderen
Pingelen
Dong afAfgedongen
AfdoenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; deed af, heeft afgedaan)
1 wegnemen, verwijderen.
([[overgankelijk]] werkwoord; deed af, heeft afgedaan; afdoening)
1 van het lijf doen
2 afnemen, reinigen
3 afhandelen
4 voldoen, geheel betalen.

In Spaans overeenkomend met: Quitar, Sacar
Despachar
Zanjar
  sAfhandelen
Afsluiten
Afwikkelen
Afzetten
Uitdoen
Uitkrijgen
Uittrekken
Deed afAfgedaan
AfdokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dokte af, heeft afgedokt)
1 (informeel) betalen.

Dokte afAfgedokt
AfdolenDoolde afAfgedoold
AfdonderenDonderde afAfgedonderd
AfdoppenDopte afAfgedopt
AfdorsenDorste afAfgedorst
AfdouwenDouwde afAfgedouwd
AfdraaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; draaide af, heeft afgedraaid)
1 door draaien afscheiden
2 door draaien vertonen of ten [[gehore]] brengen
3 ongeïnteresseerd afwikkelen.

In Spaans overeenkomend met: Cambiar de dirección, Desviar
  sAfkeren
Pareren
Draaide afAfgedraaid
AfdragenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; droeg af, heeft afgedragen)
1 (kleren) door dragen afslijten
2 (iets dat men zelf eerst ontvangen heeft) overdragen.

In Spaans overeenkomend met: Desgastar, Destrozar por el uso
Alargar, Transferir
  sAangeven
Aanreiken
Opgebruiken
Overgeven
Slijten
Toereiken
Verslijten
Droeg afAfgedragen
AfdravenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; draafde af, heeft afgedraafd)
1 (een paard) afrijden.

Draafde afAfgedraafd
AfdreggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dregde af, heeft afgedregd)
1 met een dreg afzoeken.

Dregde afAfgedregd
AfdreigenDreigde afAfgedreigd
AfdrentelenDrentelde afAfgedrenteld
AfdrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dreef af, is afgedreven)
1 uit de gestuurde koers gedreven worden
2 door de wind weggedreven worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef af, heeft afgedreven; afdrijving)
1 (geneeskunde) uit het lichaam verwijderen
2 (scheikunde) (goud, zilver) zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is.

In Spaans overeenkomend met: Derivar del rumbo, Ir a la deriva
Purgar
  sDrijven
Laxeren
Op drift zijn
Purgeren
Dreef afAfgedreven
AfdringenDrong afAfgedrongen
AfdrinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dronk af, heeft afgedronken)
1 door drinken de kwade gevolgen van iets wegnemen.

Dronk afAfgedronken
AfdrogenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; droogde af, heeft afgedroogd; afdroging)
1 het vocht wegnemen van
2 (informeel) afranselen
3 op verpletterende wijze verslaan.

In Spaans overeenkomend met: Enjuagar, Enjugar, Fregar, Secar
  sAfvegen
Afwissen
Vegen
Wissen
Droogde afAfgedroogd
AfdroppelenDroppelde afAfgedroppeld
AfdruipenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; droop af, is afgedropen)
1 drogen doordat het vocht er in druppels af valt
2 stilletjes en verslagen weggaan.

In Spaans overeenkomend met: Escurrir
  sUitdruipen
Droop afAfgedropen
AfdrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; drukte af, heeft afgedrukt)
1 iets door een druk op een knop in werking stellen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; drukte af, heeft afgedrukt)
1 (een vorm, afbeelding) overbrengen door middel van druk
2 (fotografie) (de voorstelling van een negatief) op geprepareerd papier overbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Estampar, Imprimir
Copiar
Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar
  sAanmunten
Boekdrukken
Drukken
Printen
Slaan
Stempelen
Zijn stempel drukken op
Drukte afAfgedrukt
AfdruppelenDruppelde afAfgedruppeld
AfdruppenDrupte afAfgedrupt
AfduikelenDuikelde afAfgeduikeld
AfduvelenDuvelde afAfgeduveld
AfduwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; duwde af, heeft afgeduwd; afduwer)
1 door duwen van iets verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Rebotar ((),(tr. Dicho de un cuerpo: Resistir a otro forzándole a retroceder.))
  sTerugdrijven
Terugduwen
Terugstoten
Duwde afAfgeduwd
AfdwalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dwaalde af, is afgedwaald; afdwaling)
1 zich onwillekeurig van de rechte weg of van zijn gezelschap verwijderen
2 onbewust overgaan op een onderwerp dat niet ter [[zake]] doet.

In Spaans overeenkomend met: Digresar
Descarriarse, Extraviarse
Desviarse, Ladearse
  sDwalen
Neigen
Opzij gaan
Van de weg afraken
Van de weg afwijken
Verdwalen
Zich afscheiden
Dwaalde afAfgedwaald
AfdweilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dweilde af, heeft afgedweild)
1 met een dweil schoonmaken.

Dweilde afAfgedweild
AfdwingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dwong af, heeft afgedwongen; afdwinger, afdwinging)
1 door dwang verkrijgen
2 onvermijdelijk opwekken.

In Spaans overeenkomend met: Arrancar, Extorsionar, Hacer exacción, Hacer extorsión, Sacar
  sAfpersen
Knevelen
Dwong afAfgedwongen
AfeisenEiste afAfgeëist
AfetenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; at af, heeft afgegeten)
1 doorgaan met eten tot men klaar is.

At afAfgegeten
AffakkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; fakkelde af, heeft afgefakkeld; affakkeling)
1 (overtollig gas dat bij het winnen van aardolie bovenkomt) ter [[plaatse]] verbranden.

Fakkelde afAfgefakkeld
AffecterenAffecteerdeGeaffecteerd
AfficherenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; afficheerde, heeft geafficheerd)
1 de aandacht vestigen op.
([[overgankelijk]] werkwoord; afficheerde, heeft geafficheerd; affichering)
1 (reclameboodschappen) aanplakken.

AfficheerdeGeafficheerd
AffietsenFietste afAfgefietst
AffiliërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[affilieerde]], heeft geaffilieerd; affiliatie)
1 als medelid van een orde beschouwen, aan de voorrechten van een orde deelachtig maken.

In Spaans overeenkomend met: Adaptar, Prohijar
  sAannemen
AffilieerdeGeaffilieerd
AffinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[affineerde]], heeft geaffineerd)
1 (edel metaal) zuiveren
2 (kaas) laten rijpen.

In Spaans overeenkomend met: Acendrar
AffineerdeGeaffineerd
AffirmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; affirmeerde, heeft geaffirmeerd; affirmatie)
1 bevestigen, bekrachtigen.

AffirmeerdeGeaffirmeerd
AffluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[floot]] af, heeft afgefloten)
1 (een wedstrijd) met een fluitsignaal beëindigen of onderbreken.

Floot afAfgefloten
AffronterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[affronteerde]], heeft geaffronteerd)
1 (formeel) beledigen.

In Spaans overeenkomend met: Insultar
  sBeledigen
Krenken
AffronteerdeGeaffronteerd
AffutselenFutselde afAfgefutseld
AfgaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; ging af, is afgegaan)
1 leiden naar, zich richten naar
2 zich baseren op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging af, is afgegaan)
1 zich verwijderen, weggaan van het genoemde
2 in werking gebracht worden
3 een slechte indruk maken
4 (van hoofddeksels, accessoires) afgelegd, afgenomen worden.

In Spaans overeenkomend met: Fracasar
Irse ((van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan)), Salir ((van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan))
Descender
Bajar
Visitar ((naar iets toegaan, bezoeken))
  sAfdalen
Bezoeken
Dalen
Mislukken
Naar beneden gaan
Neerdalen
Opzoeken
Uitstappen
Vertrekken
Weggaan
Zich verwijderen
Zinken
Ging afAfgegaan
AfgelastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gelastte af, heeft afgelast; afgelasting)
1 door een tegenbesluit afzeggen.

In Spaans overeenkomend met: Anular, Contramandar
  sAnnuleren
Ontbinden
Tenietdoen
Terugnemen
Gelastte afAfgelast
AfgerenGeerde afAfgegeerd
AfgevenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; gaf af, heeft afgegeven)
1 zich inlaten met.
(werkwoord; gaf af, heeft afgegeven)
1 afkraken, een afkeurend oordeel vellen over.
([[onovergankelijk]] werkwoord; gaf af, heeft afgegeven)
1 kleurstof loslaten en aan het aanrakende voorwerp overgeven.
([[overgankelijk]] werkwoord; gaf af, heeft afgegeven)
1 overhandigen
2 als bevoegde uitreiken
3 verspreiden, van zich laten uitgaan.

In Spaans overeenkomend met: Deshacerse, Desteñirse
Dejar en depósito, Depositar, Poner en depósito
Extender, Propagar
Emitir
Entregar
  sDeponeren
Emitteren
In bewaring geven
In omloop brengen
Inleggen
Overgeven
Overleggen
Uitbetalen
Uitgeven
Verbreiden
Verspreiden
Gaf afAfgegeven
AfgietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; goot af, heeft afgegoten)
1 door gieten ontdoen van vocht
2 door gieten doen ontstaan.

In Spaans overeenkomend met: Escurrir
Decantar
Moldear, Vaciar
  sAfschenken
Decanteren
Gieten
Goot afAfgegoten
AfglijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; gleed af, is afgegleden; afglijding)
1 minder, [[slechter]] worden.

Gleed afAfgegleden
AfglippenGlipte afAfgeglipt
AfglurenGluurde afAfgegluurd
AfgolvenGolfde afAfgegolfd
AfgooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gooide af, heeft afgegooid)
1 door er iets tegen aan te gooien doen vallen
2 (hoofddeksels enz.) haastig afdoen.

Gooide afAfgegooid
AfgordenGordde afAfgegord
AfgrauwenGrauwde afAfgegrauwd
AfgravenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; groef af, heeft afgegraven; afgraving)
1 door graven verwijderen, zodat de ondergrond bloot komt.

Groef afAfgegraven
AfgrazenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; graasde af, heeft afgegraasd; afgrazing)
1 (een terrein) door grazen van gras ontdoen
2 zo volledig behandelen dat er niets meer overblijft.

Graasde afAfgegraasd
AfgrendelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; grendelde af, heeft afgegrendeld; afgrendeling)
1 door grendelen afsluiten.

In Spaans overeenkomend met: Correr el cerrojo
  sGrendelen
Grendelde afAfgegrendeld
AfgrenzenGrensde afAfgegrensd
AfgreppelenGreppelde afAfgegreppeld
AfgrissenGriste afAfgegrist
AfgutsenGutste afAfgegutst
AfhakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; haakte af, heeft/is afgehaakt)
1 ophouden mee te doen.
([[overgankelijk]] werkwoord; haakte af, heeft afgehaakt)
1 wat aan of met een haak vastzit losmaken
2 (een haakwerk) voltooien.

In Spaans overeenkomend met: Descolgar, Desenganchar
  sLoshaken
Haakte afAfgehaakt
AfhakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hakte af, heeft afgehakt)
1 door hakken scheiden.

Hakte afAfgehakt
AfhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde af, heeft afgehaald)
1 (iets dat gereed ligt) in ontvangst komen nemen
2 (iemand) ergens gaan halen om hem naar elders te begeleiden
3 van zijn plaats verwijderen
4 (iets) door trekken van iets anders ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Quitar, Restar
Buscar
Mondar habas
Ir a buscar a
  sAfnemen
Aftrekken
Ophalen
Rissen
Ritsen
Weghalen
Wegnemen
Haalde afAfgehaald
AfhamerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hamerde af, heeft afgehamerd)
1 (ook absoluut) in een vergadering voortvarend afhandelen
2 (iemand) door slagen met de voorzittershamer het woord ontnemen.

Hamerde afAfgehamerd
AfhandelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; handelde af, heeft afgehandeld; afhandeling)
1 ten einde toe behandelen.

In Spaans overeenkomend met: Acabar, Ajustar, Arreglar, Concluir, Despachar, Resolver, Solucionar, Terminar
  sAfdoen
Afwikkelen
Handelde afAfgehandeld
AfhangenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; hing af, heeft afgehangen)
1 (van zaken) afhankelijk zijn van
2 (in [[België]], niet algemeen) ressorteren onder.
([[onovergankelijk]] werkwoord; hing af, heeft afgehangen)
1 naar beneden hangen.
([[overgankelijk]] werkwoord; hing af, heeft afgehangen)
1 (hangende voorwerpen) losmaken en verwijderen
2 in de hengsels bevestigen.

In Spaans overeenkomend met: Depender
  sAfhankelijk zijn
Deel uitmaken
Hing afAfgehangen
AfhappenHapte afAfgehapt
AfhardenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hardde af, is afgehard; afharding)
1 (van kasplanten) langzaam wennen aan [[koudere]] lucht.
([[overgankelijk]] werkwoord; hardde af, heeft afgehard)
1 (kasplanten) laten wennen aan [[koudere]] lucht.

Hardde afAfgehard
AfharenHaarde afAfgehaard
AfharkenHarkte afAfgeharkt
AfhaspelenHaspelde afAfgehaspeld
AfhechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; hechtte af, heeft afgehecht; afhechting)
1 door vastmaken afwerken.

Hechtte afAfgehecht
AfheffenHief afAfgeheven
AfhellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; helde af, heeft afgeheld)
1 naar beneden hellen.

Helde afAfgeheld
AfhelpenIn Spaans overeenkomend met: Libertar, Poner en libertad
  sBevrijden
Loslaten
Verlossen
Vrijlaten
Vrijmaken
Hielp afAfgeholpen
AfhengelenHengelde afAfgehengeld
AfhogenHoogde afAfgehoogd
AfhollenHolde afAfgehold
AfhorenHoorde afAfgehoord
AfhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hield af, heeft afgehouden)
1 het schip zó richten dat de wind meer van achteren invalt.
([[overgankelijk]] werkwoord; hield af, heeft afgehouden)
1 (ook absoluut) beletten te naderen of in aanraking te komen
2 (een verschuldigd bedrag) aftrekken van het totaal.

In Spaans overeenkomend met: Contener, Detener
Apartar
  sOnthouden
Onttrekken
Weghouden
Hield afAfgehouden
AfhouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[hieuw]] af, heeft afgehouwen)
1 afhakken.

Hieuw afAfgehouwen
AfhuivenHuifde afAfgehuifd
AfhurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; huurde af, heeft afgehuurd)
1 in zijn geheel in huur nemen.

In Spaans overeenkomend met: Alquilar, Tomar en alquiler
  sCharteren
Huren
Huurde afAfgehuurd
AfjagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; jaagde af/joeg af, heeft afgejaagd)
1 (dieren) door te sterk rijden afmatten
2 (dieren) zo lang op de jacht achtervolgen tot ze uitgeput zijn.

Jaagde af, Joeg afAfgejaagd
AfjakkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; jakkerde af, heeft afgejakkerd)
1 afbeulen, uitputten
2 afraffelen, slordig afmaken
3 met dolle snelheid afleggen.

In Spaans overeenkomend met: Cansar, Fatigar
  sAfbeulen
Jakkerde afAfgejakkerd
AfjapenJaapte afAfgejaapt
AfjattenJatte afAfgejat
AfkaartenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kaartte af, heeft afgekaart)
1 afstemmen, regelen.

Kaartte afAfgekaart
AfkaatsenKaatste afAfgekaatst
AfkabbelenKabbelde afAfgekabbeld
AfkadenKaadde afAfgekaad
AfkalkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kalkte af, heeft afgekalkt)
1 kalk loslaten.
([[overgankelijk]] werkwoord; kalkte af, heeft afgekalkt)
1 van kalk ontdoen.

Kalkte afAfgekalkt
AfkalvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; afkalving)
1 (kalfde af, is afgekalfd) (van aarden wanden en in zee schuivende gletsjers) stuksgewijs afschuiven en instorten
2 (kalfde af, heeft afgekalfd) (van koeien) een kalf werpen.

Kalfde afAfgekalfd
AfkammenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kamde af, heeft afgekamd)
1 door kammen reinigen
2 afkraken, onbillijk bekritiseren.

In Spaans overeenkomend met: Desacreditar
  sAfbreken
Afgeven op
Kamde afAfgekamd
AfkankerenKankerde afAfgekankerd
AfkantelenKantelde afAfgekanteld
AfkantenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kantte af, heeft afgekant; afkanting)
1 met een rand afwerken.

Kantte afAfgekant
AfkapenKaapte afAfgekaapt
AfkappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kapte af, heeft afgekapt; afkapping)
1 afhakken
2 overkappen
3 (een spreker) stoppen.

In Spaans overeenkomend met: Elidir
  sOnvermeld laten
Overslaan
Schrappen
Weglaten
Kapte afAfgekapt
AfkattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; katte af, heeft afgekat)
1 (informeel) afblaffen, onvriendelijk terechtwijzen.

Katte afAfgekat
AfkauwenKauwde afAfgekauwd
AfkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; keerde af, heeft afgekeerd)
1 doen omdraaien
2 tegenhouden, verhinderen te treffen.

In Spaans overeenkomend met: Cambiar de dirección, Desviar
  sAfdraaien
Pareren
Keerde afAfgekeerd
AfkervenKerfde af, Korf afAfgekerfd, Afgekorven
AfketsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[ketste]] af, is afgeketst; afketsing)
1 afstuiten
2 (van plannen) niet doorgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; [[ketste]] af, heeft afgeketst)
1 (een plan) verwerpen.

In Spaans overeenkomend met: Rebotar ((),(intr. Dicho de un cuerpo en movimiento: Retroceder o cambiar de dirección por haber chocado con un obstáculo.)), Rechazar ((),(intr. Dicho de un cuerpo en movimiento: Retroceder o cambiar de dirección por haber chocado con un obstáculo.))
Ketste afAfgeketst
AfkeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; keurde af, heeft afgekeurd; afkeuring)
1 ongeschikt verklaren
2 (handelingen, gevoelens en gezegden) ongunstig beoordelen, verwerpelijk achten.

In Spaans overeenkomend met: Censurar, Desaprobar, Reprender, Reprobar
Rehusar
  sAfwijzen
Berispen
Gispen
Laken
Terugwijzen
Vertikken
Weigeren
Wraken
Keurde afAfgekeurd
AfkickenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kickte af, heeft/is afgekickt)
1 een ontwenningskuur ondergaan om van drugs af te komen.

Kickte afAfgekickt
AfkiezenKoos afAfgekozen
AfkijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; keek af, heeft afgekeken; afkijker)
1 iets heimelijk overschrijven van iem.
([[overgankelijk]] werkwoord; keek af, heeft afgekeken)
1 (een vaardigheid) door kijken van iemand leren
2 zo lang kijken tot men voor wat men ziet geen gevoel meer heeft
3 ten einde toe bekijken.

Keek afAfgekeken
AfkistenKistte afAfgekist
AfkladdenKladde afAfgeklad
AfklappenKlapte afAfgeklapt
AfklarenKlaarde afAfgeklaard
AfklauterenKlauterde afAfgeklauterd
AfkledenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kleedde af, heeft afgekleed; afkleding)
1 (van een kledingstuk) zo kleden dat de drager [[slanker]] schijnt te zijn.

Kleedde afAfgekleed
AfklemmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klemde af, heeft afgeklemd)
1 (ook absoluut) zich met de armen om de tegenstander heen klemmen om hem het stoten te verhinderen
2 door klemmen scheiden.

Klemde afAfgeklemd
AfkletsenKletste afAfgekletst
AfklimmenKlom afAfgeklommen
AfklinkenKlonk afAfgeklonken
AfklokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; klokte af, heeft afgeklokt)
1 (sport) de tijd registreren van (een finishende sporter).

Klokte afAfgeklokt
AfkloppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klopte af, heeft afgeklopt)
1 door kloppen reinigen.

Klopte afAfgeklopt
AfkluivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kloof af, heeft afgekloven)
1 kluivend van iets ontdoen.

Kloof afAfgekloven
AfknabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knabbelde af, heeft afgeknabbeld)
1 door knabbelen van iets ontdoen.

Knabbelde afAfgeknabbeld
AfknagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knaagde af, heeft afgeknaagd)
1 door knagen van iets ontdoen.

Knaagde afAfgeknaagd
AfknakkenKnakte afAfgeknakt
AfknallenKnalde afAfgeknald
AfknappenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; knapte af, is afgeknapt)
1 volledig teleurgesteld worden in.
([[onovergankelijk]] werkwoord; knapte af, is afgeknapt)
1 knappend gescheiden worden
2 een psychische instorting krijgen.
([[overgankelijk]] werkwoord; knapte af, heeft afgeknapt)
1 (iets) met een knap afbreken.

Knapte afAfgeknapt
AfknauwenKnauwde afAfgeknauwd
AfknellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knelde af, heeft afgekneld; afknelling)
1 door knellen van het lichaam afscheiden.

Knelde afAfgekneld
AfknevelenKnevelde afAfgekneveld
AfknibbelenKnibbelde afAfgeknibbeld
AfknijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kneep af, heeft afgeknepen; afknijper, afknijping)
1 door knijpen verwijderen, afbreken
2 bij voortduring het uiterste vergen van (iemand).

Kneep afAfgeknepen
AfknippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knipte af, heeft afgeknipt)
1 met een schaar afsnijden
2 (iets) door een knip met de vingers verwijderen.

Knipte afAfgeknipt
AfknoeienKnoeide afAfgeknoeid
AfknopenKnoopte afAfgeknoopt
AfknottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knotte af, heeft afgeknot; afknotting)
1 van een uitstekend deel ontdoen, het bovenste [[afkappen]] van
2 (bouwkunde) (de [[uiteinden]] van balken enz.) van de scherpe hoeken of kanten ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Mutilar
Knotte afAfgeknot
AfknuppelenKnuppelde afAfgeknuppeld
AfknutselenKnutselde afAfgeknutseld
AfkoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; koelde af, is afgekoeld; afkoeling)
1 koeler worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; koelde af, heeft afgekoeld)
1 koeler maken.

In Spaans overeenkomend met: Refrescar
Enfriar, Resfriar
  sKoud worden
Laten schrikken
Rafraichieren
Koelde afAfgekoeld
AfkoersenKoerste afAfgekoerst
AfkokenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kookte af, is afgekookt)
1 (van aardappels) fijnkoken voordat ze geheel gaar zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; kookte af, heeft afgekookt)
1 door koken van iets ontdoen.

Kookte afAfgekookt
AfkolvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; kolfde af, heeft afgekolfd; afkolving)
1 [[moedermelk]] met een borstkolf afnemen.

Kolfde afAfgekolfd
AfkomenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; kwam af, is afgekomen)
1 (in [[België]], niet algemeen) aan komen zetten met.
(werkwoord; kwam af, is afgekomen)
1 ontslagen, bevrijd raken van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam af, is afgekomen)
1 (van handelingen, voorvallen) ten einde komen, voltooid worden
2 uitgaan van een hogere instantie
3 (in België; informeel) langskomen, op bezoek komen.

In Spaans overeenkomend met: Descender ((afstammen, zijn oorsprong vinden)), Suceder
  sAfstammen
Kwam afAfgekomen
AfkondigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kondigde af, heeft afgekondigd; afkondiging)
1 op officiële wijze in het openbaar bekendmaken
2 bekendmaken dat een programma afgelopen is.

In Spaans overeenkomend met: Denunciar
Promulgar
Proclamar
Divulgar, Publicar
  sOpenbaar maken
Proclameren
Publiceren
Ruchtbaar maken
Uitvaardigen
Verkondigen
Kondigde afAfgekondigd
AfkopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kocht af, heeft afgekocht)
1 (verplichtingen) doen ophouden door het voldoen van een prijs.

In Spaans overeenkomend met: Redimir
  sLoskopen
Vrijkopen
Kocht afAfgekocht
AfkoppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; koppelde af, heeft afgekoppeld; afkoppeling)
1 afzonderen door het verbreken van een koppeling.

Koppelde afAfgekoppeld
AfkorstenKorstte afAfgekorst
AfkortenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kortte af, heeft afgekort; afkorting)
1 verkorten door weglating
2 in de lengterichting [[kleiner]] maken.

In Spaans overeenkomend met: Abreviar, Acortar
  sBekorten
Inkorten
Verkorten
Kortte afAfgekort
AfkrabbelenKrabbelde afAfgekrabbeld
AfkrabbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; krabde af, heeft afgekrabd; afkrabber)
1 door krabben wegnemen
2 door krabben ontdoen van.

Krabde afAfgekrabd
AfkrakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kraakte af, heeft afgekraakt; afkraking)
1 een vernietigende kritiek leveren op.

Kraakte afAfgekraakt
AfkrassenKraste afAfgekrast
AfkrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kreeg af, heeft afgekregen)
1 er in slagen te voltooien.

Kreeg afAfgekregen
AfkronkelenKronkelde afAfgekronkeld
AfkruienKruide afAfgekruid
AfkruimelenKruimelde afAfgekruimeld
AfkruipenKroop afAfgekropen
AfkuierenKuierde afAfgekuierd
AfkuisenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kuiste af, heeft afgekuist)
1 (in België; informeel) schoonmaken door het oppervlak ervan te reinigen, afvegen.

Kuiste afAfgekuist
AfkukelenKukelde afAfgekukeld
AfkunnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Kon afAfgekund
AfkussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kuste af, heeft afgekust)
1 door te kussen wegnemen
2 met een kus (een twist) bijleggen.

Kuste afAfgekust
AflachenLachte afAfgelachen
AfladenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; laadde af, heeft afgeladen; aflader, aflading)
1 (wat geladen is) afnemen, uitnemen
2 van de lading ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Descargar
  sUitladen
Laadde afAfgeladen
AflakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; lakte af, heeft afgelakt)
1 de laatste laklaag opbrengen op (iets).

Lakte afAfgelakt
AflangenLangde afAfgelangd
AflappenLapte afAfgelapt
AflassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; laste af, heeft afgelast)
1 (niet algemeen) afgelasten.

Laste afAfgelast
AflatenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liet af, heeft afgelaten)
1 (formeel) ophouden, uitscheiden.

In Spaans overeenkomend met: Cesar
  sOphouden
Stoppen
Uitscheiden
Wijken
Liet afAfgelaten
AflaverenLaveerde afAfgelaveerd
AflazerenLazerde afAfgelazerd
AflebberenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lebberde af, heeft afgelebberd)
1 (informeel) afzoenen, op een onsmakelijke manier.

Lebberde afAfgelebberd
AfleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; legde af, heeft afgelegd; aflegger, aflegging)
1 (kledingstukken enz.) afdoen
2 zich ontdoen van (iets dat hindert)
3 (een officiële handeling) verrichten
4 ten einde volgen
5 (een dode) verzorgen voor de begrafenis
6 (van dieren) (de huid, de hoorns) verliezen, doordat nieuwe aangroeien
7 (biologie) (een ondertak of rank) van de moederplant [[af-]] en ombuigen en met aarde bedekken, zodat hij wortel kan schieten.

In Spaans overeenkomend met: Andar ((een weg),(un camino))
Dejar caer ((kleren))
Quitarse ((kleren))
Atravesar ((afstand)), Recorrer ((afstand))
  sAflopen
Doorgaan
Gaan
Gaan door
Lopen
Opgeven
Prijsgeven
Te voet gaan
Wandelen (snel)
Legde afAfgelegd
AfleidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leidde af, heeft afgeleid)
1 (ook absoluut) (iemand) bezighouden met iets anders dan waaraan hij werkte
2 van een plaats afbrengen en naar een andere plaats geleiden
3 (een nieuw woord) van of uit bestaande woorden vormen met behulp van affixen
4 uit bepaalde gegevens (iets nieuws) concluderen.

In Spaans overeenkomend met: Deducir
Derivar
Distraer, Distraerse
Extraer
Desviar
Concluir, Sacar conclusión
  sAbstraheren
Aftappen
Besluiten
Concluderen
Deduceren
Een gevolgtrekking maken
Laten afvloeien
Verstrooien
Wegleiden
Wegvoeren
Zetten
Leidde afAfgeleid
AflekenLeekte afAfgeleekt
AflekkenLekte afAfgelekt
AflenzenLensde afAfgelensd
AflerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leerde af, heeft afgeleerd)
1 (gewoonten, hebbelijkheden, denkbeelden) langzamerhand afleggen, zich ontwennen
2 maken dat iemand (bepaalde gewoonten, hebbelijkheden, denkbeelden) aflegt.

In Spaans overeenkomend met: Desacostumbrar, Desaprender, Olvidar, Olvidarse
  sAfwennen
Verleren
Leerde afAfgeleerd
AflevenLeefde afAfgeleefd
AfleverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leverde af, heeft afgeleverd; aflevering)
1 op de bepaalde plaats bezorgen
2 (in [[België]]) (een document) afgeven, uitreiken.

In Spaans overeenkomend met: Entregar, Suministrar
  sBezorgen
Inleveren
Leveren
Toevoeren
Leverde afAfgeleverd
AflezenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; las af, heeft afgelezen; aflezing)
1 in het openbaar voorlezen
2 opmaken uit de stand van wijzers e.d.

In Spaans overeenkomend met: Controlar, Examinar, Verificar
  sControleren
Checken
Nakijken
Surveilleren
Toezien
Las afAfgelezen
AflichtenLichtte afAfgelicht
AfliegenLoog afAfgelogen
AfliggenLag afAfgelegen
AflijnenLijnde afAfgelijnd
AflikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; likte af, heeft afgelikt)
1 door likken schoonmaken
2 ([[pejoratief]]) afzoenen.

Likte afAfgelikt
AflodenLoodde afAfgelood
AfloerenLoerde afAfgeloerd
AflogenLoogde afAfgeloogd
AflokkenLokte afAfgelokt
AflopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep af, is afgelopen)
1 eindigen, verstrijken
2 (van wekkers) ratelen
3 (van vloeistoffen) neerwaarts stromen
4 zich naar beneden uitstrekken.
([[overgankelijk]] werkwoord; liep af, heeft afgelopen)
1 door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
2 een ruimte of [[uitgestrektheid]] in alle richtingen doorlopen.

In Spaans overeenkomend met: Terminar
Acabarse, Boquear, Concluirse, Expirar, Terminarse
Gastar
Disminuir
Atravesar ((een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen)), Recorrer ((een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen))
  sAfleggen
Afnemen
Doorgaan
Eindigen
Gaan door
Ophouden
Slinken
Tanen
Uitgaan
Uitlopen
Uitraken
Verflauwen
Verlopen
Verslijten
Liep afAfgelopen
AflossenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; loste af, heeft afgelost; aflosser, aflossing)
1 in zijn taak vervangen
2 (een schuld) voldoen, terugbetalen.

In Spaans overeenkomend met: Amortizar ((geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen)), Reembolsar ((geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen)), Saldar una deuda ((geheel of gedeeltelijk voldoen, terugbetalen))
Reemplazar ((de plaats innemen van, in zijn taak vervangen)), Relevar ((de plaats innemen van, in zijn taak vervangen)), Remplazar ((de plaats innemen van, in zijn taak vervangen)), Substituir ((de plaats innemen van, in zijn taak vervangen)), Sustituir ((de plaats innemen van, in zijn taak vervangen))
  sAfbetalen
Amortiseren
De plaats innemen van
Inspringen
Vervangen
Loste afAfgelost
AfluisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; luisterde af, heeft afgeluisterd)
1 heimelijk beluisteren.

Luisterde afAfgeluisterd
AfluizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; luisde af, heeft afgeluisd)
1 (in België; informeel) aftroggelen.

Luisde afAfgeluisd
AfmaaienMaaide afAfgemaaid
AfmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte af, heeft afgemaakt; afmaker)
1 een einde maken aan
2 (een reeds gewond of weerloos dier of mens) doden
3 vernietigend beoordelen, machteloos maken.
(wederkerend werkwoord; maakte zich af, heeft zich afgemaakt)
¶ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Rematar
Acabar, Finalizar, Terminar
Completar
  sAanvullen
Afsluiten
Afwerken
Besluiten
Beëindigen
Bijwerken
Completeren
Eindigen
Uitmaken
Uitwerken
Voleinden
Voleindigen
Voltooien
Maakte afAfgemaakt
AfmalenIn de betekenis van: Afschilderen

Maalde afAfgemaald
AfmalenIn de betekenis van: Geheel malen

Maalde afAfgemalen
AfmarcherenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; marcheerde af, is afgemarcheerd)
1 wegmarcheren.

Marcheerde afAfgemarcheerd
AfmartelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; martelde af, heeft afgemarteld; afmarteling)
1 tot uitputtens toe sterk kwellen.

Martelde afAfgemarteld
AfmattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; matte af, heeft afgemat)
1 door te zware inspanning zeer vermoeien.

Matte afAfgemat
AfmeldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; meldde af, heeft afgemeld; afmelder, afmelding)
1 [[iemands]] afwezigheid of vertrek aanzeggen.

Meldde afAfgemeld
AfmelkenMelkte af, Molk afAfgemolken
AfmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; meerde af, heeft afgemeerd)
1 (een vaartuig) aan de wal vastleggen.

Meerde afAfgemeerd
AfmetenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; mat af, heeft afgemeten)
1 (hoedanigheden, handelingen) schatten of beoordelen door ze te vergelijken met iets anders.
([[overgankelijk]] werkwoord; mat af, heeft afgemeten; afmeting)
1 opmeten
2 bepalen in de juiste maat of hoeveelheid.

In Spaans overeenkomend met: Proporcionar
Medir, Tomar la medida
  sAfwegen
Evenredig maken
Meten
Opmeten
Opnemen
Roeien
Uitmeten
Mat afAfgemeten
AfmetselenMetselde afAfgemetseld
AfmetsenMetste afAfgemetst
AfmieterenMieterde afAfgemieterd
AfmijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mijnde af, heeft afgemijnd)
1 koper, huurder of aannemer worden door eerder 'mijn' te roepen dan een ander.

Mijnde afAfgemijnd
AfmikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mikte af, heeft afgemikt)
1 uitkienen.

Mikte afAfgemikt
AfmixenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mixte af, heeft afgemixt)
1 (mbt. op verschillende banden opgenomen geluiden) samenvoegen tot de definitieve mix.

Mixte afAfgemixt
AfmonsterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; monsterde af, heeft afgemonsterd; afmonstering)
1 ontslag nemen uit de scheepsdienst.
([[overgankelijk]] werkwoord; monsterde af, heeft afgemonsterd)
1 (iemand) uit de scheepsdienst ontslaan.

In Spaans overeenkomend met: Despedir
  sOntslaan
Monsterde afAfgemonsterd
AfmonterenMonteerde afAfgemonteerd
AfmoordenMoordde afAfgemoord
AfmuntenMuntte afAfgemunt
AfmurenMuurde afAfgemuurd
AfnaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; naaide af, heeft afgenaaid)
1 een naaiwerk afmaken.

Naaide afAfgenaaid
AfnaastenNaastte afAfgenaast
AfnemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; nam af, is afgenomen; afnemer, afneming)
1 verminderen.
([[overgankelijk]] werkwoord; nam af, heeft afgenomen)
1 van een bepaalde plaats verwijderen
2 (een hoofddeksel) van het hoofd nemen
3 ontdoen van wat er op ligt of staat
4 afhandig maken
5 plechtig laten afleggen, doen ondergaan
6 kopen
7 (spel) couperen.

In Spaans overeenkomend met: Comprar ((een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent)), Procurarse ((een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producent))
Quitar
Recoger la mesa
Arrebatar ((afpikken, iemand iets afnemen))
Amainar ((wind)), Decrecer, Disminuir, Menguar ((maan)), Remitir
Tomar
  sAankopen
Aanschaffen
Afhalen
Aflopen
Afpakken
Afruimen
Aftrekken
Inkopen
Kopen
Minder worden
Overnemen
Rissen
Ritsen
Slinken
Tanen
Verflauwen
Verminderen
Weghalen
Wegnemen
Nam afAfgenomen
AfneuzenNeusde afAfgeneusd
AfnijpenNeep afAfgenepen
AfnokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; nokte af, is afgenokt)
1 (informeel) weggaan.

Nokte afAfgenokt
AfnummerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; nummerde af, heeft afgenummerd)
1 (van opgestelde legertroepen) in volgorde zijn nummer zeggen.

Nummerde afAfgenummerd
AfogenOogde afAfgeoogd
AfoogstenOogstte afAfgeoogst
AfpakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pakte af, heeft afgepakt)
1 afnemen.

In Spaans overeenkomend met: Arrebatar
  sAfnemen
Weghalen
Wegnemen
Pakte afAfgepakt
AfpalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; paalde af, heeft afgepaald; afpaling)
1 met palen afzetten
2 de grens bepalen van.

Paalde afAfgepaald
AfpandenPandde afAfgepand
AfpassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; paste af, heeft afgepast; afpassing)
1 nauwkeurig afmeten.

Paste afAfgepast
AfpeddelenPeddelde afAfgepeddeld
AfpeigerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; peigerde af, heeft afgepeigerd)
1 (informeel) uitputten.

Peigerde afAfgepeigerd
AfpeilenPeilde afAfgepeild
AfpeinzenPeinsde afAfgepeinsd
AfpelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[peelde]] af, heeft afgepeeld)
1 (huiden) in de leerlooierij van het haar ontdoen.

Peelde afAfgepeeld
AfpellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pelde af, heeft afgepeld)
1 van schil, dop of bast ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Descortezar, Mondar, Pelar
  sJassen
Pellen
Schillen
Pelde afAfgepeld
AfpennenPende afAfgepend
AfperkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; perkte af, heeft afgeperkt; afperking)
1 de grenzen van een ruimte door zichtbare tekens aanduiden
2 nauwkeurig begrenzen.

Perkte afAfgeperkt
AfpersenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; perste af, heeft afgeperst; afperser, afpersing)
1 iemand onder bedreiging dwingen (iets) af te staan.

In Spaans overeenkomend met: Arrancar, Extorsionar, Hacer exacción, Hacer extorsión, Sacar
  sAfdwingen
Knevelen
Perste afAfgeperst
AfpeuterenPeuterde afAfgepeuterd
AfpeuzelenPeuzelde afAfgepeuzeld
AfpijnenPijnde afAfgepijnd
AfpijnigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pijnigde af, heeft afgepijnigd)
1 uitputten door pijnlijke of afmattende gedachten.

Pijnigde afAfgepijnigd
AfpikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pikte af, heeft afgepikt)
1 (informeel) afhandig maken.

Pikte afAfgepikt
AfpingelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; pingelde af, heeft afgepingeld)
1 kleingeestig afdingen.

Pingelde afAfgepingeld
AfpitsenPitste afAfgepitst
AfplaggenPlagde afAfgeplagd
AfplakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; plakte af, heeft afgeplakt)
1 met plakband, pleister enz. afdekken.

Plakte afAfgeplakt
AfplattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; platte af, heeft afgeplat; afplatting)
1 [[platter]] maken.

Platte afAfgeplat
AfpleitenPleitte afAfgepleit
AfplekkenPlekte afAfgeplekt
AfplettenPlette afAfgeplet
AfploegenPloegde afAfgeploegd
AfploffenPlofte afAfgeploft
AfplooienPlooide afAfgeplooid
AfpluizenIn de betekenis van:
Van pluisjes ontdoen of reinigen

Pluisde afAfgepluisd
AfpluizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pluisde af, heeft afgeplozen/afgepluisd)
1 (vlees) in kleine vezeltjes, [[plukjes]] van het bot afplukken
2 (kledingstukken) van pluisjes ontdoen of reinigen.

Ploos afAfgeplozen
AfplukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; plukte af, heeft afgeplukt)
1 door plukken aftrekken.

In Spaans overeenkomend met: Desgranar
Arrancar, Cortar
Coger, Pellizcar, Pizcar, Pulsar, Puntear
  sAfbreken
Afrukken
Doppen
Oprapen
Plukken
Tokkelen
Uitrukken
Uittrekken
Wegscheuren
Plukte afAfgeplukt
AfplunderenIn Spaans overeenkomend met: Infestar
  sDoor invallen verwoesten
Onveilig maken
Plunderde afAfgeplunderd
AfpoeierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; poeierde af, heeft afgepoeierd; afpoeiering)
1 (informeel) (iemand) weten weg te krijgen.

Poeierde afAfgepoeierd
AfpoetsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; poetste af, heeft afgepoetst)
1 (vuil) door poetsen verwijderen
2 door poetsen schoonmaken.

Poetste afAfgepoetst
AfpolderenPolderde afAfgepolderd
AfpompenPompte afAfgepompt
AfpondenPondde afAfgepond
AfprakkiserenPrakkiseerde afAfgeprakkiseerd
AfpramenPraamde afAfgepraamd
AfpratenPraatte afAfgepraat
AfprekenPreekte afAfgepreekt
AfprevelenPrevelde afAfgepreveld
AfprijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; prijsde af, heeft afgeprijsd)
1 in prijs verlagen.

In Spaans overeenkomend met: Abaratar
Prijsde afAfgeprijsd
AfprikkenPrikte afAfgeprikt
AfpulkenPulkte afAfgepulkt
AfpuntenPuntte afAfgepunt
AfrabbelenRabbelde afAfgerabbeld
AfradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ried af, heeft afgeraden)
1 de raad geven (iets niet te doen).

In Spaans overeenkomend met: Desaconsejar
  sOntraden
Raadde af, Ried afAfgeraden
AfrafelenRafelde afAfgerafeld
AfraffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raffelde af, heeft afgeraffeld)
1 een taak haastig en slordig afmaken.

In Spaans overeenkomend met: Farfullar
Raffelde afAfgeraffeld
AfragenRaagde afAfgeraagd
AfraggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ragde af, heeft afgeragd)
1 al te snel en onzorgvuldig afwerken
2 ([[wielersport]]) onbehouwen hard uitrijden
3 ruw hanteren waardoor het snel kapotgaat.

Ragde afAfgeragd
AfrakenRaakte afAfgeraakt
AframmelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rammelde af, heeft afgerammeld; aframmeling)
1 (informeel) afranselen.

Rammelde afAfgerammeld
AfrandenRandde afAfgerand
AfranselenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ranselde af, heeft afgeranseld)
1 met slagen mishandelen.

In Spaans overeenkomend met: Apalear, Aporrear, Azotar, Brumar ((),(Magullar, moler a palos.)), Pegar, Vapulear, Zurrar
Trillar
  sAfrossen
Aftuigen
Beuken
Dorsen
Ranselde afAfgeranseld
AfrapenRaapte afAfgeraapt
AfraspenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raspte af, heeft afgeraspt)
1 door raspen wegnemen
2 met een rasp ontdoen van iets.

Raspte afAfgeraspt
AfrasterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rasterde af, heeft afgerasterd; afrastering)
1 (een open ruimte) door een rasterwerk afscheiden en zo de toegang afsluiten.

Rasterde afAfgerasterd
AfratelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ratelde af, heeft afgerateld)
1 snel en driftig sprekend, tot het einde toe vertellen, opzeggen of oplezen.

Ratelde afAfgerateld
AfreagerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; reageerde af, heeft afgereageerd)
1 heftige [[gemoedsaandoeningen]] ontladen.

In Spaans overeenkomend met: Desahogar, Descargar
Reageerde afAfgereageerd
AfredenReedde afAfgereed
AfregelenRegelde afAfgeregeld
AfregenenRegende afAfgeregend
AfreikenReikte afAfgereikt
AfreizenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; reisde af, is afgereisd)
1 weggaan op een reis.

Reisde afAfgereisd
AfrekenenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; rekende af, heeft afgerekend)
1 (informeel) (iemand) beoordelen naar zijn prestaties, eigenschappen enz.
(werkwoord; rekende af, heeft afgerekend)
1 zich wreken op
2 afzweren.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; rekende af, heeft afgerekend; afrekening)
1 (een aankoop of schuld) betalen.

Rekende afAfgerekend
AfremmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; remde af, heeft afgeremd)
1 (ook absoluut) snelheid minderen of tot nul terugbrengen van (een auto, machine)
2 minder intensief maken.

In Spaans overeenkomend met: Frenar
Enfrenar, Refrenar
  sRemmen
Remde afAfgeremd
AfrennenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rende af, heeft afgerend)
1 (dieren) vermoeien door ze te hard of te lang te laten rennen.

Rende afAfgerend
AfrepelenRepelde afAfgerepeld
AfrepenReepte afAfgereept
AfrichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; richtte af, heeft afgericht; africhting)
1 door onderricht en oefening voor een bepaald doel geschikt maken.

In Spaans overeenkomend met: Amaestrar
Adiestrar
  sDresseren
Temmen
Tot gehoorzaamheid dwingen
Richtte afAfgericht
AfrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; reed af, heeft afgereden)
1 rijexamen afleggen.
([[overgankelijk]] werkwoord; reed af, heeft afgereden)
1 (een rijdier) vertrouwd maken met tuig en ruiter
2 (een rijdier) afmatten.

In Spaans overeenkomend met: Salir
  sUitlopen
Uitvaren
Wegrijden
Reed afAfgereden
AfrijgenReeg afAfgeregen
AfrijtenReet afAfgereten
AfrijzelenRijzelde afAfgerijzeld
AfrijzenRees afAfgerezen
AfrikaniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; afrikaniseerde, is geafrikaniseerd; afrikanisering/afrikanisatie)
1 zich aan de [[Afrikaanse]] cultuur aanpassen.
([[overgankelijk]] werkwoord; afrikaniseerde, heeft geafrikaniseerd)
1 aan de [[Afrikaanse]] cultuur aanpassen.

AfrikaniseerdeGeafrikaniseerd
AfrissenRiste afAfgerist
AfristenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[ristte]] af, heeft afgerist)
1 van de [[ris]] afnemen.

Ristte afAfgerist
AfritsenRitste afAfgeritst
AfroeienRoeide afAfgeroeid
AfroepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; riep af, heeft afgeroepen)
1 (namen) één voor één luid uitspreken
2 in het openbaar afkondigen.

Riep afAfgeroepen
AfroestenRoestte afAfgeroest
AfroffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; roffelde af, heeft afgeroffeld)
1 slordig en achteloos afmaken
2 (grof gezaagd hout) schaven met de roffelschaaf.

Roffelde afAfgeroffeld
AfrokenRookte afAfgerookt
AfrokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rokte af, heeft afgerokt)
1 stof rondom (een tafel, [[podium]] e.d.) draperen als decoratie.

Rokte afAfgerokt
AfrollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rolde af, is afgerold)
1 zich ontrollen.
([[overgankelijk]] werkwoord; rolde af, heeft afgerold)
1 (opgerolde voorwerpen) ontrollen, uiteenrollen
2 door oprollen van iets wegnemen.

  sAfwikkelen
Losschroeven
Ontrollen
Opendraaien
Openschroeven
Rolde afAfgerold
AfromenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; roomde af, heeft afgeroomd; afroming)
1 de room afscheppen van
2 het beste wegnemen van.

In Spaans overeenkomend met: Desnatar
  sOntromen
Romen
Roomde afAfgeroomd
AfrondenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rondde af, heeft afgerond; afronding)
1 geheel of gedeeltelijk rond maken
2 beëindigen, afmaken
3 (een getal, bedrag) zo aanpassen dat een geheel aantal eenheden ontstaat.

In Spaans overeenkomend met: Redondear
  sRondmaken
Rondde afAfgerond
AfronselenRonselde afAfgeronseld
AfrooienRooide afAfgerooid
AfrossenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; roste af, heeft afgerost; afrossing)
1 afranselen
2 (paarden) door hard of lang rijden zwaar vermoeien.

In Spaans overeenkomend met: Trillar
Almohazar
  sAfranselen
Dorsen
Roskammen
Roste afAfgerost
AfrottenRotte afAfgerot
AfrovenRoofde afAfgeroofd
AfruienRuide afAfgeruid
AfruilenRuilde afAfgeruild
AfruimenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; ruimde af, heeft afgeruimd)
1 voorwerpen weghalen van (een gedekte tafel).

In Spaans overeenkomend met: Recoger la mesa
  sAfnemen
Ruimde afAfgeruimd
AfruisenRuiste afAfgeruist
AfrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rukte af, heeft afgerukt)
1 met een ruk van of uit iets lostrekken
2 (vulgair) (een man) met de hand seksueel bevredigen.

In Spaans overeenkomend met: Arrancar, Cortar
  sAfbreken
Afplukken
Plukken
Uitrukken
Uittrekken
Wegscheuren
Rukte afAfgerukt
AfsabbelenSabbelde afAfgesabbeld
AfsabberenSabberde afAfgesabberd
AfsabelenSabelde afAfgesabeld
AfsappelenSappelde afAfgesappeld
AfschaduwenSchaduwde afAfgeschaduwd
AfschaffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schafte af, heeft afgeschaft; afschaffer, afschaffing)
1 zich niet meer bedienen van
2 (een gewoonte, gebruik) doen ophouden.

In Spaans overeenkomend met: Abolir, Abrogar, Anular, Cancelar, Derogar, Rescindir, Suprimir
Eliminar
  sElimineren
Opdoeken
Uitmaken
Verwijderen
Wegdoen
Schafte afAfgeschaft
AfschakelenSchakelde afAfgeschakeld
AfschakenSchaakte afAfgeschaakt
AfschalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schaalde af, heeft afgeschaald)
1 op een [[kleinere]] schaal brengen, d.w.z. in kracht, grootte, omvang, uitwerking enz. doen afnemen.

Schaalde afAfgeschaald
AfschampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schampte af, is afgeschampt)
1 slechts de oppervlakte raken en doorschieten.

Schampte afAfgeschampt
AfschansenSchanste afAfgeschanst
AfscharrenScharde afAfgeschard
AfschattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; afschatting)
1 schatten.

Schatte afAfgeschat
AfschavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schaafde af, heeft afgeschaafd)
1 met een schaaf bewerken
2 door sterke wrijving of schuring wegnemen.

In Spaans overeenkomend met: Acepillar
  sSchaven
Schaafde afAfgeschaafd
AfscheidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scheidde af, heeft afgescheiden; afscheiding)
1 (een [[kleiner]] geheel) scheiden van een groter geheel
2 (een ruimte) van een aangrenzende ruimte scheiden
3 (een stof) afvoeren uit het orgaan waarin ze is gevormd.

In Spaans overeenkomend met: Escupir
Apartar, Desprender ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Dispersar, Liberar ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Secretar ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Segregar, Separar
  sAfzonderen
Opzij schuiven
Scheiden
Schiften
Weghalen
Wegzetten
Scheidde afAfgescheiden
AfschemerenSchemerde afAfgeschemerd
AfschenkenIn Spaans overeenkomend met: Decantar
  sAfgieten
Decanteren
Schonk afAfgeschonken
AfschepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scheepte af, heeft afgescheept; afscheping)
1 (iemand) onder enig voorwendsel wegsturen
2 (handelswaren) in een schip laden en wegzenden.

Scheepte afAfgescheept
AfscheppenSchepte afAfgeschept
AfscherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoor af, heeft afgeschoren)
1 door scheren wegnemen.

Schoor afAfgeschoren
AfschermenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schermde af, heeft afgeschermd; afscherming)
1 als met een scherm afsluiten.

Schermde afAfgeschermd
AfschervenScherfde afAfgescherfd
AfschetsenSchetste afAfgeschetst
AfscheurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheurde af, is afgescheurd; afscheuring)
1 losgaan door scheuren.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheurde af, heeft afgescheurd)
1 door scheuren van iets scheiden.

Scheurde afAfgescheurd
AfschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoot af, heeft afgeschoten)
1 (een projectiel) werpen met behulp van een schiettuig
2 (dieren) doodschieten
3 (een ruimte) afscheiden door het aanbrengen van een beschot
4 (sport) (een wedstrijd) door schieten onderbreken
5 (een voorstel, een plan) verwerpen.

In Spaans overeenkomend met: Descargar
  sOntladen
Schoot afAfgeschoten
AfschijnenScheen afAfgeschenen
AfschilderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schilderde af, heeft afgeschilderd; afschildering)
1 d.m.v. klanken, woorden, gebaren e.d. zeer levendig beschrijven
2 (een schilderstuk) afmaken.

In Spaans overeenkomend met: Pintar
  sSchilderen
Uitschilderen
Verven
Schilderde afAfgeschilderd
AfschilferenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schilferde af, heeft/is afgeschilferd; afschilfering)
1 in schilfers loslaten
2 (van een oppervlak) zijn buitenste laag in schilfers verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Desconcharse
  sAfbladderen
Schilferde afAfgeschilferd
AfschillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schilde af, heeft afgeschild)
1 door schillen verwijderen
2 van de schil ontdoen.

Schilde afAfgeschild
AfschitterenSchitterde afAfgeschitterd
AfschminkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schminkte af, heeft afgeschminkt; afschminking)
1 van schmink ontdoen
2 het schminken voltooien.

Schminkte afAfgeschminkt
AfschoffelenSchoffelde afAfgeschoffeld
AfschokkenSchokte afAfgeschokt
AfschooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schooide af, heeft afgeschooid)
1 door bedelen van iemand weten te verkrijgen.

Schooide afAfgeschooid
AfschoppenSchopte afAfgeschopt
AfschrabbenSchrabde afAfgeschrabd
AfschrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schraapte af, heeft afgeschraapt; afschraper)
1 door schrapen verwijderen.

Schraapte afAfgeschraapt
AfschrappenIn Spaans overeenkomend met: Trazar
  sAftekenen
Trekken
Schrapte afAfgeschrapt
AfschreeuwenSchreeuwde afAfgeschreeuwd
AfschreienSchreide afAfgeschreid
AfschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef af, heeft afgeschreven; afschrijver, afschrijving)
1 door boeking van een bepaald saldo aftrekken
2 schriftelijk afzeggen
3 (informeel) uit het hoofd zetten, niet meer rekenen op
4 het schrijven voltooien
5 de boekwaarde van de vaste bezittingen op de balans verlagen.

In Spaans overeenkomend met: Amortiguar
Amortizar
Descargar
  sAfbetalen
Afboeken
Amortiseren
Schreef afAfgeschreven
AfschrikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schrikte af, heeft afgeschrikt; afschrikking)
1 door verschrikking afweren.

In Spaans overeenkomend met: Acobardar, Atemorizar, Aterrorizar, Espantar
  sAngst aanjagen
Bang maken
Intimideren
Verjagen
Vrees aanjagen
Wegjagen
Schrikte afAfgeschrikt
AfschrobbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schrobde af, heeft afgeschrobd)
1 door schrobben reinigen.

Schrobde afAfgeschrobd
AfschroeienSchroeide afAfgeschroeid
AfschroevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schroefde af, heeft afgeschroefd)
1 door een schroevende beweging losmaken.

Schroefde afAfgeschroefd
AfschubbenSchubde afAfgeschubd
AfschuddenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schudde af, heeft afgeschud)
1 door schudden af doen vallen
2 zich door een schuddende beweging ontdoen of bevrijden van.
(wederkerend werkwoord; schudde zich af, heeft zich afgeschud)
1 zich door schudden van iets ontdoen.

Schudde afAfgeschud
AfschuierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuierde af, heeft afgeschuierd)
1 afborstelen.

Schuierde afAfgeschuierd
AfschuimenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuimde af, heeft afgeschuimd)
1 (schuim of andere onzuivere stoffen) verwijderen
2 van schuim of andere onzuiverheden reinigen
3 (een gebied) afzoeken op wat men van zijn gading vindt.

In Spaans overeenkomend met: Desespumar, Despumar, Espumar
Schuimde afAfgeschuimd
AfschuinenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuinde af, heeft afgeschuind; afschuining)
1 schuin [[af-]] of bijwerken.

In Spaans overeenkomend met: Achaflanar
Biselar
Schuinde afAfgeschuind
AfschuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof af, heeft afgeschoven)
1 op een ander laten neerkomen.

Schoof afAfgeschoven
AfschurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuurde af, heeft afgeschuurd)
1 door schuren verwijderen
2 door schuren gladmaken
3 (van een stroom) door schuring loswerken en wegspoelen.

Schuurde afAfgeschuurd
AfschuttenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schutte af, heeft afgeschut; afschutting)
1 (een ruimte) afscheiden door een schut of heining
2 door middel van schutsluizen afsluiten.

In Spaans overeenkomend met: Atajar
Schutte afAfgeschut
AfseinenSeinde afAfgeseind
AfserverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; serveerde af, heeft afgeserveerd)
1 door sterk serveren verslaan
2 afwijzen, afdanken, aan de kant zetten.

Serveerde afAfgeserveerd
AfsijpelenSijpelde afAfgesijpeld
AfsjacherenSjacherde afAfgesjacherd
AfsjokkenSjokte afAfgesjokt
AfsjouwenSjouwde afAfgesjouwd
AfslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloeg af, is afgeslagen)
1 zijwaarts, naar links of naar rechts gaan
2 (van [[motoren]] e.d.) ophouden te werken
3 minder worden in prijs.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg af, heeft afgeslagen)
1 verdrijven
2 stellig weigeren te accepteren
3 met geweld afscheiden
4 door slaan of kloppen reinigen
5 bij afslag veilen.

In Spaans overeenkomend met: Detenerse ((ophouden te werken van motoren etc.)), Parar ((ophouden te werken van motoren etc.))
Declinar ((iets weigeren aan te nemen)), Rechazar ((iets weigeren aan te nemen)), Rehusar ((iets weigeren aan te nemen))
Bajar ((iets omlaag doen bewegen))
Rechazar ((aanval afslaan)), Repeler ((aanval afslaan)), Repulsar ((aanval afslaan))
Girar ((zijwaarts gaan)), Torcer ((zijwaarts gaan))
  sAanleggen
Aftrekken
Afwijzen
Blijven staan
Halt houden
Korten
Korting geven
Nee zeggen tegen
Pareren
Stilhouden
Stilstaan
Stoppen
Terugslaan
Terugstoten
Verwerpen
Weigeren
Wraken
Sloeg afAfgeslagen
AfslachtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slachtte af, heeft afgeslacht; afslachter, afslachting)
1 massaal vermoorden
2 zeer slecht beoordelen.

In Spaans overeenkomend met: Matar
  sSlachten
Slachtte afAfgeslacht
AfslankenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slankte af, is afgeslankt; afslanking)
1 [[slanker]] worden
2 (eufemisme) (van organisaties) [[kleiner]] worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; slankte af, heeft afgeslankt)
1 [[slanker]] maken, [[slanker]] doen lijken
2 (een organisatie) inkrimpen.

Slankte afAfgeslankt
AfslavenSlaafde afAfgeslaafd
AfslechtenSlechtte afAfgeslecht
AfslenterenSlenterde afAfgeslenterd
AfslepenSleepte afAfgesleept
AfsleurenSleurde afAfgesleurd
AfslibbenSlibde afAfgeslibd
AfslibberenSlibberde afAfgeslibberd
AfslierenSlierde afAfgeslierd
AfslijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sleep af, heeft afgeslepen)
1 door slijpen wegnemen
2 door slijpen gladmaken.

Sleep afAfgeslepen
AfslijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleet af, is afgesleten; afslijting)
1 door slijten de buitenste delen verliezen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sleet af, heeft afgesleten)
1 door slijten de buitenste delen doen verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Erosionar
Desgastarse
  sDoorslijten
Eroderen
Slijten
Uitslijten
Verslijten
Sleet afAfgesleten
AfslingerenSlingerde afAfgeslingerd
AfslippenSlipte afAfgeslipt
AfsloffenSlofte afAfgesloft
AfslonzenSlonsde afAfgeslonsd
AfslopenSloopte afAfgesloopt
AfslorpenSlorpte afAfgeslorpt
AfslotenSlootte afAfgesloot
AfslovenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; sloofde zich af, heeft zich afgesloofd; afsloving)
1 door langdurige inspanning en zorg afmatten.

Sloofde afAfgesloofd
AfsluipenSloop afAfgeslopen
AfsluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot af, heeft afgesloten; afsluiter, afsluiting)
1 door sluiting ontoegankelijk maken
2 op slot doen
3 (lucht, licht, water, gas enz.) door een afscheiding beletten door te dringen
4 (een overeenkomst) sluiten met inachtneming van de verschillende formaliteiten of handelingen
5 een eind maken aan
6 (iemand) verwijderd houden van iets.

In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso
Acabar, Terminar, Zanjar
Ajustar, Contratar, Destajar
Obturar
Saldar
Cerrar, Cerrar con llave
  sAangaan
Aannemen
Afdammen
Afdoen
Afmaken
Belemmeren
Besluiten
Beëindigen
Contracteren
Eindigen
Op slot doen
Salderen
Sluiten
Stuwen
Uitmaken
Vereffenen
Versperren
Voleindigen
Vullen
Sloot afAfgesloten
AfslurpenSlurpte afAfgeslurpt
AfsmakkenSmakte afAfgesmakt
AfsmedenSmeedde afAfgesmeed
AfsmekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeekte af, heeft afgesmeekt; afsmeking)
1 (iets) door dringend bidden van iemand trachten te verwerven.

In Spaans overeenkomend met: Implorar, Suplicar
  sSmeken
Smeekte afAfgesmeekt
AfsmeltenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smolt af, is afgesmolten; afsmelting)
1 wegsmelten.

Smolt afAfgesmolten
AfsmerenSmeerde afAfgesmeerd
AfsmettenSmette afAfgesmet
AfsmijtenSmeet afAfgesmeten
AfsnauwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snauwde af, heeft afgesnauwd)
1 (iemand) op bitse toon kortaf antwoorden.

In Spaans overeenkomend met: Dar dentelladas a
Snauwde afAfgesnauwd
AfsnellenSnelde afAfgesneld
AfsnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed af, heeft afgesneden; afsnijding)
1 door snijden afscheiden
2 op de vereiste lengte doorsnijden
3 afsluiten, onmogelijk maken
4 (de afstand) verkleinen.

In Spaans overeenkomend met: Amputar, Cercenar, Cortar, Truncar
  sAfsteken
Sneed afAfgesneden
AfsnipperenSnipperde afAfgesnipperd
AfsnoeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snoeide af, heeft afgesnoeid; afsnoeiing)
1 (takken en twijgen) met het snoeimes afsnijden
2 (bomen, planten) ontdoen van de overtollige takken.

Snoeide afAfgesnoeid
AfsnoepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snoepte af, heeft afgesnoept)
1 iemand voor zijn met.

Snoepte afAfgesnoept
AfsnoerenSnoerde afAfgesnoerd
AfsnorrenSnorde afAfgesnord
AfsnuffelenSnuffelde afAfgesnuffeld
AfsnuitenSnuitte af, Snoot afAfgesnuit, Afgesnoten
AfsollenSolde afAfgesold
AfsoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sopte af, heeft afgesopt; afsopping)
1 met water en zeep reinigen.

Sopte afAfgesopt
AfspadenSpaadde afAfgespaad
AfspanenSpaande afAfgespaand
AfspannenSpande afAfgespannen
AfspattenSpatte afAfgespat
AfspeldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speldde af, heeft afgespeld)
1 (een lap stof) door spelden op de juiste maat brengen.

Speldde afAfgespeld
AfspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde af, heeft afgespeeld)
1 ([[grammofoonplaten]], cd's, banden of cassettes) afdraaien
2 (een muziekstuk) tot het einde toe spelen
3 (een muziekinstrument) door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken.
(wederkerend werkwoord; speelde zich af, heeft zich afgespeeld)
1 gebeuren.

Speelde afAfgespeeld
AfspetenSpeette afAfgespeet
AfspetterenSpetterde afAfgespetterd
AfspeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speurde af, heeft afgespeurd)
1 afzoeken.

Speurde afAfgespeurd
AfspiedenSpiedde afAfgespied
AfspiegelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spiegelde af, heeft afgespiegeld; afspiegeling)
1 doen voorkomen.
(wederkerend werkwoord; spiegelde zich af, heeft zich afgespiegeld)
1 weerkaatst worden.

Spiegelde afAfgespiegeld
AfspinnenSpon afAfgesponnen
AfspionerenSpioneerde afAfgespioneerd
AfspittenSpitte afAfgespit
AfsplijtenSpleet afAfgespleten
AfsplinterenSplinterde afAfgesplinterd
AfsplitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; splitste af, heeft afgesplitst; afsplitsing)
1 door splitsen afscheiden.
(wederkerend werkwoord; splitste zich af, heeft zich afgesplitst)
1 (van wegen of leidingen) uit de hoofdweg of de [[hoofdleiding]] afbuigen
2 (van groepen personen) zich afscheiden van een groter geheel.

Splitste afAfgesplitst
AfspoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spoelde af, is afgespoeld; afspoeling)
1 door een stroom of golfslag weggespoeld worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; spoelde af, heeft afgespoeld)
1 lichtjes afwassen
2 door golfslag doen wegspoelen.

In Spaans overeenkomend met: Enjuagar
Gargarizar
  sGorgelen
Spoelen
Spoelde afAfgespoeld
AfsponsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie afsponzen.

Sponste afAfgesponst
AfsponzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sponsde af, heeft afgesponsd)
1 met een spons reinigen.

Sponsde afAfgesponsd
AfsporenSpoorde afAfgespoord
AfsprekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprak af, heeft afgesproken)
1 een afspraak maken.
([[overgankelijk]] werkwoord; sprak af, heeft afgesproken)
1 bij overeenkomst vaststellen.

In Spaans overeenkomend met: Convenir, Pactar
Quedar
  sEen schikking treffen
Het eens zijn
Overeenkomen
Sprak afAfgesproken
AfspringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprong af, is afgesprongen)
1 afschampen
2 (van plannen) afgebroken worden.

Sprong afAfgesprongen
AfspruitenSproot afAfgesproten
AfspuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spoot af, heeft afgespoten)
1 door spuiten reinigen.

Spoot afAfgespoten
AfstaanALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stond af, heeft afgestaan)
1 afstand doen van
2 aan een ander tijdelijk in gebruik geven.

In Spaans overeenkomend met: Ceder, Resignar ((het bevel),(el mando))
  sCederen
Toegeven
Wijken
Stond afAfgestaan
AfstammenIn Spaans overeenkomend met: Descender, Originarse, Proceder, Suceder
  sAfkomen
Afkomstig zijn
Het gevolg zijn van
Ontspruiten
Voortkomen
Stamde afAfgestamd
AfstampenStampte afAfgestampt
AfstappenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stapte af, is afgestapt)
1 ervan afzien, ermee ophouden.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stapte af, is afgestapt)
1 naar beneden stappen
2 (in [[België]]) uitstappen (uit een bus of een trein).

In Spaans overeenkomend met: Bajar
Apearse
  sUitstappen
Stapte afAfgestapt
AfstarenStaarde afAfgestaard
AfstekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (stak af, heeft afgestoken) sterk uitkomen
2 (stak af, is afgestoken) afvaren.
([[overgankelijk]] werkwoord; stak af, heeft afgestoken; afsteker, afsteking)
1 doen ontbranden
2 (toespraken, gelukwensen enz.) uitspreken
3 door steken verwijderen
4 door steken van iets ontdoen
5 (een licht vaartuig) van de wal of van een ander schip afduwen met een boom of haak om een vaart te beginnen.

In Spaans overeenkomend met: Contrastar, Destacarse
Amputar, Cercenar, Truncar
  sAfsnijden
Contrasteren
Opvallen
Uitkomen
Stak afAfgestoken
AfstekkenStekte afAfgestekt
AfstelenStal afAfgestolen
AfstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde af, heeft afgesteld)
1 goed instellen.

In Spaans overeenkomend met: Ahormar
Stelde afAfgesteld
AfstemmenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stemde af, heeft afgestemd)
1 in overeenstemming brengen met.
([[overgankelijk]] werkwoord; stemde af, heeft afgestemd; afstemming)
1 (voorstellen) bij stemming verwerpen
2 (een muziekinstrument) geheel zuiver stemmen
3 (een radio, tv) zo regelen dat een zuivere klankweergave verkregen wordt.

In Spaans overeenkomend met: Rechazar
Sintonizar
  sVerwerpen
Stemde afAfgestemd
AfstempelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stempelde af, heeft afgestempeld; afstempeling)
1 van een stempel voorzien
2 (economie) (de waardevermindering) met een stempel op de aandelen drukken
3 (munten) met een stempel van het opschrift of de figuur voorzien.

Stempelde afAfgestempeld
AfstervenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stierf af, is afgestorven; afsterving)
1 (van lichaams- of plantendelen) doodgaan
2 (van het bouquet van wijn) verdwijnen door onderkoeling.

Stierf afAfgestorven
AfstevenenStevende afAfgestevend
AfstijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; steeg af, is afgestegen)
1 van een rijdier afstappen.

Steeg afAfgestegen
AfstikkenStikte afAfgestikt
AfstippenStipte afAfgestipt
AfstoffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stofte af, heeft afgestoft)
1 reinigen door er het stof af te vegen.

In Spaans overeenkomend met: Quitar el polvo, Quitar el polvo a
  sStof afnemen
Stoffen
Stofte afAfgestoft
AfstokenStookte afAfgestookt
AfstomenStoomde afAfgestoomd
AfstommelenStommelde afAfgestommeld
AfstompenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stompte af, is afgestompt; afstomping)
1 (van personen) minder ontvankelijk worden voor emoties
2 stomp, minder scherp worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; stompte af, heeft afgestompt)
1 (ook absoluut) (iemand) minder ontvankelijk maken voor emoties
2 stomp maken.

In Spaans overeenkomend met: Embrutecer
Arromar, Despuntar
  sBot maken
Stompte afAfgestompt
AfstoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stopte af, heeft afgestopt; afstopper, afstopping)
1 (openingen) opvullen, dichtmaken
2 (sport) de doorgang belemmeren.

Stopte afAfgestopt
AfstormenStormde afAfgestormd
AfstortenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stortte af, heeft afgestort)
1 (contant geld) storten bij een bank, in een kluis.

Stortte afAfgestort
AfstotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stiet af, heeft afgestoten)
1 (ook absoluut) (iemand) afkeer inboezemen
2 (ook absoluut) door stoten verwijderen
3 van de hand doen
4 (van een organisme) niet als eigen onderdeel laten functioneren
5 (natuurkunde) door een fysische kracht van zich verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Rechazar, Repeler
  sVerdringen
Verduwen
Wegdringen
Wegduwen
Wegstoten
Stootte af, Stiet afAfgestoten
AfstovenStoofde afAfgestoofd
AfstraffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; strafte af, heeft afgestraft; afstraffing)
1 (iemand) de nodige straf toedienen
2 profiteren van een fout van de tegenstander.

Strafte afAfgestraft
AfstralenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; straalde af, heeft afgestraald)
1 (licht, warmte enz.) stralend doen uitgaan.

Straalde afAfgestraald
AfstrepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streepte af, heeft afgestreept; afstreping)
1 door het plaatsen van een streepje schrappen.

Streepte afAfgestreept
AfstrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streed af, heeft afgestreden)
1 (een bewering) tegenspreken.

Streed afAfgestreden
AfstrijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streek af, heeft afgestreken; afstrijker)
1 ([[lucifers]]) doen ontbranden
2 door strijken van het overtollige ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Rasar
Streek afAfgestreken
AfstrippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stripte af, heeft afgestript)
1 strippen.

Stripte afAfgestript
AfstromenStroomde afAfgestroomd
AfstrompelenStrompelde afAfgestrompeld
AfstropenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stroopte af, heeft afgestroopt)
1 (een omhulsel) verwijderen
2 van het omhulsel ontdoen
3 afstruinen.

In Spaans overeenkomend met: Desollar
Despojar, Saquear
  sUitschudden
Villen
Stroopte afAfgestroopt
AfstruinenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; struinde af, heeft afgestruind)
1 overal zoeken of men iets van zijn gading kan vinden.

Struinde afAfgestruind
AfstuderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; studeerde af, heeft/is afgestudeerd)
1 zijn studie voltooien.

In Spaans overeenkomend met: Graduarse
Studeerde afAfgestudeerd
AfstuitenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stuitte af, is afgestuit)
1 (van plannen, voorstellen) verijdeld worden door.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuitte af, is afgestuit; afstuiting)
1 na aanraking teruggeworpen worden.

Stuitte afAfgestuit
AfstuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoof af, is afgestoven)
1 (van [[zandheuvels]] of duinen) door het wegstuiven van zand lager of [[kleiner]] worden.

Stoof afAfgestoven
AfsturenStuurde afAfgestuurd
AfstuwenStuwde afAfgestuwd
AfsuffenSufte afAfgesuft
AfsukkelenSukkelde afAfgesukkeld
AftaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; taaide af, is afgetaaid)
1 (informeel) weggaan.

Taaide afAfgetaaid
AftakelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; takelde af, is afgetakeld; aftakeling)
1 [[achteruitgaan]], verminderen in ijver, kracht enz.

In Spaans overeenkomend met: Envejecer
  sGebrekkig worden
In verval raken
Vervallen
Takelde afAfgetakeld
AftakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; takte af, heeft afgetakt; aftakking)
1 (een weg of leiding) zijwaarts afsplitsen.
(wederkerend werkwoord; takte zich af, heeft zich afgetakt)
1 (van wegen, leidingen) zich zijwaarts afsplitsen.

Takte afAfgetakt
AftandenTandde afAfgetand
AftankenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tankte af, heeft afgetankt)
1 (van voer-, vaar-, en vliegtuigen) vullen met brandstof.

Tankte afAfgetankt
AftapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tapete af, heeft afgetapet)
1 (kieren, naden) met [[tape]] dichtmaken.

Tapete afAfgetapet
AftappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tapte af, heeft afgetapt)
1 (een vat, omhulsel) leegmaken door een vloeistof of gas eruit te laten lopen
2 (een vloeistof, gas enz.) uit een omhulsel verwijderen
3 (een telefoonlijn) afluisteren.

In Spaans overeenkomend met: Derivar
Drenar
Barrenar
  sAfleiden
Afwateren
Doorsteken
Draineren
Droogleggen
Tapte afAfgetapt
AftarrenTarde afAfgetard
AftastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tastte af, heeft afgetast; aftasting)
1 tastend onderzoeken
2 een voorzichtig onderzoek instellen naar.

In Spaans overeenkomend met: Tantear
  sTasten
Tastte afAfgetast
AfteilenTeilde afAfgeteild
AftekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tekende af, heeft afgetekend; [[aftekenaar]], aftekening)
1 (de grenzen) afbakenen, aangeven
2 voor gezien tekenen
3 aantekenen op een kaart.
(wederkerend werkwoord; tekende zich af, heeft zich afgetekend)
1 zichtbaar of merkbaar worden.

In Spaans overeenkomend met: Dibujar
Trazar
Visar
  sAfschrappen
Schetsen
Tekenen
Trekken
Uittekenen
Viseren
Tekende afAfgetekend
AftelefonerenTelefoneerde afAfgetelefoneerd
AftelegraferenTelegrafeerde afAfgetelegrafeerd
AftellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; telde af, heeft afgeteld)
1 een aftelliedje of -rijmpje opzeggen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; telde af, heeft afgeteld; aftelling)
1 een naderend tijdstip afwachten door het tellen van (tijdseenheden).

In Spaans overeenkomend met: Deducir, Descontar
Contar, Enumerar
  sAftrekken
Inhouden
Korten
Neertellen
Tellen
Telde afAfgeteld
AfterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; afterde, heeft geafterd)
1 een afterparty bezoeken
2 na een party doorfeesten, zich met een paar mensen thuis, in een ongedwongen sfeer, ontspannen.

Teerde afAfgeteerd
AftikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tikte af, heeft afgetikt)
1 (ook absoluut) door tikken met de [[dirigeerstok]] (een muziekstuk) laten beginnen of onderbreken
2 door tikken buiten het spel zetten, uitschakelen.

Tikte afAfgetikt
AftillenTilde afAfgetild
AftimmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; timmerde af, heeft afgetimmerd; aftimmering)
1 (timmerwerk) voltooien
2 met hout afwerken.

Timmerde afAfgetimmerd
AftippelenTippelde afAfgetippeld
AftippenTipte afAfgetipt
AftobbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tobde af, heeft afgetobd)
1 afmatten door te veel moeite, zorg enz.

Tobde afAfgetobd
AftoffelenToffelde afAfgetoffeld
AftomenToomde afAfgetoomd
AftonnenTonde afAfgetond
AftoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; topte af, heeft afgetopt; aftopping)
1 de top afhalen van.

Topte afAfgetopt
AftornenTornde afAfgetornd
AftoverenToverde afAfgetoverd
AftrainenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trainde af, heeft afgetraind)
1 (sport) de [[training]] aan het einde van een sportcarrière of een -seizoen geleidelijk verminderen.

Trainde afAfgetraind
AftrappenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trapte af, heeft afgetrapt)
1 (voetbal) de aftrap verrichten.

Trapte afAfgetrapt
AftredenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trad af, is afgetreden)
1 zijn ambt of functie neerleggen.

In Spaans overeenkomend met: Abdicar
Darse de baja, Dimitir, Hacer dimisión
  sAbdiceren
Abdiqueren
Afstand doen
Afstand doen van
Bedanken
Uittreden
Trad afAfgetreden
AftrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok af, is afgetrokken; aftrekker, aftrekking)
1 zich verwijderen.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok af, heeft afgetrokken)
1 (ook absoluut) (een getal, algebraïsche vorm) in mindering brengen op een andere
2 korten, inhouden
3 verwijderen door te trekken
4 (een man) met de hand seksueel bevredigen
5 villen
6 (in [[België]], niet algemeen) (bloed) aftappen.

In Spaans overeenkomend met: Infusionar
Deducir ((korten, kosten aftrekken)), Descontar ((rekenkundige bewerking waarbij een getal met een tweede getal verminderd wordt))
Arrancar ((verwijderen door te trekken)), Quitar ((verwijderen door te trekken))
Hacer una infusión ((een infusie (aftreksel) maken van iets)), Infundir ((een infusie (aftreksel) maken van iets))
Bajar ((korten, kosten aftrekken))
Retirarse ((het strijdperk of de belegering verlaten, zich verwijderen, weggaan))
Substraer ((rekenkundige bewerking waarbij een getal met een tweede getal verminderd wordt)), Sustraer ((rekenkundige bewerking waarbij een getal met een tweede getal verminderd wordt))
  sAfhalen
Afnemen
Afslaan
Aftellen
Aftreksel maken
De aftocht blazen
Inhouden
Korten
Korting geven
Laten trekken
Rissen
Ritsen
Terugkrabbelen
Weghalen
Wegnemen
Zetten
Zich terugtrekken
Zich uit de voeten maken
Trok afAfgetrokken
AftroevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; troefde af, heeft afgetroefd)
1 (ook absoluut) (een slag) door het spelen van een troefkaart winnen
2 (ook absoluut) (iemand) door een raak antwoord, een snelle handeling te slim af zijn
3 (in België; informeel) afranselen.

Troefde afAfgetroefd
AftroggelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; troggelde af, heeft afgetroggeld)
1 op behendige wijze, door slinkse streken van iemand verkrijgen.

Troggelde afAfgetroggeld
AftrommelenTrommelde afAfgetrommeld
AftrompettenTrompette afAfgetrompet
AftronenTroonde afAfgetroond
AftruggelenTruggelde afAfgetruggeld
AftuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tuigde af, heeft afgetuigd)
1 afranselen
2 (een dier) van trektuig ontdoen
3 (een schip) van de tuigage ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Aporrear, Pegar, Zurrar
  sAfranselen
Beuken
Tuigde afAfgetuigd
AftuimelenTuimelde afAfgetuimeld
AftuinenTuinde afAfgetuind
AfturenTuurde afAfgetuurd
AfturvenTurfde afAfgeturfd
AftypenTypte afAfgetypt
AfvaardigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vaardigde af, heeft afgevaardigd; afvaardiging)
1 (iemand) afzenden en machtigen om een vereniging, staat enz. te vertegenwoordigen.

In Spaans overeenkomend met: Delegar
Comisionar, Diputar
  sDelegeren
Deputeren
Tot afgevaardigde kiezen
Vaardigde afAfgevaardigd
AfvagenVaagde afAfgevaagd
AfvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel af, is afgevallen)
1 naar beneden vallen
2 niet meer meetellen
3 ontrouw worden aan
4 afnemen in gewicht
5 (scheepvaart) minder scherp gaan zeilen.

In Spaans overeenkomend met: Apostatar
Caerse, Desprenderse
Caer
Desertar
Adelgazar
  sAfvallig worden
Neervallen
Ontrouw worden
Uitvallen
Vallen
Verschieten
Viel afAfgevallen
AfvangenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Ving afAfgevangen
AfvarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; voer af, heeft/is afgevaren)
1 van de wal wegvaren.

Voer afAfgevaren
AfvechtenVocht afAfgevochten
AfvegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; veegde af, heeft afgeveegd)
1 door vegen reinigen
2 door vegen verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Limpiar
Enjugar ((tranen, zweet),(Limpiar la humedad que echa de sí el cuerpo, o la que recibe mojándose. Enjugar las lágrimas, el sudor. Enjugar las manos, el rostro.)), Fregar ((),(Restregar con fuerza una cosa con otra)), Secar ((),(Quitar con un trapo, toalla, etc., el líquido o las gotas que hay en una superficie.))
  sAfdrogen
Afwissen
Opwrijven
Poetsen
Reinigen
Schoonmaken
Vegen
Wissen
Veegde afAfgeveegd
AfvellenVelde afAfgeveld
AfvenenVeende afAfgeveend
AfvergenVergde afAfgevergd
AfvervenVerfde afAfgeverfd
AfvezelenVezelde afAfgevezeld
AfvijlenVijlde afAfgevijld
AfvijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[vees]] af, heeft afgevezen)
1 (in [[België]], niet algemeen) afschroeven.

Vees afAfgevezen
AfvillenVilde afAfgevild
AfvinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; vinkte af, heeft afgevinkt)
1 (op een lijst vermelde zaken) met een [[V-vormig]] teken markeren, bijvoorbeeld om aan te geven dat [[controle]] heeft plaatsgevonden.

Vinkte afAfgevinkt
AfvissenViste afAfgevist
AfvlaggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; vlagde af, heeft afgevlagd)
1 (sport) met een vlagsignaal beëindigen, stopzetten.

Vlagde afAfgevlagd
AfvlakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vlakte af, heeft afgevlakt; afvlakking)
1 vlak maken
2 (techniek) (spanningsverschillen) dempen.

Vlakte afAfgevlakt
AfvleienVleide afAfgevleid
AfvlekkenVlekte afAfgevlekt
AfvliedenVlood afAfgevloden
AfvliegenVloog afAfgevlogen
AfvloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vloeide af, is afgevloeid; afvloeiing)
1 (van personeel) langzamerhand al dan niet gedwongen weggaan
2 (van kapitaal, goud) wegvloeien.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; vloeide af, heeft afgevloeid)
1 met vloeipapier bestrijken.

Vloeide afAfgevloeid
AfvlottenVlotte afAfgevlot
AfvluchtenVluchtte afAfgevlucht
AfvoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voerde af, heeft afgevoerd; afvoering)
1 naar elders voeren
2 van een lijst enz. verwijderen.

Voerde afAfgevoerd
AfvorderenVorderde afAfgevorderd
AfvormenVormde afAfgevormd
AfvragenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; vraagde zich af/vroeg zich af, heeft zich afgevraagd)
1 zichzelf een vraag stellen
2 zijn vraagtekens plaatsen bij.

Vraagdeª af, Vroeg afAfgevraagd
AfvretenVrat afAfgevreten
AfvriezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vroor af, is afgevroren)
1 door de werking van de vorst afsterven.

Vroor afAfgevroren
AfvrijenVrijde af, Vree afAfgevrijd, Afgevreeën
AfvullenVulde afAfgevuld
AfvurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vuurde af, heeft afgevuurd; afvuring)
1 met een vuurwapen afschieten.

Vuurde afAfgevuurd
AfwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waaide af/woei af, is afgewaaid)
1 door de wind weggedreven worden.

Waaide af, Woei afAfgewaaid
AfwaarderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; waardeerde af, heeft afgewaardeerd)
1 in waarde doen verminderen
2 (economie) devalueren.

Waardeerde afAfgewaardeerd
AfwachtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; wachtte af, heeft afgewacht; afwachting)
1 wachten totdat iets gebeurt, iemand komt enz.

In Spaans overeenkomend met: Aguardar, Esperar
Wachtte afAfgewacht
AfwaggelenWaggelde afAfgewaggeld
AfwandelenWandelde afAfgewandeld
AfwassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; waste af, heeft afgewassen)
1 (ook absoluut) door wassen reinigen
2 door wassen verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Fregar, Lavar
Waste afAfgewassen
AfwaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waterde af, heeft afgewaterd; afwatering)
1 overtollig water laten afvloeien.

In Spaans overeenkomend met: Desaguar, Drenar
  sAftappen
Draineren
Droogleggen
Waterde afAfgewaterd
AfwegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; woog af, heeft afgewogen; afweging)
1 nauwkeurig wegen
2 overwegen welk alternatief het beste is.

In Spaans overeenkomend met: Proporcionar
Pesar
  sAfmeten
Evenredig maken
Het gewicht bepalen
Woog afAfgewogen
AfweidenWeidde afAfgeweid
AfwekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; weekte af, is afgeweekt; afweking)
1 door vocht loslaten.
([[overgankelijk]] werkwoord; weekte af, heeft afgeweekt)
1 door week maken verwijderen.

Weekte afAfgeweekt
AfwendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wendde af, heeft afgewend; afwending)
1 in een andere richting draaien
2 (gevaren) voorkomen.

In Spaans overeenkomend met: Conjurar
Wendde afAfgewend
AfwenkenWenkte afAfgewenkt
AfwennenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wende af, heeft afgewend; afwenning)
1 ervoor zorgen, dat iemand (een gewoonte) opgeeft.

In Spaans overeenkomend met: Desacostumbrar
  sAfleren
Wende afAfgewend
AfwentelenIn Spaans overeenkomend met: Transbordar
  sOverladen
Verladen
Wentelde afAfgewenteld
AfwerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[weerde]] af, heeft afgeweerd)
1 op een afstand houden
2 (een gevaar) doen wijken.

In Spaans overeenkomend met: Repeler
Weerde afAfgeweerd
AfwerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; werkte af, heeft afgewerkt; afwerking)
1 geheel afmaken
2 de laatste hand leggen aan
3 totaal gebruiken.

In Spaans overeenkomend met: Rematar
Acabar
  sAfmaken
Uitwerken
Werkte afAfgewerkt
AfwerpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wierp af, heeft afgeworpen)
1 afdoen, zich ontdoen van
2 door werpen van iets verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Producir
  sOpbrengen
Opleveren
Voortbrengen
Wierp afAfgeworpen
AfwetenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

Wist afAfgeweten
AfwijkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; week af, is afgeweken)
1 tegengesteld handelen aan.
([[onovergankelijk]] werkwoord; week af, is afgeweken; afwijking)
1 langzamerhand een andere richting aannemen
2 in strijd zijn met.

In Spaans overeenkomend met: Desviarse
Week afAfgeweken
AfwijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wees af, heeft afgewezen; afwijzing)
1 (iemand) niet toelaten, niet ontvangen
2 weigeren iets te aanvaarden of zich te laten welgevallen.

In Spaans overeenkomend met: Desechar, Excluir
Desestimar, Rechazar, Suspender
Rehusar
Descartar
  sAfkeuren
Afslaan
Buitensluiten
Nee zeggen tegen
Terugwijzen
Uitsluiten
Vertikken
Verwerpen
Weigeren
Wraken
Wees afAfgewezen
AfwikkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wikkelde af, heeft afgewikkeld; afwikkeling)
1 afrollen
2 afhandelen.

In Spaans overeenkomend met: Despachar
Liquidar
Devanar
Desenvolver
  sAfdoen
Afhandelen
Afrollen
Liquideren
Losschroeven
Ontrollen
Opendraaien
Openschroeven
Opheffen
Solveren
Uitrollen
Wikkelde afAfgewikkeld
AfwimpelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wimpelde af, heeft afgewimpeld; afwimpeling)
1 min of meer indirect te kennen geven dat men iets niet wenst.

Wimpelde afAfgewimpeld
AfwindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wond af, heeft afgewonden)
1 door te winden geleidelijk verwijderen.

Wond afAfgewonden
AfwinnenWon afAfgewonnen
AfwippenWipte afAfgewipt
AfwisselenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wisselde af, is afgewisseld; afwisseling)
1 onderling wisselen, beurtelings voorkomen.
([[overgankelijk]] werkwoord; wisselde af, heeft afgewisseld)
1 elkaar beurtelings vervangen.

In Spaans overeenkomend met: Alternar, Cambiar, Turnar, Variar
  sOmwisselen
Rouleren
Variëren
Werken
Wisselde afAfgewisseld
AfwissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wiste af, heeft afgewist; afwissing)
1 (formeel) met een doek of spons reinigen.

In Spaans overeenkomend met: Enjuagar, Enjugar, Fregar, Secar
  sAfdrogen
Afvegen
Vegen
Wissen
Wiste afAfgewist
AfwoelenWoelde afAfgewoeld
AfwonenWoonde afAfgewoond
AfwrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wreef af, heeft afgewreven; afwrijving)
1 door wrijven verwijderen
2 wrijvend schoonmaken.

Wreef afAfgewreven
AfwrikkenWrikte afAfgewrikt
AfwringenWrong afAfgewrongen
AfzabbelenZabbelde afAfgezabbeld
AfzabberenZabberde afAfgezabberd
AfzadelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; zadelde af, heeft afgezadeld)
1 het zadel afhalen van (een paard of ander lastdier).

Zadelde afAfgezadeld
AfzagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zaagde af, heeft afgezaagd)
1 met een zaag afscheiden
2 met een zaag verkorten, versmallen.

Zaagde afAfgezaagd
AfzakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zakte af, is afgezakt)
1 langzaam naar beneden schuiven
2 langzaam [[stroomafwaarts]] drijven
3 komen naar [[zuidelijker]] of lager gelegen streken
4 langzaamaan minder in kwaliteit, in prestatie worden.

Zakte afAfgezakt
AfzandenZandde afAfgezand
AfzanenZaande afAfgezaand
AfzeggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; zei af, heeft afgezegd)
1 meedelen dat iets niet door zal gaan.

In Spaans overeenkomend met: Anular, Cancelar
Zegde af, Zei afAfgezegd
AfzeikenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zeikte af, heeft afgezeikt/afgezeken)
1 (informeel) (iemand) onbehoorlijk belachelijk maken, voor schut zetten.

Zeikte af, Zeek afAfgezeikt, Afgezeken
AfzeilenZeilde afAfgezeild
AfzemenZeemde afAfgezeemd
AfzendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zond af, heeft afgezonden; afzender, afzending)
1 van de ene plaats naar een andere versturen.

In Spaans overeenkomend met: Despachar, Despedir, Enviar, Expedir
  sUitsturen
Versturen
Verzenden
Wegsturen
Wegzenden
Zond afAfgezonden
AfzengenZengde afAfgezengd
AfzepenZeepte afAfgezeept
AfzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette af, heeft afgezet; afzetter, afzetting)
1 van het hoofd, van de schouders enz. nemen
2 uitschakelen
3 (ledematen) van het lichaam scheiden
4 van iemand aftroggelen, ontfutselen
5 (iemand) te veel laten betalen
6 (een ruimte) ontoegankelijk maken
7 uit zijn ambt ontzetten
8 op de plaats van bestemming laten uitstappen
9 (kleding, stoffen) omboorden
10 verkopen
11 de afmetingen van een werkstuk, het verloop van iets door tekens aanduiden
12 laten bezinken of neerslaan.
(wederkerend werkwoord; zette zich af, heeft zich afgezet)
1 zich afduwen tegen iets [[vasts]] en zich zo in beweging zetten.

In Spaans overeenkomend met: Acordonar
Amputar
Quitar, Sacar
Destituir
Guarnecer
Parar
Apear
Estafar
  sAfdoen
Amputeren
Beslaan
Buiten werking stellen
Garneren
Onttronen
Snijden
Stilzetten
Stofferen
Stopzetten
Uitdoen
Uitkrijgen
Uitmonsteren
Uittrekken
Van de troon stoten
Wegsnijden
Zette afAfgezet
AfzeulenZeulde afAfgezeuld
AfzevenZeefde afAfgezeefd
AfzichtenZichtte afAfgezicht
AfzienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; zag af, heeft afgezien)
1 besluiten iets niet te doen of er niet aan te beginnen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; zag af, heeft afgezien)
1 lijden.
([[overgankelijk]] werkwoord; zag af, heeft afgezien)
1 (een vaardigheid) afkijken, door kijken van iemand leren.

In Spaans overeenkomend met: Desistir, Renunciar
Zag afAfgezien
AfziftenZiftte afAfgezift
AfzijgenZeeg afAfgezegen
AfzinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zonk af, heeft afgezonken; afzinking)
1 laten zinken.

Zonk afAfgezonken
AfzittenZat afAfgezeten
AfzodenZoodde afAfgezood
AfzoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zocht af, heeft afgezocht)
1 (een ruimte) doorzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Escudriñar, Indagar, Registrar
  sDoorzoeken
Zocht afAfgezocht
AfzoenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zoende af, heeft afgezoend)
1 door zoenen goedmaken en wegnemen
2 ([[pejoratief]]) langdurig zoenen.

In Spaans overeenkomend met: Besucar
Besuquear
Zoende afAfgezoend
AfzomenZoomde afAfgezoomd
AfzonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[zonderde]] af, heeft afgezonderd; afzondering)
1 afscheiden
2 door scheikundige of andere middelen uit een mengsel of een verbinding afscheiden.
(wederkerend werkwoord; [[zonderde]] zich af, heeft zich afgezonderd)
1 (van mensen) zich van anderen verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Apartar, Dispersar, Segregar, Separar
Aislar, Incomunicar
  sAfscheiden
Alleen zetten
Isoleren
Opzij schuiven
Scheiden
Schiften
Weghalen
Wegzetten
Zonderde afAfgezonderd
AfzoutenZoutte afAfgezouten
AfzuchtenZuchtte afAfgezucht
AfzuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zoog af, heeft afgezogen; afzuiger, afzuiging)
1 door zuigen verwijderen
2 (een man) met de mond seksueel bevredigen.

Zoog afAfgezogen
AfzuipenZoop afAfgezopen
AfzwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwaaide af, is afgezwaaid)
1 (informeel) (van dienstplichtigen) voor onbepaalde tijd uit de dienst weggaan.

Zwaaide afAfgezwaaid
AfzwakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwakte af, is afgezwakt; afzwakking)
1 zwakker worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; zwakte af, heeft afgezwakt)
1 zwakker maken.

Zwakte afAfgezwakt
AfzwemmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwom af, heeft afgezwommen)
1 examen doen voor het behalen van een zwemdiploma.

Zwom afAfgezwommen
AfzwenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwenkte af, is afgezwenkt)
1 zijwaarts afslaan (van colonnes)
2 zich met een draai verwijderen.

Zwenkte afAfgezwenkt
AfzwepenZweepte afAfgezweept
AfzwerenIn de betekenis van: Iets bij ede afschaffen

In Spaans overeenkomend met: Apostatar ((religie),(religión))
Zweerde af, Zwoor afAfgezworen
AfzwerenIn de betekenis van: Door infectie teloorgaan

In Spaans overeenkomend met: Abjurar, Apostatar ((religie),(religión))
Zwoer afAfgezworen
AfzwervenZwierf afAfgezworven
AfzwevenZweefde afAfgezweefd
AfzwierenZwierde afAfgezwierd
AfzwoegenZwoegde afAfgezwoegd
AgenderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; agendeerde, heeft geagendeerd; agendering)
1 op de [[agenda]] plaatsen.

AgendeerdeGeagendeerd
AgerenIn Spaans overeenkomend met: Actuar, Obrar
  sBezig zijn
Doen
Handelen
Optreden
Te werk gaan
AgeerdeGeageerd
AgglomererenAgglomereerdeGeagglomereerd
AgglutinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[agglutineerde]], is geagglutineerd; agglutinatie)
1 samenklonteren.
([[overgankelijk]] werkwoord; [[agglutineerde]], heeft geagglutineerd)
1 doen samenklonteren.

In Spaans overeenkomend met: Aglutinar
  sDoen samenkleven
Samen plakken
AgglutineerdeGeagglutineerd
AggregerenAggregeerdeGeaggregeerd
AgioterenAgioteerdeGeagioteerd
AgiterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; agiteerde, heeft geagiteerd; agitator, agitatie)
1 onrust stoken.
([[overgankelijk]] werkwoord; agiteerde, heeft geagiteerd)
1 (iemand) in een staat van zenuwachtige opwinding brengen.

In Spaans overeenkomend met: Agitar, Perturbar
  sOphitsen
Opruien
Opstoken
Opwinden
Schudden
AgiteerdeGeagiteerd
AgnoscerenAgnosceerdeGeagnosceerd
AkkerenAkkerdeGeakkerd
AlarmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; alarmeerde, heeft gealarmeerd)
1 (ook absoluut) in opschudding brengen
2 door alarm oproepen of bijeenroepen.

In Spaans overeenkomend met: Alarmar, Alertar
  sOp de been brengen
Te wapen roepen
AlarmeerdeGealarmeerd
AlcoholiserenIn Spaans overeenkomend met: Alcoholizar
  sAlcohol voegen bij
AlcoholiseerdeGealcoholiseerd
AlerterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[alerteerde]], heeft gealerteerd)
1 (burgers) alert maken op mogelijk gevaar, bv. attenderen op het risico van een terroristische aanval
2 (bridge) na een bieding van de partner de tegenstander daarop opmerkzaam maken, bv. door een keer op de tafel te slaan.

AlerteerdeGealerteerd
AlfabetiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; alfabetiseerde, heeft gealfabetiseerd; alfabetisering)
1 alfabetisch rangschikken
2 (een groep personen) leren lezen en schrijven.

In Spaans overeenkomend met: Alfabetizar
AlfabetiseerdeGealfabetiseerd
AlignerenAligneerdeGealigneerd
AlkaliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[alkaliseerde]], heeft gealkaliseerd)
1 alkaliën toevoegen aan.

AlkaliseerdeGealkaliseerd
AlkylerenAlkyleerdeGealkyleerd
AllegoriserenAllegoriseerdeGeallegoriseerd
AllitererenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; allitereerde, heeft geallitereerd)
1 een alliteratie vormen.

AllitereerdeGeallitereerd
AllittererenAllittereerdeGeallittereerd
AlliërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; allieerde, heeft geallieerd)
1 (metalen) samensmelten.
(wederkerend werkwoord; allieerde zich, heeft zich geallieerd)
1 een bondgenootschap sluiten.

AllieerdeGeallieerd
AllocerenAlloceerdeGealloceerd
AlluderenIn Spaans overeenkomend met: Aludir, Citar
  sEen toespeling maken
Toespelen
Zinspelen
AlludeerdeGealludeerd
AlpineskiënALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 skiën op betrekkelijk korte, brede ski's waarop men zeer wendbaar is en waarop men hoge snelheid kan bereiken.

AlpineskiedeGealpineskied
AltererenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; altereerde, heeft gealtereerd)
1 veranderen.

AltereerdeGealtereerd
AlternerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; alterneerde, heeft gealterneerd)
1 elkaar afwisselen.

In Spaans overeenkomend met: Alternar
  sElkaar afwisselen
AlterneerdeGealterneerd
AluinenAluindeGealuind
AluminiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; aluminiseerde, heeft gealuminiseerd)
1 een laagje aluminium aanbrengen op.

AluminiseerdeGealuminiseerd
AmalgamerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amalgameerde, heeft geamalgameerd)
1 met kwikzilver legeren
2 samensmelten.

AmalgameerdeGeamalgameerd
AmbiërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ambieerde, heeft geambieerd)
1 dingen naar.

In Spaans overeenkomend met: Ambicionar, Aspirar, Desear
  sAspireren
Dingen naar
Najagen
Nastreven
Streven naar
Verlangen naar
AmbieerdeGeambieerd
AmenderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amendeerde, heeft geamendeerd; amendering)
1 bij amendement wijzigen.

AmendeerdeGeamendeerd
AmerikaniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; amerikaniseerde, is geamerikaniseerd; amerikanisering/amerikanisatie)
1 zich aanpassen aan de [[Amerikaanse]] cultuur.
([[overgankelijk]] werkwoord; amerikaniseerde, heeft geamerikaniseerd)
1 aan de [[Amerikaanse]] cultuur aanpassen.

AmerikaniseerdeGeamerikaniseerd
AmortiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amortiseerde, heeft geamortiseerd; amortisatie)
1 (geldswaardig papier, dat verloren is gegaan) gerechtelijk van onwaarde verklaren
2 (een schuld) aflossen
3 bij biljart (de speelbal) stilleggen door met deze speelbal een aangespeelde bal vol te raken.

In Spaans overeenkomend met: Amortiguar, Amortizar
  sAfbetalen
Aflossen
Afschrijven
AmortiseerdeGeamortiseerd
AmoverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[amoveerde]], heeft geamoveerd)
1 (formeel) uit een ambt of functie ontzetten
2 (formeel) afbreken, slopen.

AmoveerdeGeamoveerd
AmplificerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amplificeerde, heeft geamplificeerd; amplificatie)
1 vergroten, uitbreiden.

AmplificeerdeGeamplificeerd
AmputerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amputeerde, heeft geamputeerd; amputatie)
1 (een lichaamsdeel) afzetten.

In Spaans overeenkomend met: Amputar
  sAfzetten
Wegsnijden
AmputeerdeGeamputeerd
AmuserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; amuseerde, heeft geamuseerd)
1 vermaken, aangenaam bezighouden.
(wederkerend werkwoord; amuseerde zich, heeft zich geamuseerd)
1 zich vermaken.

In Spaans overeenkomend met: Divertir, Entretener
  sOnderhouden
Opvrolijken
Vermaken
AmuseerdeGeamuseerd
AnalogiserenAnalogiseerdeGeanalogiseerd
AnalyserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; analyseerde, heeft geanalyseerd)
1 een analyse toepassen op.

In Spaans overeenkomend met: Analizar
AnalyseerdeGeanalyseerd
AnatomiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; anatomiseerde, heeft geanatomiseerd)
1 ontleden.

AnatomiseerdeGeanatomiseerd
AnimerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; animeerde, heeft geanimeerd)
1 (iemand) lust geven om iets te doen.

In Spaans overeenkomend met: Animar
  sAanmoedigen
Bemoedigen
Bezielen
Opmonteren
Opvrolijken
Opwekken
AnimeerdeGeanimeerd
AnkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ankerde, heeft/is geankerd; ankering)
1 voor anker gaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; ankerde, heeft geankerd)
1 voor anker leggen
2 (bouwkunde) met ankers vastmaken.

In Spaans overeenkomend met: Aferrar, Anclar, Fondear
  sHet anker uitwerpen
Ten anker liggen
Voor anker liggen
AnkerdeGeankerd
AnnexerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; annexeerde, heeft geannexeerd; annexatie)
1 (een gebied) al of niet gewelddadig bij het eigen grondgebied inlijven
2 zich toe-eigenen.

In Spaans overeenkomend met: Anexar, Anexionar
AnnexeerdeGeannexeerd
AnnoncerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; annonceerde, heeft geannonceerd)
1 per advertentie bekendmaken
2 een bod doen bij het kaartspel.

In Spaans overeenkomend met: Anunciar
  sAandienen
Aankondigen
Adverteren
Bekend maken
AnnonceerdeGeannonceerd
AnnoterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; annoteerde, heeft geannoteerd; annotatie)
1 van verklarende aantekeningen voorzien.

AnnoteerdeGeannoteerd
AnnulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; annuleerde, heeft geannuleerd; annulering)
1 afgelasten.

In Spaans overeenkomend met: Anular, Cancelar, Contramandar
  sAfgelasten
Ontbinden
Tenietdoen
Terugnemen
AnnuleerdeGeannuleerd
AnodiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; anodiseerde, heeft geanodiseerd; anodisering/anodisatie)
1 (aluminium en aluminiumlegeringen) [[elektrolytisch]] oxideren.

AnodiseerdeGeanodiseerd
AnonimiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; anonimiseerde, heeft geanonimiseerd; anonimiseerder, anonimisering)
1 anoniem maken.

AnonimiseerdeGeanonimiseerd
AntecederenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; antecedeerde, heeft geantecedeerd)
1 de voorrang hebben.

AntecedeerdeGeantecedeerd
AntedaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie antidateren.

In Spaans overeenkomend met: Antedatar
AntedateerdeGeantedateerd
AntichambrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[antichambreerde]], heeft geantichambreerd)
1 zijn opwachting maken.

AntichambreerdeGeantichambreerd
AnticiperenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; anticipeerde, heeft geanticipeerd)
1 vanuit een bepaalde verwachting handelen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; anticipeerde, heeft geanticipeerd; anticipatie)
1 voor iets anders plaatshebben
2 (juridisch) het recht van anticipatie uitoefenen
3 van tevoren beschikken over later inbare of vervallende bedragen.

In Spaans overeenkomend met: Avanzar
Anticipar
  sPrejudiciëren
Vooruitlopen
Vooruitlopen op
AnticipeerdeGeanticipeerd
AntidaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[antidateerde]], heeft geantidateerd)
1 voorzien van een te vroege datum.

In Spaans overeenkomend met: Antedatar
AntidateerdeGeantidateerd
AntwoordenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; antwoordde, heeft geantwoord; antwoorder)
1 een mondeling of schriftelijk antwoord geven
2 reageren door een daad of handeling.

In Spaans overeenkomend met: Replicar
Contestar, Chistar, Rechistar, Reponer, Responder
Contestar a, Responder a
  sAntwoord geven
Antwoorden op
Repliceren
AntwoorddeGeantwoord
ApaiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[apaiseerde]], heeft geapaiseerd)
1 kalmeren.

ApaiseerdeGeapaiseerd
ApocoperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; apocopeerde, heeft geapocopeerd)
1 (taalkunde) (een slotklank) weglaten.

ApocopeerdeGeapocopeerd
ApostillerenIn Spaans overeenkomend met: Apostillar
  sKanttekeningen maken bij
ApostilleerdeGeapostilleerd
ApparenterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; apparenteerde, heeft geapparenteerd)
1 (in [[België]]) (verkiezingslijsten) volgens het systeem van apparentering met elkaar verbinden ter verdeling van de restzetels.

ApparenteerdeGeapparenteerd
AppeasenAppeasede, AppeaseteGeappeased, Geappeaset
AppellerenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; appelleerde, heeft geappelleerd)
1 een beroep doen op, speculeren op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; appelleerde, heeft geappelleerd)
1 in hoger beroep gaan
2 (sport) als speler de aandacht van een scheidsrechter vestigen op een bepaalde spelsituatie.

In Spaans overeenkomend met: Apelar
  sEen beroep doen op
In appel gaan
In beroep gaan
AppelleerdeGeappelleerd
ApplaudisserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; applaudisseerde, heeft geapplaudisseerd)
1 in de handen klappen als teken van goedkeuring of bewondering.

In Spaans overeenkomend met: Palmear, Vitorear
Aplaudir
  sAdhesie betuigen
Bejubelen
Klappen
Toejuichen
ApplaudisseerdeGeapplaudisseerd
ApplicerenAppliceerdeGeappliceerd
AppliquerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; appliqueerde, heeft geappliqueerd)
1 voorzien van oplegwerk.

AppliqueerdeGeappliqueerd
ApporterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; apporteerde, heeft geapporteerd)
1 (van honden) (een weggeworpen voorwerp) terugbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Portar
ApporteerdeGeapporteerd
AppreciërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; apprecieerde, heeft geapprecieerd; appreciatie)
1 beoordelen
2 waarderen.

In Spaans overeenkomend met: Apreciar
ApprecieerdeGeapprecieerd
AppreterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[appreteerde]], heeft geappreteerd)
1 (textiel) nader behandelen, verstevigen e.d.

AppreteerdeGeappreteerd
ApprovianderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; approviandeerde, heeft geapproviandeerd; approviandering)
1 bevoorraden.

ApproviandeerdeGeapproviandeerd
ApproximerenApproximeerdeGeapproximeerd
Après-skiënALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; après-skiede, heeft geaprès-skied)
1 zich ontspannen na het skiën.

Après-skiedeGeaprès-skied
AquarellerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[aquarelleerde]], heeft geaquarelleerd)
1 in waterverf schilderen.

AquarelleerdeGeaquarelleerd
ArabiserenArabiseerdeGearabiseerd
ArbeidenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; arbeidde, heeft gearbeid; arbeider)
1 werk verrichten.

In Spaans overeenkomend met: Trabajar
  sWerken
ArbeiddeGearbeid
ArbitrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[arbitreerde]], heeft gearbitreerd)
1 (juridisch) door arbitrage afdoen
2 (sport) als scheidsrechter leiden.

ArbitreerdeGearbitreerd
ArcerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; arceerde, heeft gearceerd; arcering)
1 (op een oppervlak) dicht naast elkaar geplaatste, onderling evenwijdige lijnen trekken, om de verschillende vlakken te laten uitkomen.

In Spaans overeenkomend met: Sombrear con rayas
Sombrear
  sSchaduwen
ArceerdeGearceerd
ArchaïserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; archaïseerde, heeft gearchaïseerd)
1 (iets) van een ouderwets uiterlijk voorzien.

ArchaïseerdeGearchaïseerd
ArchiverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; archiveerde, heeft gearchiveerd; archivering)
1 behandelen voor en opbergen in het archief.

In Spaans overeenkomend met: Archivar
ArchiveerdeGearchiveerd
ArdoiserenArdoiseerdeGeardoiseerd
ArenAardeGeaard
ArgumenterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; argumenteerde, heeft geargumenteerd; argumentatie)
1 bewijsgronden aanvoeren.
([[overgankelijk]] werkwoord; argumenteerde, heeft geargumenteerd)
1 met argumenten staven.

In Spaans overeenkomend met: Argumentar, Argüir
  sBetogen
Bewijsgronden aanvoeren
ArgumenteerdeGeargumenteerd
ArgwanenArgwaandeGeargwaand
Armworstelen
AromatiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aromatiseerde, heeft gearomatiseerd)
1 kruiden, [[aroma]] geven.

In Spaans overeenkomend met: Aromatizar, Perfumar
AromatiseerdeGearomatiseerd
ArrangerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; arrangeerde, heeft gearrangeerd; arrangeur)
1 ordenen zodat een ordelijk of sierlijk geheel ontstaat
2 de schikkingen treffen waardoor iets op de gewenste wijze kan plaatshebben of aflopen
3 (juridisch) (een geschil) bij schikking afdoen
4 (een muziekstuk) voor een andere instrumentale uitvoering geschikt maken dan waarvoor het oorspronkelijk geschreven was.

In Spaans overeenkomend met: Arreglar
  sAanrichten
Ordenen
ArrangeerdeGearrangeerd
ArrenArdeGeard
ArresterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; arresteerde, heeft gearresteerd; arrestatie)
1 in hechtenis nemen
2 beslag leggen op
3 bij besluit vaststellen.

In Spaans overeenkomend met: Arrestar, Detener
  sAanhouden
In verzekerde bewaring nemen
Inrekenen
Stoppen
ArresteerdeGearresteerd
ArriverenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; arriveerde, is gearriveerd)
1 aankomen.

In Spaans overeenkomend met: Llegar
  sAankomen
ArriveerdeGearriveerd
ArroserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[arroseerde]], heeft gearroseerd)
1 ([[culinaria]]) bedruipen.

In Spaans overeenkomend met: Regar
  sArroser
ArroseerdeGearroseerd
ArticulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; articuleerde, heeft gearticuleerd; articulatie)
1 (woorden) nauwkeurig en duidelijk uitspreken.

ArticuleerdeGearticuleerd
AsemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; asemde, heeft geasemd)
1 (informeel) ademen.

AsemdeGeasemd
AsfalterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; asfalteerde, heeft geasfalteerd; asfaltering)
1 met asfalt bestraten.

In Spaans overeenkomend met: Asfaltar
AsfalteerdeGeasfalteerd
AsfyxiërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[asfyxieerde]], heeft geasfyxieerd)
1 door inademing van gassen laten stikken.

AsfyxieerdeGeasfyxieerd
AspirerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; aspireerde, heeft geaspireerd; aspiratie)
1 met [[aanblazing]] uitspreken
2 (geneeskunde) opzuigen.

In Spaans overeenkomend met: Aspirar, Desear
  sAmbiëren
Dingen naar
Najagen
Nastreven
Streven naar
AspireerdeGeaspireerd
AssaisonerenIn Spaans overeenkomend met: Sazonar
  sAssaisoner
Op smaak brengen
AssaisoneerdeGeassaisoneerd
AssemblerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; assembleerde, heeft geassembleerd; assembleur, assemblage)
1 (machines e.d.) uit elders gemaakte onderdelen in elkaar zetten
2 (computer) een programma omzetten in binaire machinetaal.

AssembleerdeGeassembleerd
AsserterenAsserteerdeGeasserteerd
AssignerenAssigneerdeGeassigneerd
AssimilerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; assimileerde, is geassimileerd; assimilatie)
1 (taalkunde) (van twee aangrenzende medeklinkers) geheel of gedeeltelijk gelijk worden
2 zich aanpassen.
([[overgankelijk]] werkwoord; assimileerde, heeft geassimileerd)
1 [[gelijkvormig]] maken, gelijkstellen
2 (taalkunde) (twee aangrenzende medeklinkers) geheel of gedeeltelijk gelijkmaken
3 (biologie) (voedingsstoffen) opnemen en in organisch weefsel omzetten
4 in zich opnemen.

In Spaans overeenkomend met: Asimilar
  sIn zich opnemen
AssimileerdeGeassimileerd
AssisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; assisteerde, heeft geassisteerd; assistent, assistentie)
1 (iemand) bij de uitvoering van iets bijstaan.

In Spaans overeenkomend met: Asistir
  sBijstaan
Helpen
Meehelpen
Ter zijde staan
Verzorgen
AssisteerdeGeassisteerd
AssociërenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; associeerde, heeft geassocieerd)
1 in een biologische gemeenschap verbinden.
(wederkerend werkwoord; associeerde zich, heeft zich geassocieerd)
1 zich met een ander verbinden om zakelijke redenen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; associeerde, heeft geassocieerd; associatie)
1 in gedachten dingen met elkaar in verband brengen.

In Spaans overeenkomend met: Asociar
  sVerenigen
AssocieerdeGeassocieerd
AssonerenIn Spaans overeenkomend met: Asonantar
Asonar
AssoneerdeGeassoneerd
AssorterenAssorteerdeGeassorteerd
AssumerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; assumeerde, heeft geassumeerd; assumptie)
1 (leden) toevoegen aan de eigen commissie
2 veronderstellen.

AssumeerdeGeassumeerd
AssurerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; assureerde, heeft geassureerd)
1 verzekeren.

In Spaans overeenkomend met: Asegurar, Hacer un segura
  sVeilig stellen
Verzekeren
AssureerdeGeassureerd
AtomiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; atomiseerde, heeft geatomiseerd; atomisering)
1 tot in de [[kleinst]] mogelijke delen verdelen.

AtomiseerdeGeatomiseerd
AtrofiërenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; atrofieerde, is geatrofieerd)
1 (geneeskunde) atrofie vertonen.

AtrofieerdeGeatrofieerd
AttacherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; attacheerde, heeft geattacheerd)
1 als attaché toevoegen.

AttacheerdeGeattacheerd
AttaquerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; attaqueerde, heeft geattaqueerd)
1 (iemand) aanvallen.

In Spaans overeenkomend met: Agredir, Atacar
  sAangrijpen
Aantasten
Aanvallen
Tackelen
AttaqueerdeGeattaqueerd
AttenAtteGeat
AttenderenAttendeerdeGeattendeerd
AttesterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[attesteerde]], heeft geattesteerd)
1 met een attest bekrachtigen.

AttesteerdeGeattesteerd
AttraperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; attrapeerde, heeft geattrapeerd)
1 op heterdaad betrappen.

AttrapeerdeGeattrapeerd
AttribuerenAttribueerdeGeattribueerd
AuditerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; auditeerde, heeft geauditeerd)
1 auditie doen.

AuditeerdeGeauditeerd
AuralezenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 emoties, karaktertrekken en fysieke gesteldheid aflezen aan [[iemands]] aura.

AusculterenIn Spaans overeenkomend met: Auscultar
AusculteerdeGeausculteerd
AuthenticerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[authenticeerde]], heeft geauthenticeerd)
1 rechtsgeldig maken.

AuthenticeerdeGeauthenticeerd
AuthentiserenAuthentiseerdeGeauthentiseerd
AutodatenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 autodelen.

AutodateteGeautodatet
AutomatiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; automatiseerde, heeft geautomatiseerd; automatisering)
1 (een proces) automatisch maken, automatisch laten werken
2 overgaan op een productiewijze waarbij handwerk vervangen is door computers.

In Spaans overeenkomend met: Automatizar
AutomatiseerdeGeautomatiseerd
AutomutilerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[automutileerde]], heeft geautomutileerd)
1 zichzelf opzettelijk verminken.

AutomutileerdeGeautomutileerd
AutopettenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; is geautopet)
1 steppen.

AutopetteGeautopet
AutorijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; reed auto, heeft autogereden)
1 een auto besturen.

In Spaans overeenkomend met: Conducir, Conducir un coche
Reed autoAutogereden
AutoriserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; autoriseerde, heeft geautoriseerd; autorisatie)
1 machtigen
2 [[geldigheid]] geven.

In Spaans overeenkomend met: Autorizar
  sMachtigen
AutoriseerdeGeautoriseerd
AvalerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; avaleerde, heeft geavaleerd)
1 aval geven, voor aval tekenen.

AvaleerdeGeavaleerd
AvancerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; avanceerde, is geavanceerd)
1 voorwaarts gaan
2 in rang bevorderd worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; avanceerde, heeft geavanceerd)
1 (handel) op voorschot geven.

In Spaans overeenkomend met: Ascender, Subir en categoría
  sIn rang opklimmen
Oprukken
Overgaan
Promotie maken
AvanceerdeGeavanceerd
AviverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[aviveerde]], heeft geaviveerd; avivage)
1 (geverfde weefsels) [[helderder]], glanziger maken.

AviveerdeGeaviveerd
AvondmalenAvondmaaldeGeavondmaald
AvonturenAvontuurdeGeavontuurd
AvonturierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; avonturierde, heeft geavonturierd)
1 op avontuur gaan, het geluk beproeven.

AvonturierdeGeavonturierd
AzenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; aasde, heeft geaasd)
1 hebzuchtig naar iets verlangen
2 (van dieren) iets als prooi begeren.
([[overgankelijk]] werkwoord; aasde, heeft geaasd)
1 (wild waarop gejaagd wordt) aas geven, voeren
2 (een hengel of een [[hoekwant]]) van aas voorzien.

AasdeGeaasd

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

arriba