Lijst van 12405 Nederlandse werkwoorden

Ga naar lijst Spaanse werkwoorden
Ir a lista de verbos españoles
Laatst gewijzigd:       05 Feb 2018
Última Actualización: 05 Feb 2018

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

InfinitiefVerleden tijdVoltooid deelwoord
Baaivangen
BaanderenBaanderdeGebaanderd
BaantjerijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 op de ijsbaan heen en weer rijden.

BabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; babbelde, heeft gebabbeld; babbelaar)
1 kletsen.

In Spaans overeenkomend met: Coloquiar, Charlar, Parlotear, Picotear
  sKeuvelen
Kletsen
Praten
Spreken
BabbeldeGebabbeld
BabysittenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; babysitte, heeft gebabysit; babysitter)
1 als babysit optreden.

BabysitteGebabysit
Back-uppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[back-upte]], heeft geback-upt)
1 een back-up maken.

Back-upteGeback-upt
BackenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[backte]], heeft gebackt)
1 (iemand) steunen
2 (muziek) (iemand) instrumentaal of vocaal begeleiden.

BackteGebackt
BackpackenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; backpackte, heeft gebackpackt)
1 als [[backpacker]] reizen.

BackpackteGebackpackt
BadderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; badderde, heeft gebadderd)
1 (informeel) in het bad spelen.

BadderdeGebadderd
BadenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; baadde, heeft gebaad)
1 een overvloed bezitten van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; baadde, heeft gebaad)
1 zijn lichaam geheel of gedeeltelijk in het water dompelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; baadde, heeft gebaad)
1 in een bad doen.

In Spaans overeenkomend met: Bañar
Bañarse
  sEen bad nemen
In bad doen
Wassen
BaaddeGebaad
BadinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; badineerde, heeft gebadineerd)
1 minachtend schertsen.

BadineerdeGebadineerd
BadmintonnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[badmintonde]], heeft gebadmintond; badmintonner)
1 badminton spelen.

BadmintondeGebadmintond
BagatelliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bagatelliseerde, heeft gebagatelliseerd; bagatellisering)
1 als iets [[onbeduidends]] voorstellen of behandelen.

BagatelliseerdeGebagatelliseerd
BaggelenBaggeldeGebaggeld
BaggerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baggerde, heeft gebaggerd; baggeraar)
1 (informeel) door de bagger lopen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; baggerde, heeft gebaggerd)
1 (modder e.d.) van de [[waterbodem]] halen met een baggermolen.

In Spaans overeenkomend met: Dragar
  sOpbaggeren
Uitbaggeren
BaggerdeGebaggerd
BakenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bakende, heeft gebakend)
1 met bakens afzetten.

BakendeGebakend
BakerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bakerde, heeft gebakerd)
1 als baker werkzaam zijn.

In Spaans overeenkomend met: Envolver, Vendar
  sInbakeren
Insluiten
Inzwachtelen
Omwikkelen
BakerdeGebakerd
BakkeleienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bakkeleide, heeft gebakkeleid)
1 (informeel) kibbelen.

BakkeleideGebakkeleid
BakkenIn de betekenis van:
1 (informeel) zonnebaden
2 (deeg of beslag) gaar maken in een sterk verhitte oven of op een heet vuur
3 (spijzen) door verhitting met vet gaar maken
4 (klei) door sterke verhitting hard laten worden

In Spaans overeenkomend met: Cocer
Freír
Hornear
  sBraden
BakteGebakken
BakkenIn de betekenis van:
1 (informeel) zakken voor een examen
2 triktrakken, sjoelbakken

In Spaans overeenkomend met:
  sBraden
BakteGebakt
BaksenBaksteGebakst
BakzeilhalenHaalde bakzeilBakzeilgehaald
BalancerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; balanceerde, heeft gebalanceerd)
1 zich met kleine schommelingen in evenwicht houden.
([[overgankelijk]] werkwoord; balanceerde, heeft gebalanceerd)
1 (techniek) uitbalanceren.

In Spaans overeenkomend met: Balancear
Abalanzar
  sDe balans in evenwicht brengen
Hobbelen
In evenwicht brengen
Schommelen
Wiegelen
Wiegen
Wippen
BalanceerdeGebalanceerd
BalderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; balderde, heeft gebalderd)
1 (van kor- en auerhoenders) roepen en dansen in de paartijd.

BalderdeGebalderd
BaldoverenBaldoverdeGebaldoverd
BalenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; baalde, heeft gebaald)
1 (informeel) geen plezier hebben in.
([[onovergankelijk]] werkwoord; baalde, heeft gebaald)
1 (informeel) zich ergeren.
([[overgankelijk]] werkwoord; baalde, heeft gebaald)
1 tot een baal of balen vormen.

BaaldeGebaald
BalkaniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; balkaniseerde, is gebalkaniseerd; balkanisering)
1 (van een land) in kleine gedeelten uiteenvallen.
([[overgankelijk]] werkwoord; balkaniseerde, heeft gebalkaniseerd)
1 (een land) in chaotische toestand brengen door het in kleine stukken te verdelen.

BalkaniseerdeGebalkaniseerd
BalkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; balkte, heeft gebalkt; balker)
1 het voor ezels kenmerkende geluid laten horen.

In Spaans overeenkomend met: Rebuznar ((van een ezel))
  sBlaten
Brullen
Grommen
Hinniken
Loeien
Schreeuwen
BalkteGebalkt
BallastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; ballastte, heeft geballast)
1 van ballast voorzien.

BallastteGeballast
BallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; balde, heeft gebald)
1 met de bal spelen.
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BaldeGebald
BallonvarenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; ballonvaarder)
1 reizen met een luchtballon.

BalloterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[balloteerde]], heeft geballoteerd; ballotage)
1 stemmen over [[iemands]] toelating als lid van een sociëteit of vereniging
2 het heen en weer bewegen van een vast voorwerp in een vloeistof
3 (in [[België]]) herstemmen.

In Spaans overeenkomend met: Balotar, Votar
  sKiezen
Stemmen
BalloteerdeGeballoteerd
BalsemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; balsemde, heeft gebalsemd; balseming)
1 met balsem of andere welriekende dingen geurig maken
2 (een lijk) inwendig van bederfwerende stoffen voorzien
3 met geneeskrachtige balsem lichaamspijn verzachten
4 door troost en opbeuring smart lenigen.

In Spaans overeenkomend met: Embalsamar
  sMet balsem bestrijken
BalsemdeGebalsemd
BaltsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baltste, heeft gebaltst)
1 een [[paringsdans]] uitvoeren.

BaltsteGebaltst
BamzaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[bamzaaide]], heeft gebamzaaid)
1 loten door te raden naar het aantal [[lucifers]], knikkers of knopen dat iemand in de gesloten hand houdt.

BamzaaideGebamzaaid
BandagerenBandageerdeGebandageerd
BanderollerenBanderolleerdeGebanderolleerd
BandstotenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bandstoter)
1 biljartspel waarbij de speelbal, alvorens de derde bal te raken, een of meer banden geraakt moet hebben.

BanenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BaandeGebaand
BanjerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; banjerde, heeft/is gebanjerd)
1 (informeel) drukdoenerig, met grote stappen lopen.

BanjerdeGebanjerd
BankdrukkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 (sport) bepaalde techniek voor spiertraining.

BankdrukteGebankdrukt
BankenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bankte, heeft gebankt)
1 (spel) eenentwintigen
2 op een zandbank in zee vissen.

BankteGebankt
BanketterenBanketteerdeGebanketteerd
BankierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bankierde, heeft gebankierd)
1 als geldbeheerder optreden
2 zaken doen bij een bank.

BankierdeGebankierd
BankwerkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bankwerker)
1 metaal bewerken aan een werkbank.

BannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bande, heeft gebannen; banning)
1 in de ban doen
2 door bezwering verdrijven.

In Spaans overeenkomend met: Extrañar
  sVerbannen
BandeGebannen
BanvloekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[banvloekte]], heeft gebanvloekt)
1 de banvloek uitspreken over.

BanvloekteGebanvloekt
BaratterenBaratteerdeGebaratteerd
BarbecueënALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; barbecuede, heeft gebarbecued)
1 vlees roosteren op een barbecue.

BarbecuedeGebarbecued
BarbierenBarbierdeGebarbierd
BarderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bardeerde]], heeft gebardeerd)
1 (een stuk vlees of wildbraad) voor het braden omwikkelen met dunne [[plakjes]] spek.

In Spaans overeenkomend met: Albardar, Bardar, Barder
  sIn spek wikkelen
Met spek afgedekt braden
Pikeren
BardeerdeGebardeerd
BarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; baarde, heeft gebaard; baring)
1 (een kind) ter wereld brengen.

In Spaans overeenkomend met: Dar a luz, Engendrar, Parir
  sBevallen
Het leven schenken
Teweegbrengen
Voortbrengen
BaardeGebaard
BarnenBarndeGebarnd
BarrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; barreerde, heeft gebarreerd)
1 ([[paardensport]]) een hindernisbalk tijdens de sprong tegen de benen van een paard laten komen om het paard te leren de sprong hoog te nemen en zijn benen sterk in te trekken.

BarreerdeGebarreerd
BarricaderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; barricadeerde, heeft gebarricadeerd; barricadering)
1 (een doorgang) door het opwerpen van een barricade versperren.

In Spaans overeenkomend met: Trancar
  sSluiten
BarricadeerdeGebarricadeerd
BarstenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; barstte, is gebarsten)
1 vergaan van, lijden door
2 (informeel) vol zitten met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; barstte, is gebarsten)
1 scheuren, splijten.

In Spaans overeenkomend met: Reventarse
Cuartearse, Henderse, Resquebrajarse
Estallar, Reventar, Saltar
  sBersten
In de lucht springen
Ontploffen
Openbarsten
Openbersten
Openspringen
Scheuren
Splijten
Springen
BarstteGebarsten
BaseballenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baseballde, heeft gebaseballd; baseballer)
1 honkballen.

BaseballdeGebaseballd
BasenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[basede]], heeft gebased)
1 (informeel) cocaïne roken uit een waterpijp.

BasedeGebased
BaserenIn Spaans overeenkomend met: Basar
Fundar, Instituir, Motivar
  sFunderen
Gronden
Grondvesten
Stichten
Vestigen
BaseerdeGebaseerd
BasketballenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; basketbalde, heeft gebasketbald; basketballer)
1 basketbal spelen.

BasketbaldeGebasketbald
BaskettenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baskette, heeft gebasket)
1 (in [[België]], niet algemeen) basketballen.

BasketteGebasket
BassenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baste, heeft gebast)
1 blaffen met een diep geluid
2 snauwen, tekeergaan
3 een basinstrument bespelen.

BasteGebast
BastaarderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bastaardeerde, heeft gebastaardeerd; bastaardering)
1 (biologie) bastaarden vormen door natuurlijke of kunstmatige bevruchting van twee erfelijk verschillende geslachtscellen.

BastaardeerdeGebastaardeerd
BatenALLE betekenissen van dit woord:
(zelfstandig naamwoord, meervoud)
1 (boekhouden) het geld dat voor iets ontvangen is of ontvangen moet worden.
([[onovergankelijk]] werkwoord; baatte, heeft gebaat)
1 (van zaken) helpen.

In Spaans overeenkomend met: Auxiliar, Ayudar
Aprovechar, Ser útil, Servir
  sBijstaan
Helpen
Ter zijde staan
Van nut zijn
BaatteGebaat
BatikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; batikte, heeft gebatikt; batikker)
1 (weefsels) in figuren verven door het gedeelte dat niet gekleurd moet worden met was te bedekken.

BatikteGebatikt
BatsenBatsteGebatst
BattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; batte, heeft gebat)
1 bij cricket het bat hanteren ter verdediging van het wicket.

BatteGebat
BauwenBauwdeGebauwd
BazelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bazelde, heeft gebazeld; bazelaar)
1 onzin praten.

In Spaans overeenkomend met: Desatinar
  sKolderen
Raaskallen
BazeldeGebazeld
BazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; baasde, heeft gebaasd)
1 de baas spelen.

BaasdeGebaasd
BeademenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beademde, heeft beademd; beademing)
1 (een patiënt) kunstmatige ademhaling toedienen met de mond of met een beademingstoestel
2 de adem laten gaan over (iets).

BeademdeBeademd
BeamenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beaamde, heeft beaamd; beaming)
1 instemmen met.

In Spaans overeenkomend met: Aprobar
Afirmar, Asentir, Confirmar
  sBevestigen
Billijken
Goedkeuren
Ja zeggen
Toestemmen
BeaamdeBeaamd
BeangstenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beangstte, heeft beangst)
1 beangstigen.

BeangstteBeangst
BeangstigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beangstigde, heeft beangstigd)
1 bang maken.

In Spaans overeenkomend met: Abatatar
BeangstigdeBeangstigd
BeantwoordenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beantwoordde, heeft beantwoord)
1 voldoen aan.
([[overgankelijk]] werkwoord; beantwoordde, heeft beantwoord)
1 de informatie geven waar om gevraagd is.

In Spaans overeenkomend met: Contestar a, Responder a
BeantwoorddeBeantwoord
BearbeidenBearbeiddeBearbeid
BeargumenterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[beargumenteerde]], heeft beargumenteerd; beargumentering)
1 argumenten geven voor.

BeargumenteerdeBeargumenteerd
BeasemenBeasemdeBeasemd
BeatjuggelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[beatjuggelde]], heeft gebeatjuggeld)
1 scratchen op de beat van de muziek.

BeatjuggeldeGebeatjuggeld
BebakenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bebakende]], heeft bebakend; bebakening)
1 (een vaarwater) van bakens voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Abalizar
Balizar
BebakendeBebakend
BebindenBebondBebonden
BebloemenBebloemdeBebloemd
BeboerenBeboerdeBeboerd
BeboetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beboette, heeft beboet; beboeting)
1 bekeuren.

In Spaans overeenkomend met: Multar
BeboetteBeboet
BebossenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beboste, heeft bebost; bebossing)
1 met bomen beplanten.

BebosteBebost
BeboterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beboterde, heeft beboterd)
1 met boter besmeren.

BeboterdeBeboterd
BebouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bebouwde, heeft bebouwd; bebouwer, bebouwing)
1 (een terrein) met gebouwen bezetten
2 met gewassen beplanten.

In Spaans overeenkomend met: Cultivar ((landbouwgrond met gewassen beplanten)), Labrar ((landbouwgrond met gewassen beplanten))
Cubrir de construcciones, Urbanizar ((opbouw stratenpatroon))
  sAankweken
Beschaven
Kweken
Telen
Verbouwen
BebouwdeBebouwd
BebroedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bebroedde, heeft bebroed; bebroeding)
1 broeden op.

BebroeddeBebroed
BecijferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; becijferde, heeft becijferd; becijfering)
1 uitrekenen
2 door cijfers aanwijzen
3 (muziek) notaties door cijfers aangeven.

In Spaans overeenkomend met: Cifrar ((),(Valorar cuantitativamente, en especial pérdidas y ganancias))
Calcular
  sBerekenen
Calculeren
Notaties door cijfers aangeven
Rekenen
Tellen
Uitrekenen
BecijferdeBecijferd
BecommentariërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[becommentarieerde]], heeft becommentarieerd; becommentariëring)
1 van commentaar voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Comentar
BecommentarieerdeBecommentarieerd
BeconcurrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beconcurreerde, heeft beconcurreerd; beconcurrering)
1 concurrentie aandoen.

BeconcurreerdeBeconcurreerd
BedammenBedamdeBedamd
BedampenBedampteBedampt
BedankenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bedankte, heeft bedankt)
1 weigeren aan te nemen
2 zijn lidmaatschap of abonnement opzeggen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bedankte, heeft bedankt)
1 zijn erkentelijkheid tot uitdrukking brengen tegenover (iemand).

In Spaans overeenkomend met: Agradecer, Dar gracias, Dar gracias a
Darse de baja, Dimitir, Hacer dimisión
  sAftreden
Bedanken voor
Dank betuigen
Dankbaar zijn
Dankbaar zijn voor
Danken
Te danken hebben
Uittreden
BedankteBedankt
BedarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bedaarde, heeft bedaard)
1 tot rust komen.

In Spaans overeenkomend met: Aplacarse, Serenarse
Tranquilizar
Apaciguar, Apaciguarse, Calmar, Sedar ((weinig gebruikt werkwoord),(verbo poco usado)), Sosegar
Aquietar, Aquietarse, Calmarse, Sosegarse, Tranquilizarse
  sGerust stellen
Geruststellen
Kalmeren
Stillen
Tot rust komen
BedaardeBedaard
BedauwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedauwde, heeft bedauwd)
1 met dauw bedekken.

BedauwdeBedauwd
BedekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedekte, heeft bedekt; bedekker, bedekking)
1 aan het oog onttrekken door er iets over of op te leggen.

In Spaans overeenkomend met: Cobijar, Cubrir, Tapar
Nublar
  sBeleggen
Dekken
Toedekken
BedekteBedekt
BedelenIn de betekenis van: Een vaste uitdeling geven aan

In Spaans overeenkomend met:
Asistir
  sSchooien
BedeeldeBedeeld
bedelenIn de betekenis van:
Aalmoezen vragen => zijn hand ophouden

In Spaans overeenkomend met: Mendigar, Pedir limosnaPedir
  sSchooien
BedeldeGebedeld
BedelvenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bedolf, heeft bedolven)
1 overstelpen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bedolf, heeft bedolven; bedelving)
1 geheel bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Enterrar, Sepultar
  sOverstelpen
Verpletteren
BedolfBedolven
BedenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedacht, heeft bedacht; bedenker, bedenking)
1 zijn gedachten laten gaan over, denken over
2 (een concept) door nadenken vinden
3 tot het besef of inzicht komen
4 iets schenken aan.
(wederkerend werkwoord; bedacht zich, heeft zich bedacht)
1 op zijn besluit terugkomen, van gedachten veranderen.

In Spaans overeenkomend met: Discurrir ((door nadenken vinden, verzinnen)), Fraguar ((door nadenken vinden, verzinnen)), Idear ((door nadenken vinden, verzinnen)), Imaginar ((door nadenken vinden, verzinnen)), Inventar ((door nadenken vinden, verzinnen)), Inventarse ((door nadenken vinden, verzinnen))
Legar ((iets schenken aan))
Meditar ((gedachten laten gaan over, denken over, overwegen))
  sNadenken
Overdenken
Uitdenken
Uitkienen
Verzinnen
Wikken
Zinnen
Zinnen op
BedachtBedacht
BedervenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bedierf, is bedorven)
1 tot bederf overgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; bedierf, heeft bedorven)
1 verknoeien
2 (iemand) te veel verwennen en zo veeleisend maken.

In Spaans overeenkomend met: Aguar ((iets kapot maken, doen verrotten, verknoeien: Hij bedierf de pret met zijn gezeur.)), Desmejorar, Estropear ((iets kapot maken, doen verrotten, verknoeien: Hij bedierf de pret met zijn gezeur.))
Desmejorarse, Echar a perder
Corromper
Corromperse, Pudrirse
Consentir, Mimar
  sBeschadigen
Doen mislukken
Havenen
Knoeien
Rotten
Schaden
Schenden
Stuk maken
Stukmaken
Toetakelen
Vergaan
Verknoeien
Verpesten
Verrotten
BedierfBedorven
BedibberenBedibberdeBedibberd
BediedenBedieddeBedied
BedienenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bediende, heeft bediend)
1 gebruiken, [[gebruikmaken]] van.
([[overgankelijk]] werkwoord; bediende, heeft bediend; bediening)
1 (iemand) dienen, helpen
2 bestellingen opnemen en opdienen in een restaurant, café enz.
3 (een toestel) doen functioneren
4 ([[rooms-katholiek]]) de laatste sacramenten toedienen aan (iemand).
(wederkerend werkwoord; bediende zich, heeft zich bediend)
1 van de aanwezige spijzen een deel gebruiken.

In Spaans overeenkomend met: Atender
Viaticar
Prestar servicio, Servir
  sDienen
Helpen
Van dienst zijn
Zalven
BediendeBediend
BedijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedijkte, heeft bedijkt; bedijker, bedijking)
1 een dijk leggen langs of om.

BedijkteBedijkt
BedillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedilde, heeft bedild; bediller, bedilling)
1 te veel voor een ander regelen.

In Spaans overeenkomend met: Criticar, Disputar, Zaherir
  sHaarkloven
Het lastig maken
Vitten
BedildeBedild
BedingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedong, heeft bedongen; bedinging)
1 bij overeenkomst bepalen.

In Spaans overeenkomend met: Condicionar, Estipular
  sAls voorwaarde stellen
Conditioneren
Stipuleren
BedongBedongen
BediscussiërenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bediscussieerde]], heeft bediscussieerd; bediscussiëring)
1 in een [[beraadslaging]] behandelen.

BediscussieerdeBediscussieerd
BedisselenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedisselde, heeft bedisseld; [[bedisselaar]], bedisseling)
1 op eigen gelegenheid beslissen.

BedisseldeBedisseld
BedoekenBedoekteBedoekt
BedoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedoelde, heeft bedoeld)
1 met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of trachten aan te duiden
2 met een bepaald oogmerk (iets) doen.

In Spaans overeenkomend met: Apuntar a, Aspirar a, Querer decir
BedoeldeBedoeld
BedoenBedeedBedaan
BedonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedonderde, heeft bedonderd)
1 (informeel) bedriegen.

BedonderdeBedonderd
BedottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedotte, heeft bedot; bedotter)
1 beetnemen.

In Spaans overeenkomend met: Embromar, Engañar, Engañar en broma
  sBeduvelen
Beetnemen
Om de tuin leiden
BedotteBedot
BedplassenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bedplasser)
1 onwillekeurig urine uitscheiden in bed.

BedradenBedraaddeBedraad
BedragenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bedroeg, heeft bedragen)
1 (een hoeveelheid of getal) uitmaken.

In Spaans overeenkomend met: Ascender a, Importar, Sumar
  sBelopen
BedroegBedragen
BedreigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedreigde, heeft bedreigd; bedreiger, bedreiging)
1 dreigen kwaad te berokkenen
2 een gevaar vormen voor.

In Spaans overeenkomend met: Amagar, Amenazar, Conminar
  sDreigen
BedreigdeBedreigd
BedriegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bedroog, heeft bedrogen)
1 min of meer met opzet misleiden
2 ontrouw zijn aan.

In Spaans overeenkomend met: Estafar
Faltar al cónyuge ((ontrouw zijn aan de partner))
Burlar, Defraudar, Embaucar, Engañar, Entrampar, Tangar
  sFoppen
Frauderen
Knoeien
Misleiden
Verschalken
Zwendelen
BedroogBedrogen
BedrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedreef, heeft bedreven; bedrijver, bedrijving)
1 doen.

In Spaans overeenkomend met: Cometer, Consumar, Ejercer, Ejercitar, Hacer, Perpetrar
  sAanmaken
Begaan
Doen
Maken
Plegen
Uitbrengen
Uitrichten
Uitvoeren
Volvoeren
BedreefBedreven
BedrinkenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; bedronk zich, heeft zich bedronken)
1 zich dronken drinken.

BedronkBedronken
BedroevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedroefde, heeft bedroefd; bedroeving)
1 (formeel) verdriet aandoen.

In Spaans overeenkomend met: Acongojar, Afligir, Angustiar, Apasionar, Apenar, Apesadumbrar, Atribular, Desconsolar, Entristecer, Quejar
Disgustar
  sErgeren
Grieven
Mistroostig maken
Ontroostbaar maken
Smarten
Troosteloos maken
BedroefdeBedroefd
BedroppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie bedruppelen.

BedroppeldeBedroppeld
BedruipenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedroop, heeft bedropen; bedruiping)
1 (vlees) onder het braden met vet bedruppelen.

In Spaans overeenkomend met: Rociar
  sArrosseren
Begieten
Tremperen
BedroopBedropen
BedrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedrukte, heeft bedrukt; bedrukker)
1 met druk versieren.

BedrukteBedrukt
BedruppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedruppelde, heeft bedruppeld)
1 druppelend bevochtigen.

BedruppeldeBedruppeld
BedruppenBedrupteBedrupt
BeduchtenBeduchtteBeducht
BeduidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beduidde, heeft beduid)
1 met een gebaar duidelijk maken
2 betekenen.

In Spaans overeenkomend met: Adivinar, Predecir, Profetizar
Desarrollar
Indicar
Aclarar, Explicar
Significar
  sBetekenen
Duidelijk maken
Ophelderen
Staan voor
Toelichten
Uiteenzetten
Uitleggen
Verhelderen
Verklaren
Voorspellen
Voorzeggen
Waarzeggen
BeduiddeBeduid
BeduimelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beduimelde, heeft beduimeld)
1 door herhaald pakken bevlekken.

BeduimeldeBeduimeld
BeduimenBeduimdeBeduimd
BeduvelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beduvelde, heeft beduveld)
1 (informeel) bedriegen.

In Spaans overeenkomend met: Embromar, Engañar, Engañar en broma
  sBedotten
Beetnemen
Om de tuin leiden
BeduveldeBeduveld
BedwaterenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 bedplassen.

BedwaterdeGebedwaterd
BedwelmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedwelmde, heeft bedwelmd; bedwelming)
1 het bewustzijn doen verliezen
2 zijn gezond verstand, zijn inzicht doen verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Narcotizar, Narcotizarse
Aturdir
Embriagar
  sNarcotiseren
Verdoven
Wegmaken
BedwelmdeBedwelmd
BedwingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bedwong, heeft bedwongen; bedwinger, bedwinging)
1 onderwerpen, beteugelen, onderdrukken
2 niet toegeven aan.

In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir
Dominar
  sBeheersen
Beteugelen
Betomen
Domineren
In toom houden
Intomen
Overheersen
Uitschitteren
BedwongBedwongen
BeeldenBeelddeGebeeld
BeeldhouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beeldhouwde, heeft gebeeldhouwd; beeldhouwer)
1 (een beeld) hakken uit steen, hout enz.

In Spaans overeenkomend met: Esculpir
  sUithakken
Uithouwen
BeeldhouwdeGebeeldhouwd
BeeldsnijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beeldsnijder)
1 beelden maken uit hout, ivoor e.d.

BeestenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beestte, heeft gebeest)
1 (informeel) zich misdragen, de beest uithangen.

BeestteGebeest
BeetgrijpenGreep beetBeetgegrepen
BeethebbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; had beet, heeft beetgehad)
1 (ook absoluut) vasthebben
2 (ook absoluut) een vis aan de haak hebben
3 met succes beetnemen.

Had beetBeetgehad
BeethoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield beet, heeft beetgehouden)
1 vasthouden.

Hield beetBeetgehouden
BeetkrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kreeg beet, heeft beetgekregen)
1 (ook absoluut) te pakken krijgen
2 (een ziekte) oplopen.

In Spaans overeenkomend met: Atrapar, Capturar
  sBeetnemen
Pakken
Te pakken krijgen
Vangen
Vastpakken
Vatten
Kreeg beetBeetgekregen
BeetnemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; nam beet, heeft beetgenomen)
1 vastpakken, grijpen
2 op goedmoedige wijze misleiden.

In Spaans overeenkomend met: Agarrar, Asir, Coger
Atrapar, Capturar
Embromar, Engañar en broma
Engañar
  sBedotten
Beduvelen
Beetkrijgen
Beetpakken
Om de tuin leiden
Pakken
Smokkelen
Te pakken krijgen
Vangen
Vastpakken
Vatten
Verlakken
Nam beetBeetgenomen
BeetpakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pakte beet, heeft beetgepakt)
1 vastpakken.

In Spaans overeenkomend met: Agarrar, Asir, Coger
  sBeetnemen
Pakken
Pakte beetBeetgepakt
BeffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; befte, heeft gebeft)
1 (informeel) (een vrouw) seksueel prikkelen door haar geslachtsdelen te likken.

BefteGebeft
BefloersenBefloersteBefloerst
BegaanALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; meer begaan met, meest begaan met)
1 medelijdend.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; beging, heeft begaan)
1 (iets [[kwaads]], [[nadeligs]]) doen
2 gaan op, betreden.

In Spaans overeenkomend met: Cometer, Perpetrar
Montar
  sBedrijven
Bestijgen
Opgaan
Plegen
Volvoeren
BegingBegaan
BegaffelenBegaffeldeBegaffeld
BegapenBegaapteBegaapt
BegeesterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; begeesterde, heeft begeesterd)
1 enthousiast maken.

BegeesterdeBegeesterd
BegeleidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; begeleidde, heeft begeleid; begeleider, begeleiding)
1 als gezelschap meegaan met (iemand)
2 iemand gedurende [[langere]] tijd helpen bij een proces of bezigheid
3 (van zaken) samengaan met
4 (muziek) met een tweede partij muzikaal bijstaan.

In Spaans overeenkomend met: Acompañar
Escoltar
  sAccompagneren
Escorteren
Gewapend begeleiden
BegeleiddeBegeleid
BegenadigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begenadigde, heeft begenadigd; begenadiging)
1 met bewijzen van genade begiftigen.

In Spaans overeenkomend met: Perdonar
  sVergeven
BegenadigdeBegenadigd
BegerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begeerde, heeft begeerd)
1 (formeel) verlangen te bezitten.

In Spaans overeenkomend met: Codiciar
Anhelar, Aspirar, Desear
  sAzen op
Dorsten naar
Trek hebben in
Verkiezen
Verlangen
Wensen
BegeerdeBegeerd
BegevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
(wederkerend werkwoord; begaf zich, heeft zich begeven)
1 ergens heengaan.

BegafBegeven
BegierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begierde, heeft begierd)
1 bemesten met gier.

BegierdeBegierd
BegietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begoot, heeft begoten; begieter, begieting)
1 door gieten natmaken.

In Spaans overeenkomend met: Rociar
Abrevar, Aguar, Regar
  sArrosseren
Bedruipen
Besproeien
Bevloeien
Gieten
Sproeien
Tremperen
Water geven
Wateren
BegootBegoten
BegiftigenIn Spaans overeenkomend met: Dotar
  sMeegeven
BegiftigdeBegiftigd
BegillenBegildeBegild
BeginnenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; begon, is begonnen)
1 gaan praten over.
([[onovergankelijk]] werkwoord; begon, is begonnen; beginner)
1 de eerste van een samenhangende reeks handelingen verrichten, iets op de eerste plaats doen
2 zich vanaf een bepaald punt uitstrekken
3 van een zeker ogenblik af gaan plaatshebben.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; begon, is begonnen)
1 een begin maken met.

In Spaans overeenkomend met: Encabezar ((lijst, inschrijving),(lista, inscripción)), Iniciar
Abrir, Abrirse, Comenzar, Echarse, Empezar, Principiar
Entablar
  sAanbreken
Aanpakken
Aanvangen
De stoot geven tot
Het initiatief nemen tot
Ingaan
Openen
BegonBegonnen
BeglurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begluurde, heeft begluurd)
1 met glurende blik bespieden.

In Spaans overeenkomend met: Atisbar, Avizorar, Curiosear
  sBespieden
Uitvorsen
BegluurdeBegluurd
BegoochelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[begoochelde]], heeft begoocheld; begoocheling)
1 verblinden, misleiden.

In Spaans overeenkomend met: Hechizar
  sBeheksen
Betoveren
BegoocheldeBegoocheld
BegravenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begroef, heeft begraven)
1 onder of in de aarde bergen
2 (een dode) in een graf leggen.
(wederkerend werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Enterrar
Sepultar
Sumir
  sIn de grond verstoppen
Kuilen
Onder water stoppen
Ter aarde bestellen
BegroefBegraven
BegrazenBegraasdeBegraasd
BegrenzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begrensde, heeft begrensd; begrenzing)
1 de grens of grenzen vormen van
2 [[kleiner]] in omvang maken.

In Spaans overeenkomend met: Limitar, Restringir
  sBeknotten
Beperkingen opleggen aan
BegrensdeBegrensd
BegrijpenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; begreep, heeft begrepen)
1 rekenen tot, deel laten uitmaken van.
([[overgankelijk]] werkwoord; begreep, heeft begrepen)
1 met het verstand kunnen volgen
2 een bepaalde uitleg aan iets geven.

In Spaans overeenkomend met: Abarcar, Comprender, Entender, Explicarse, Penetrar, Penetrarse, Rodear
Trascender
Vadear
  sBeseffen
Bevatten
Doordringen in
Doorgronden
Doorzien
Omvatten
Snappen
Vatten
Verstaan
BegreepBegrepen
BegrindenBegrinddeBegrind
BegrintenBegrintteBegrint
BegroeienBegroeideBegroeid
BegroetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begroette, heeft begroet; begroeting)
1 verwelkomen, groetende ontvangen.

In Spaans overeenkomend met: Recibir
Saludar
  sGroeten
BegroetteBegroet
BegrommenBegromdeBegromd
BegrotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begrootte, heeft begroot; begroting)
1 schatten hoe groot iets (onkosten, een ruimte, een afstand) wordt.

In Spaans overeenkomend met: Presuponer, Tasar
Apreciar, Estimar, Evaluar
  sAanslaan
Ramen
Schatten
Taxeren
Waarderen
BegrootteBegroot
BegruizenBegruisdeBegruisd
BegunstigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; begunstigde, heeft begunstigd; begunstiger, begunstiging)
1 (iemand) helpen door hem een gunst te bewijzen.

In Spaans overeenkomend met: Favorecer, Secundar
Sufragar
  sBevoordelen
Bijstaan
Helpen
Voorstaan
Voortrekken
BegunstigdeBegunstigd
BehagenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 (formeel) genoegen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; behaagde, heeft behaagd)
1 (formeel) aanstaan, goed bevallen.

In Spaans overeenkomend met: Agradar, Complacer, Gustar, Petar, Placer
  sAanstaan
Bevallen
Prettig vinden
Zinnen
BehaagdeBehaagd
BehakkenBehakteBehakt
BehalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; behaalde, heeft behaald)
1 door inspanning verwerven.

In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Obtener
Alcanzar, Conseguir, Lograr
Ganar
Sacar
  sBereiken
Buitmaken
Inhalen
Kopen
Krijgen
Reiken tot
Verdienen
Verkrijgen
Verwerven
Winnen
BehaaldeBehaald
BehamerenBehamerdeBehamerd
BehandelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; behandelde, heeft behandeld; behandeling)
1 hanteren, omgaan met
2 bespreken of beschrijven
3 op de vereiste wijze bewerken
4 op een bepaalde wijze omgaan met (iemand)
5 (een patiënt) trachten te genezen van een ziekte.

In Spaans overeenkomend met: Cursar
Curar, Medicar
Discutir, Hablar de, Tratar de
Tratar sobre
Tramitar
  sBepraten
Bespreken
Cureren
Verhandelen
BehandeldeBehandeld
BehangenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; behing, heeft behangen; behanger)
1 (wanden) met [[behangselpapier]] beplakken
2 bedekken door er iets aan, op of tegen te hangen.

In Spaans overeenkomend met: Empapelar, Tapizar
BehingBehangen
BehappenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BehapteBehapt
BeharenBehaardeBehaard
BehartigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; behartigde, heeft behartigd; behartiger, behartiging)
1 met toewijding zorgen voor.

In Spaans overeenkomend met: Atender a, Cuidar de, Proteger
  sVerzorgen
BehartigdeBehartigd
BeheersenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beheerste, heeft beheerst; beheerser, beheersing)
1 overheersen
2 kennis hebben van.
(wederkerend werkwoord; beheerste zich, heeft zich beheerst)
1 kalm blijven.

In Spaans overeenkomend met: Poseer
Dominar
  sBedwingen
Domineren
Grondig kennen
Overheersen
Uitschitteren
BeheersteBeheerst
BeheksenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; behekste, heeft behekst; beheksing)
1 betoveren.

In Spaans overeenkomend met: Hechizar
  sBegoochelen
Betoveren
BeheksteBehekst
BehelpenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; behielp zich, heeft zich beholpen)
1 zich redden, het doen met minder dan men wel zou wensen.

BehielpBeholpen
BehelzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; behelsde, heeft behelsd)
1 inhouden.

In Spaans overeenkomend met: Contener
BehelsdeBehelsd
BeherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beheerde, heeft beheerd; beheerder)
1 het beheer hebben over
2 (een bedrijf) leiden, besturen.

In Spaans overeenkomend met: Administrar
Cuidar la casa, Llevar la casa
  sAdministreren
Besturen
Huishouden
Toedienen
BeheerdeBeheerd
BehoedenIn Spaans overeenkomend met: Guardar
Abrigar, Amparar, Preservar, Proteger, Resguardar
  sBeschermen
Beschutten
Bewaren
BehoeddeBehoed
BehoevenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; behoefde, heeft behoefd)
1 (formeel) hoeven.
([[overgankelijk]] werkwoord; behoefde, heeft behoefd)
1 nodig hebben.

In Spaans overeenkomend met: Necesitar
  sHoeven
Toe zijn aan
BehoefdeBehoefd
BehorenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; behoorde, heeft behoord)
1 (formeel) gerekend worden tot.
(werkwoord; behoorde, heeft behoord)
1 (formeel) een onderdeel uitmaken van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; behoorde, heeft behoord)
1 (formeel) toebehoren
2 (formeel) horen, volgens bepaalde normen moeten.

In Spaans overeenkomend met: Pertenecer, Pertenecer a, Ser de
Ser conforme, Ser conveniente, Ser decoroso
Tener que
  sBehoren tot
Betamen
Dienen
Horen
Moeten
Passen
Toebehoren
Toebehoren aan
Toekomen aan
Voegen
BehoordeBehoord
BehoudenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; behoudener, meest behouden)
1 ongedeerd.
([[overgankelijk]] werkwoord; behield, heeft behouden)
1 handhaven, in stand houden
2 redden.

In Spaans overeenkomend met: Conservar ((iets niet verliezen, handhaven, in stand houden)), Guardar ((iets niet verliezen, handhaven, in stand houden)), Quedarse con ((iets niet verliezen, handhaven, in stand houden))
Salvar ((redden))
  sBergen
Bewaren
Conserveren
Onderhouden
Overhouden
Redden
BehieldBehouden
BehouwenBehieuwBehouwen
BehuizenBehuisdeBehuisd
BehuwenBehuwdeBehuwd
BeiaardenBeiaarddeGebeiaard
BeidenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beidde, heeft gebeid)
1 (archaïsch) treuzelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; beidde, heeft gebeid)
1 (archaïsch) afwachten.

BeiddeGebeid
BeierenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 deelstaat in Zuid-Duitsland.

In Spaans overeenkomend met: Repicar
  sKlepperen
Luiden
BeierdeGebeierd
BeijverenBeijverdeBeijverd
BeitelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beitelde, heeft gebeiteld)
1 met de beitel bewerken
2 met een beitel uithakken.

In Spaans overeenkomend met: Cincelar, Labrar
BeiteldeGebeiteld
BeitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beitste, heeft gebeitst)
1 kleuren met beits.

In Spaans overeenkomend met: Morder
  sBijten
Happen
Knauwen
BeitsteGebeitst
BejagenIn Spaans overeenkomend met: Cazar
  sJacht maken op
Jagen
Najagen
Voortdrijven
Bejaagde, BejoegBejaagd
BejammerenIn Spaans overeenkomend met: Lamentar
Deplorar, Llorar
  sBetreuren
Bewenen
Spijt hebben van
BejammerdeBejammerd
BejegenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bejegende, heeft bejegend; bejegening)
1 (formeel) zich op een bepaalde wijze jegens iemand of iets gedragen.

In Spaans overeenkomend met: Tratar
BejegendeBejegend
BejubelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bejubelde, heeft bejubeld; bejubeling)
1 met gejuich begroeten.

In Spaans overeenkomend met: Vitorear
  sApplaudisseren
Toejuichen
BejubeldeBejubeld
BekabelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekabelde, heeft bekabeld; bekabeling)
1 van kabels voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Cablear
BekabeldeBekabeld
BekadenBekaaddeBekaad
BekakkenBekakteBekakt
BekalkenBekalkteBekalkt
BekamenBekaamdeBekaamd
BekampenBekampteBekampt
BekanenBekaandeBekaand
BekappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekapte, heeft bekapt; bekapping)
1 een bekapping maken op
2 door kappen bewerken
3 de hoeven besnijden van.

BekapteBekapt
BekendmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte bekend, heeft bekendgemaakt; bekendmaking)
1 openbaar maken, aan veel mensen doen weten.

Maakte bekendBekendgemaakt
BekendstaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond bekend, heeft bekendgestaan)
1 op de genoemde manier gekend worden.

Stond bekendBekendgestaan
BekennenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 (ook absoluut; bekende, heeft bekend) meedelen dat men schuldig is aan (een misdaad)
2 (bekende, heeft bekend) toegeven, erkennen
3 (bekende, heeft bekend) ([[Bijbel]]) seksuele omgang hebben met.

In Spaans overeenkomend met: Confesar, Confesarse, Declarar
  sErkennen
Toegeven
BekendeBekend
BekerenIn de betekenis van:
1 (iemand) overhalen om een bepaald geloof te belijden
2 tot een geloof overgaan

In Spaans overeenkomend met: Convertir
BekeerdeBekeerd
bekerenIn de betekenis van: Een bekerwedstrijd spelen

BekerdeGebekerd
BekeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekeurde, heeft bekeurd; bekeuring)
1 als bevoegd ambtenaar wegens een overtreding [[proces-verbaal]] opmaken tegen (iemand).

In Spaans overeenkomend met: Multar
  sNotuleren
Verbaliseren
BekeurdeBekeurd
BekijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekeek, heeft bekeken)
1 met aandacht kijken naar
2 overwegen.

In Spaans overeenkomend met: Mirar
Ver
  sBlikken
Kijken
Kijken naar
Schouwen
Toekijken
Toezien
BekeekBekeken
BekijvenBekeefBekeven
BekistenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekistte, heeft bekist; bekisting)
1 van een kist of kisting voorzien.

BekistteBekist
BekkenALLE betekenissen van dit woord:
(het; bekkens)
1 wijde, ondiepe ronde schaal
2 (biologie) benige ring, gevormd door de beide [[heupbeenderen]], het heiligbeen en het stuitbeen
3 (muziek) slaginstrument bestaande uit een [[concave]] koperen schijf, zowel enkel als dubbel gebruikt
4 kom, holte
5 (geologie) glooiende laagte, bodeminzinking.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bekte, heeft gebekt)
1 (van vogels) met de bek pikken
2 (informeel) snauwen
3 (scheepvaart) te veel op de wind liggen, [[loefgierig]] zijn
4 natuurlijk uit te spreken zijn
5 (informeel) tongzoenen.

BekteGebekt
BekladdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekladde, heeft beklad; bekladder, bekladding)
1 bevuilen met inkt, verf enz.
2 belasteren.

In Spaans overeenkomend met: Manchar
  sSmetten
Vlekken
BekladdeBeklad
BeklagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beklaagde, heeft beklaagd)
1 medelijden uiten met
2 weeklagen over.
(wederkerend werkwoord; beklaagde zich, heeft zich beklaagd)
1 zijn [[ontevredenheid]] uiten, klachten indienen.

In Spaans overeenkomend met: Compadecer, Lamentar
  sMedelijden hebben
Medelijden hebben met
BeklaagdeBeklaagd
BeklampenBeklampteBeklampt
BeklappenBeklapteBeklapt
BeklauterenBeklauterdeBeklauterd
BekledenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bekleedde, heeft bekleed)
1 (iemand) een functie toevertrouwen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bekleedde, heeft bekleed; bekleder, bekleding)
1 (een oppervlakte) bedekken met hout, lood, marmer, textiel enz.
2 (een functie) uitoefenen.

In Spaans overeenkomend met: Camisar, Encamisar
Desempeñar, Ocupar
Enfundar, Forrar, Recubrir, Revestir
  sBeslaan
Bezetten
Bezig houden
Chemiseren
In beslag nemen
Inpakken
Instoppen
Overtrekken
Vervullen
Vullen
BekleeddeBekleed
BeklemmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beklemde, heeft beklemd)
1 vastpakken als in een klem
2 een bedrukt, bezwaard gevoel geven
3 (juridisch) onder beklemrecht brengen.

In Spaans overeenkomend met: Angustiar ((een bedrukt gevoel geven)), Apretar ((een bedrukt gevoel geven)), Obsesionar ((een bedrukt gevoel geven)), Oprimir ((een bedrukt gevoel geven))
  sObsederen
BeklemdeBeklemd
BeklemtonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beklemtoonde, heeft beklemtoond; beklemtoning)
1 de klemtoon leggen op
2 als belangrijk, met nadruk naar voren brengen.

In Spaans overeenkomend met: Acentuar, Enfatizar
  sAccentueren
Benadrukken
De klemtoon leggen op
BeklemtoondeBeklemtoond
BekletsenBekletsteBekletst
BeklijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beklijfde, heeft/is beklijfd; beklijving)
1 in de herinnering blijven.

In Spaans overeenkomend met: Durar
  sAanblijven
Aanhouden
Duren
Standhouden
Voortduren
BeklijfdeBeklijfd
BeklimmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beklom, heeft beklommen; beklimmer, beklimming)
1 klimmen op.

In Spaans overeenkomend met: Trepar
Subir
Ascender, Escalar, Subir a
  sBestijgen
Klauteren
Klimmen
Naar boven gaan
Rijzen
Stijgen
BeklomBeklommen
BeklinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beklinking)
1 (beklonk, is beklonken) inklinken
2 (beklonk, heeft beklonken) vast afspreken, tot stand brengen.

BeklonkBeklonken
BeklonterenBeklonterdeBeklonterd
BekloppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beklopte, heeft beklopt; beklopper, beklopping)
1 kloppen op
2 (geneeskunde) door kloppen de gesteldheid van de inwendige organen onderzoeken.

BeklopteBeklopt
BeknabbelenBeknabbeldeBeknabbeld
BeknagenBeknaagdeBeknaagd
BeknellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beknelde, heeft bekneld; beknelling)
1 beklemmen.

BekneldeBekneld
BeknibbelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beknibbelde, heeft beknibbeld)
1 kleine bedragen uitsparen of inhouden.
([[overgankelijk]] werkwoord; beknibbelde, heeft beknibbeld)
1 op een kleingeestige of schraperige manier ondermijnen, afdingen op, tornen aan.

BeknibbeldeBeknibbeld
BeknijpenBekneepBeknepen
BeknorrenIn Spaans overeenkomend met: Censurar, Regañar, Reprobar, Reprochar, Vituperar
  sBerispen
Terechtwijzen
Verwijten
BeknordeBeknord
BeknottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beknotte, heeft beknot; beknotting)
1 ([[iemands]] vrijheid) beperken
2 (iem., iets) in zijn vrijheid beperken.

In Spaans overeenkomend met: Limitar, Restringir
  sBegrenzen
Beperkingen opleggen aan
BeknotteBeknot
BekoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bekoelde, is bekoeld)
1 minder hevig, minder intens worden.

In Spaans overeenkomend met: Calmarse, Sosegarse
Enfriarse
Rebelarse ((vriendschap),(amistad))
Resfriarse
  sLuwen
Minder worden
Tot rust komen
Uitrazen
Uitwoeden
Verflauwen
Verminderen
BekoeldeBekoeld
BekogelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekogelde, heeft bekogeld; bekogeling)
1 iets in grote hoeveelheden gooien naar.

In Spaans overeenkomend met: Bombardear
  sBeschieten
Bombarderen
BekogeldeBekogeld
BekokstovenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekokstoofde, heeft bekokstoofd)
1 heimelijk, buiten iemand om tot stand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Enredar, Guisar, Guisarse, Intrigar, Maquinar, Tramar, Urdir
BekokstoofdeBekokstoofd
BekomenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bekwam, is bekomen van)
1 weer tot zichzelf komen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bekwam, is bekomen)
1 (van spijzen en dranken) uitwerking op iemand hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord; bekwam, heeft bekomen)
1 (archaïsch of in [[België]], niet algemeen) krijgen.

BekwamBekomen
BekommerenBekommerdeBekommerd
BekonkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekonkelde, heeft bekonkeld; [[bekonkelaar]], bekonkeling)
1 (iets slechts) bekokstoven.

In Spaans overeenkomend met: Intrigar, Tramar
  sIntrigeren
Konkelen
BekonkeldeBekonkeld
BekopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekocht, heeft bekocht)
1 boeten voor (wat men [[misdreven]] of verkeerd gedaan heeft).

BekochtBekocht
BekorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekoorde, heeft bekoord; bekoorder, bekoring)
1 aantrekken, op aangename wijze boeien
2 ([[rooms-katholiek]]) verlokken tot zonde.

In Spaans overeenkomend met: Atraer, Cautivar, Seducir
Deleitar
Tentar
Embelesar, Encantar, Extasiar
  sAanlokken
Aantrekken
Charmeren
Genot verschaffen aan
In verzoeking brengen
Toelachen
Trekken
Verheugen
Verleiden
Verlekkeren
Verlokken
Verzoeken
BekoordeBekoord
BekorstenBekorstteBekorst
BekortenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekortte, heeft bekort; bekorting)
1 korter maken dan aanvankelijk de bedoeling was.

In Spaans overeenkomend met: Abreviar, Acortar
  sAfkorten
Inkorten
Verkorten
BekortteBekort
BekostigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekostigde, heeft bekostigd; bekostiging)
1 de kosten dragen van.

In Spaans overeenkomend met: Costear, Pagar, Sufragar
BekostigdeBekostigd
BekrabbelenBekrabbeldeBekrabbeld
BekrabbenBekrabdeBekrabd
BekrachtigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekrachtigde, heeft bekrachtigd; bekrachtiging)
1 (een handeling of overeenkomst) officieel erkennen en daardoor volledige kracht geven.

In Spaans overeenkomend met: Confirmar
Ratificar
Validar
  sBevestigen
Erkennen
Ratificeren
Staven
Vormen
BekrachtigdeBekrachtigd
BekrammenBekramdeBekramd
BekransenBekransteBekranst
BekrassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekraste, heeft bekrast; bekrasser, bekrassing)
1 krassen aanbrengen op.

BekrasteBekrast
BekreunenBekreundeBekreund
BekribbenBekribdeBekribd
BekrimpenBekrompBekrompen
BekritiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekritiseerde, heeft bekritiseerd)
1 afkeurende kritiek uitoefenen op.

In Spaans overeenkomend met: Criticar
  sKeuren
Kritiseren
BekritiseerdeBekritiseerd
BekronenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekroonde, heeft bekroond; bekroning)
1 een prijs toekennen aan
2 op geslaagde wijze afronden, afsluiten.

In Spaans overeenkomend met: Coronar
Premiar
  sEen prijs toekennen
Kronen
BekroondeBekroond
BekruipenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekroop, heeft bekropen; bekruiping)
1 (van gevoelens) opkomen, komen over.

BekroopBekropen
BekruisenBekruisteBekruist
BekuipenBekuipteBekuipt
BekvechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bekvechtte, heeft gebekvecht)
1 ruziën.

BekvechtteGebekvecht
BekwamenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bekwaamde, heeft bekwaamd; bekwaming)
1 de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen.
(wederkerend werkwoord werkwoord; bekwaamde zich, heeft zich bekwaamd; bekwaming)
1 zich de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Capacitar
BekwaamdeBekwaamd
BekwijlenBekwijldeBekwijld
BeladenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; beladenheid)
1 een bepaalde gevoelslading bezittend.
([[overgankelijk]] werkwoord; belaadde, heeft beladen; belader, belading)
1 bezwaren met een lading.

In Spaans overeenkomend met: Cargar
  sBelasten
Inladen
BelaaddeBeladen
BelagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belaagde, heeft belaagd; belager)
1 in het nauw brengen.

In Spaans overeenkomend met: Acechar, Acosar, Asechar
BelaagdeBelaagd
BelandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; belandde, is beland)
1 toevallig ergens terechtkomen.

BelanddeBeland
BelangenBelangdeBelangd
BelangstellenStelde belangBelanggesteld
BelastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belastte, heeft belast; belasting)
1 lasten, gewichten plaatsen op
2 als prestatie vergen van (installaties)
3 bezwaren met een geldelijke verplichting.

In Spaans overeenkomend met: Imponer
Cargar
  sAanslaan
Beladen
Belasting heffen op
Inladen
Veraccijnzen
BelastteBelast
BelasterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belasterde, heeft belasterd; belastering)
1 lasteren.

In Spaans overeenkomend met: Amancillar ((),(Deslustrar la buena fama de una persona, familia o linaje.)), Calumniar, Difamar ((),(Deslustrar la buena fama de una persona, familia o linaje.))
  sDiffameren
Kwaadspreken
Roddelen
BelasterdeBelasterd
BelatafelenBelatafeldeBelatafeld
BelazerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belazerde, heeft belazerd)
1 (informeel) bedriegen.

BelazerdeBelazerd
BeledigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beledigde, heeft beledigd; belediging)
1 (iemand) pijnlijk treffen in zijn eergevoel.

In Spaans overeenkomend met: Afrentar, Agraviar, Insultar
Ofender
  sAffronteren
Grieven
Krenken
Verongelijken
BeledigdeBeledigd
BelegerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belegerde, heeft belegerd; [[belegeraar]], belegering)
1 (een stad, vesting enz.) met een leger insluiten, met het doel ze tot overgave te dwingen
2 zich verdringen rond.

In Spaans overeenkomend met: Asediar, Sitiar
BelegerdeBelegerd
BeleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belegde, heeft belegd)
1 (ook absoluut) (geld) in [[waardepapieren]] omzetten om de waarde te behouden of te vergroten
2 bijeenroepen, houden
3 bedekken door er iets op te leggen
4 (scheepvaart) vastmaken, vastsjorren.

In Spaans overeenkomend met: Colocar ((geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren)), Imponer ((geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren)), Invertir ((geld steken in een naar verwachting winstgevende onderneming of in waardepapieren))
Cubrir ((bedekken door er iets op te leggen)), Tapar ((bedekken door er iets op te leggen))
  sBedekken
Dekken
Investeren
Toedekken
BelegdeBelegd
BelemmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belemmerde, heeft belemmerd; belemmering)
1 de vrije beweging, het vrije gebruik, de voortgang bemoeilijken.

In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso
Atajar, Desbaratar, Vedar
Estancar, Obstruir
Contrarrestar, Dificultar, Embarazar, Entorpecer, Estorbar, Impedir, Molestar, Obstar
  sAfdammen
Afsluiten
Beletten
Hinderen
Obstructie voeren
Opstoppen
Storen
Stuiten
Stuwen
Tegenhouden
Verhinderen
Verijdelen
Versperren
Verstoppen
Verstoren
BelemmerdeBelemmerd
BelendenBelenddeBelend
BelenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beleende, heeft beleend; belening)
1 in onderpand geven om geld op te nemen
2 (geschiedenis) (iemand) met een leen begiftigen.

In Spaans overeenkomend met: Empeñar ((roerend goed)), Hipotecar ((onroerend goed)), Pignorar ((roerend goed))
  sEen hypotheek nemen op
Lenen tegen een onderpand
Met een hypotheek belasten
Verpanden
BeleendeBeleend
BelerenBeleerdeBeleerd
BelettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belette, heeft belet)
1 verhinderen.

In Spaans overeenkomend met: Atajar, Desbaratar, Estorbar, Impedir, Oponerse, Vedar
  sBelemmeren
Bestrijden
Blokkeren
Stuiten
Tegenhouden
Verhinderen
Verhoeden
Verijdelen
Voorkomen
BeletteBelet
BelevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beleefde, heeft beleefd; beleving)
1 ondervinden, meemaken
2 gevoelsmatig ondergaan.

In Spaans overeenkomend met: Experimentar, Pasar la experiencia, Vivir
  sDoormaken
Ervaren
Ondervinden
BeleefdeBeleefd
BelezenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; meer belezen, meest belezen; belezenheid)
1 (van personen) door lezen veel kennis bezittend.
([[overgankelijk]] werkwoord; belas, heeft belezen; belezer, belezing)
1 een bezweringsformule of gebed ter uitdrijving of afwering van de boze geest uitspreken over
2 door bezweringsformules uitbannen
3 overreden.

BelasBelezen
BelichamenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belichaamde, heeft belichaamd; belichaming)
1 de concrete [[verschijningsvorm]] zijn van (iets onstoffelijks).

BelichaamdeBelichaamd
BelichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; belichtte, heeft belicht; belichter, belichting)
1 licht laten vallen op
2 (iets) vanuit een zeker standpunt uiteenzetten.

In Spaans overeenkomend met: Exponer, Impresionar, Presentar, Realzar ((schilderij),(pintura artística))
Encender, Iluminar
Alumbrar
  sAansteken
Beschijnen
Tentoonstellen
Uiteenzetten
Uitstallen
Verlichten
Voorlichten
BelichtteBelicht
BeliegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beloog, heeft belogen)
1 (iemand) door leugens bedriegen.

BeloogBelogen
BelievenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beliefde, heeft beliefd)
1 goeddunken.
([[overgankelijk]] werkwoord; beliefde, heeft beliefd)
1 (formeel) willen doen.

BeliefdeBeliefd
BelijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beleed, heeft beleden; belijder)
1 verkondigen waarvan men overtuigd is
2 een geloof aanhangen.

BeleedBeleden
BelijmenBelijmdeBelijmd
BelijnenBelijndeBelijnd
BelikkenBelikteBelikt
BellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; belde, heeft gebeld; beller)
1 de deurbel over laten gaan
2 met een bel een signaal geven.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; belde, heeft gebeld)
1 telefoneren naar, (iemand) opbellen
2 met een bel roepen.

In Spaans overeenkomend met: Llamar, Tocar la campanilla
Llamar por teléfono, Telefonear
  sAanbellen
Luiden
Schellen
BeldeGebeld
BellenblazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 met een pijpje luchtbellen maken uit zeepsop.

Blies bellenBellengeblazen
BeloerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beloerde, heeft beloerd; beloering)
1 heimelijk kijken naar.

In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar
  sBespieden
Bespioneren
Gluren
Spieden
Spioneren
Verspieden
BeloerdeBeloerd
BelommerenBelommerdeBelommerd
BelonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beloonde, heeft beloond; beloning)
1 een stoffelijke vergelding voor diensten of verdiensten geven aan.

In Spaans overeenkomend met: Recompensar, Retribuir
  sLonen
Schadeloos stellen
Terugdoen
Vergelden
BeloondeBeloond
BelonkenBelonkteBelonkt
BelopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beliep, heeft belopen)
1 lopen over, begaan
2 lopende afleggen
3 bedragen.

In Spaans overeenkomend met: Ascender a, Importar
  sBedragen
BeliepBelopen
BelovenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beloofde, heeft beloofd)
1 zich verplichten iets te doen of te geven
2 (van zaken) aanleiding zijn voor iemand om op iets te hopen.

In Spaans overeenkomend met: Prometer
  sToezeggen
Uitloven
Verzeggen
BeloofdeBeloofd
BeluchtenBeluchtteBelucht
BeluidenBeluiddeBeluid
BeluisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beluisterde, heeft beluisterd; beluistering)
1 luisterend waarnemen.

In Spaans overeenkomend met: Escuchar
  sAanhoren
Luisteren
Toehoren
Toeluisteren
BeluisterdeBeluisterd
BemachtigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemachtigde, heeft bemachtigd; bemachtiging)
1 door inspanning verkrijgen.

In Spaans overeenkomend met: Adueñarse de, Apoderarse de, Enseñorearse de
BemachtigdeBemachtigd
BemalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemaalde, heeft bemaald/bemalen; bemaling)
1 (land) kunstmatig met een watermolen of pomp ontlasten van het overtollige water.

BemaaldeBemalen
BemannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemande, heeft bemand; bemanning)
1 van het benodigde personeel voorzien.

BemandeBemand
BemantelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemantelde, heeft bemanteld; bemanteling)
1 verbloemen.

In Spaans overeenkomend met: Paliar
  sBewimpelen
Maskeren
Verbergen
Verbloemen
BemanteldeBemanteld
BemastenBemastteBemast
BemattenBematteBemat
BemeesterenBemeesterdeBemeesterd
BemensenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemenste, heeft bemenst; bemensing)
1 bemannen.

BemensteBemenst
BemerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemerkte, heeft bemerkt; bemerking)
1 gewaar worden.

In Spaans overeenkomend met: Percibir
Advertir, Notar, Observar, Percatar, Percatarse
  sGewaar worden
Merken
Opmerken
Vernemen
Waarnemen
BemerkteBemerkt
BemestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemestte, heeft bemest; bemesting)
1 door het opbrengen van mest vruchtbaar maken.

In Spaans overeenkomend met: Abonar, Estercolar, Fertilizar
  sGieren
Mesten
BemestteBemest
BemetenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BematBemeten
BemeubelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bemeubelde]], heeft bemeubeld)
1 (in [[België]]) meubileren.

BemeubeldeBemeubeld
BemiddelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bemiddelde, heeft bemiddeld; bemiddelaar, bemiddeling)
1 tussenbeide komen om een overeenkomst tot stand te brengen.

In Spaans overeenkomend met: Abogar, Intervenir, Mediar, Terciar
  sAls bemiddelaar optreden
Tussenbeide komen
BemiddeldeBemiddeld
BeminnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beminde, heeft bemind; beminnaar)
1 (formeel) houden van, liefhebben.

In Spaans overeenkomend met: Amar, Querer
  sHouden van
Liefhebben
BemindeBemind
BemodderenBemodderdeBemodderd
BemoederenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemoederde, heeft bemoederd)
1 te zorgzaam optreden tegenover.

BemoederdeBemoederd
BemoedigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemoedigde, heeft bemoedigd; bemoediging)
1 met moed bezielen.

In Spaans overeenkomend met: Alentar, Animar
  sAanmoedigen
Animeren
Bezielen
Opmonteren
Opvrolijken
Opwekken
Stijven
BemoedigdeBemoedigd
BemoeienBemoeideBemoeid
BemoeilijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemoeilijkte, heeft bemoeilijkt; bemoeilijking)
1 [[moeilijker]], lastig maken.

In Spaans overeenkomend met: Dificultar
BemoeilijkteBemoeilijkt
BemonsterenBemonsterdeBemonsterd
BemorsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bemorste, heeft bemorst)
1 vuilmaken.

BemorsteBemorst
BemurenBemuurdeBemuurd
BenaarstigenBenaarstigdeBenaarstigd
BenadelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benadeelde, heeft benadeeld; benadeling)
1 schade berokkenen.

In Spaans overeenkomend met: Desfavorecer
Perjudicar
  sAchterstellen
BenadeeldeBenadeeld
BenaderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benaderde, heeft benaderd; benadering)
1 naderen, dichter komen bij
2 dichter komen bij (iemand) om hem te spreken
3 (een probleem) op een bepaalde manier aanpakken
4 (wiskunde) tot een bepaalde graad de precieze waarde berekenen van
5 beslag leggen op goederen
6 behandelen, interpreteren.

BenaderdeBenaderd
BenadrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benadrukte, heeft benadrukt; benadrukking)
1 nadrukkelijk naar voren brengen.

In Spaans overeenkomend met: Resaltar
Destacar
Acentuar, Enfatizar
  sAccentueren
Beklemtonen
De klemtoon leggen op
Wijzen op
BenadrukteBenadrukt
BenagelenBenageldeBenageld
BenauwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benauwde, heeft benauwd)
1 de ademhaling belemmeren
2 beklemmen.

In Spaans overeenkomend met: Perturbar, Preocupar
  sVerontrusten
BenauwdeBenauwd
BenchmarkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benchmarkte, heeft gebenchmarkt)
1 (de prestaties van een product of onderneming) vergelijken met die van concurrerende producten of collegabedrijven.

BenchmarkteGebenchmarkt
BenedijenBenedijdeGebenedijd
BenemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benam, heeft benomen)
1 (iets onstoffelijks) ontnemen, wegnemen van.

BenamBenomen
BenenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van been.
([[onovergankelijk]] werkwoord; beende, heeft/is gebeend)
1 met forse [[schreden]] lopen.

BeendeGebeend
BenevelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benevelde, heeft beneveld; beneveling)
1 bedwelmen.

BeneveldeBeneveld
BengelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bengelde, heeft gebengeld)
1 heen en weer slingeren.

BengeldeGebengeld
BenieuwenALLE betekenissen van dit woord:
(onpersoonlijk werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BenieuwdeBenieuwd
BenijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benijdde, heeft benijd)
1 jaloers zijn op.

In Spaans overeenkomend met: Envidiar
  sJaloers zijn op
Misgunnen
BenijddeBenijd
BenodigenBenodigdeBenodigd
BenoemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benoemde, heeft benoemd; benoeming)
1 aanstellen in een ambt, een betrekking
2 met een naam aanduiden.

In Spaans overeenkomend met: Designar
Llamar
Nombrar
  sBestemmen
Heten
Noemen
Uitmaken voor
BenoemdeBenoemd
BensjenBensjteGebensjt
BenuttenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; benutte, heeft benut; benutter, benutting)
1 voordelig gebruiken.

In Spaans overeenkomend met: Aprovechar
Utilizar
Emplear, Hacer uso de, Usar
  sAanwenden
Gebruiken
Te baat nemen
Waarnemen
BenutteBenut
BenuttigenBenuttigdeBenuttigd
BeoefenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beoefende, heeft beoefend; beoefenaar, beoefening)
1 zich geregeld bezighouden met een vak, sport, kunst of wetenschap.

In Spaans overeenkomend met: Practicar
  sBetrachten
In de praktijk brengen
Uitoefenen
BeoefendeBeoefend
BeogenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beoogde, heeft beoogd; beoging)
1 (iets) trachten te bereiken.

BeoogdeBeoogd
BeoliënBeoliedeBeolied
BeoordelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beoordeelde, heeft beoordeeld; beoordelaar, beoordeling)
1 een oordeel vellen, zijn goed- of afkeuring uitspreken over
2 zich een oordeel vormen over.

In Spaans overeenkomend met: Criticar, Juzgar
BeoordeeldeBeoordeeld
BeoorlogenBeoorloogdeBeoorloogd
BepakkenBepakteBepakt
BepalenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bepaalde, heeft bepaald)
1 zich beperken tot.
([[overgankelijk]] werkwoord; bepaalde, heeft bepaald; bepaler, bepaling)
1 als regel, voorschrift geven
2 vaststellen
3 richten, niet doen afwijken van
4 beslissend beïnvloeden
5 (taalkunde) als bepaling dienen bij of voor.

In Spaans overeenkomend met: Determinar ((beslissend beïnvloeden)), Establecer ((beslissend beïnvloeden)), Ocasionar ((beslissend beïnvloeden))
Definir ((vaststellen, verordenen))
Determinar, Fijar, Señalar
Concretar, Concretizar
Establecer
  sBeschikken
Bevelen
Concretiseren
Definiëren
Determineren
Instellen
Nauwkeurig bepalen
Omschrijven
Vaststellen
BepaaldeBepaald
BepantserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bepantserde, heeft bepantserd; bepantsering)
1 van een pantser of pantserplaten voorzien.

BepantserdeBepantserd
BeparelenBepareldeBepareld
BepeinzenBepeinsdeBepeinsd
BepekkenBepekteBepekt
BeperkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beperkte, heeft beperkt)
1 zich concentreren op, het houden bij.
([[overgankelijk]] werkwoord; beperkte, heeft beperkt; beperking)
1 [[kleiner]] maken, begrenzen
2 (iemand) niet vrij laten, hinderen in zijn mogelijkheden.

In Spaans overeenkomend met: Limitar, Reducir, Restringir
BeperkteBeperkt
BepikkenBepikteBepikt
BepissenBepisteBepist
BeplakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beplakte, heeft beplakt; beplakking)
1 plakken op.

BeplakteBeplakt
BeplankenBeplankteBeplankt
BeplantenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beplantte, heeft beplant; beplanting)
1 met planten of gewassen bezetten.

BeplantteBeplant
BeplatenBeplaatteBeplaat
BepleisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bepleisterde]], heeft bepleisterd; bepleistering)
1 met pleister bestrijken.

In Spaans overeenkomend met: Revocar
  sPleisteren
Stukadoren
BepleisterdeBepleisterd
BepleitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bepleitte, heeft bepleit; bepleiter, bepleiting)
1 met argumenten pleiten voor.

In Spaans overeenkomend met: Abogar
  sVerdedigen
BepleitteBepleit
BeploegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beploegde, heeft beploegd; beploeger, beploeging)
1 met de ploeg bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Arar
  sOmploegen
Ploegen
BeploegdeBeploegd
BepoederenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bepoederde, heeft bepoederd)
1 met poeder bestrooien.

In Spaans overeenkomend met: Espolvorear
BepoederdeBepoederd
BepoeierenBepoeierdeBepoeierd
BepolderenBepolderdeBepolderd
BepotelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bepotelde]], heeft bepoteld)
1 (informeel) betasten.

BepoteldeBepoteld
BepotenBepootteBepoot
BepratenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bepraatte, heeft bepraat; beprating)
1 bespreken
2 door praten overhalen, overreden.

In Spaans overeenkomend met: Persuadir, Trastornar
Discutir, Hablar de, Tratar de
  sBehandelen
Bespreken
Overhalen
Overreden
Overtuigen
BepraatteBepraat
BeprekenBepreekteBepreekt
BeproevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beproefde, heeft beproefd; beproeving)
1 (iemand) een taak opleggen om zijn vaardigheid te testen
2 (formeel) proberen.

In Spaans overeenkomend met: Afligir, Entristecer
Ensayar, Intentar, Probar
  sAanpassen
Passen
Proberen
Testen
Toetsen
Uitproberen
BeproefdeBeproefd
BepruikenBepruikteBepruikt
BeraadslagenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beraadslaagde, heeft beraadslaagd; beraadslaging)
1 iets met elkaar ernstig overwegen en overleggen.

In Spaans overeenkomend met: Deliberar
  sOverleggen
BeraadslaagdeBeraadslaagd
BeradenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; [[beradener]], meest beraden; beradenheid)
1 bedachtzaam, bezonnen.
(wederkerend werkwoord; beried zich, heeft zich beraden)
1 bij zichzelf overleggen.

Beraadde, BeriedBeraden
BeramenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beraamde, heeft beraamd; beramer, beraming)
1 bedenken (wat men wil doen)
2 begroten.

In Spaans overeenkomend met: Proyectar, Tramar, Urdir
  sOntwerpen
Plannen
BeraamdeBeraamd
BerapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beraapte, heeft beraapt; beraping)
1 (muren) met kalkspecie ruw bepleisteren.

BeraapteBeraapt
BerechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berechtte, heeft berecht; berechting)
1 recht spreken over.

In Spaans overeenkomend met: Ajusticiar, Juzgar
  sOordelen
Rechtspreken
Veroordelen
Vonnissen
BerechtteBerecht
BeredderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beredderde, heeft beredderd; bereddering)
1 (iets [[ingewikkelds]]) met enige moeite en haast in orde maken.

BeredderdeBeredderd
BeredenerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beredeneerde, heeft beredeneerd; beredenering)
1 verstandelijk verklaren.

In Spaans overeenkomend met: Tratar
  sHandelen over
BeredeneerdeBeredeneerd
BeregelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beregelde, heeft beregeld)
1 door middel van regels ordenen.

BeregeldeBeregeld
BeregenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beregende, heeft beregend; beregening)
1 (grond, gewassen) besproeien met een beregeningsinstallatie.

BeregendeBeregend
BereidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bereidde, heeft bereid; bereider, bereiding)
1 klaarmaken
2 volgens een procedé gereedmaken.

In Spaans overeenkomend met: Cocinar
Elaborar
Aderezar, Adobar
Preparar
  sAanmaken
Gereedmaken
Klaarmaken
Koken
Produceren
Toebereiden
Vervaardigen
Voorbereiden
BereiddeBereid
BereikenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bereikte, heeft bereikt)
1 na een tocht aankomen in een plaats
2 komen tot een resultaat
3 verbinding, contact met iemand krijgen.

In Spaans overeenkomend met: Alcanzar, Conseguir, Lograr
  sBehalen
Inhalen
Reiken tot
BereikteBereikt
BereizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bereisde, heeft bereisd)
1 (een gebied) reizend doortrekken.

In Spaans overeenkomend met: Recorrer
BereisdeBereisd
BerekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berekende, heeft berekend; berekening)
1 door rekenen vaststellen
2 betaling vragen voor
3 uit zekere gegevens afleiden
4 voor- en nadeel afwegen van.

In Spaans overeenkomend met: Calcular, Contar
Computar
Cargar, Llevar
  sBecijferen
Calculeren
In rekening brengen
Meerekenen
Rekenen
Tellen
Uitrekenen
BerekendeBerekend
BerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beerde, heeft gebeerd)
1 (van olifanten, neushoorns) schreeuwen
2 goederen op krediet verhandelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; beerde, heeft gebeerd)
1 (het land) met beer bemesten.

BeerdeGebeerd
BerennenBerendeBerend
BerentenBerentteBerent
BergenALLE betekenissen van dit woord:
(het; [[Bergens]], Bergenaar)
1 hoofdstad van de [[Belgische]] provincie Henegouwen.
(werkwoord; borg, heeft geborgen)
1 in veiligheid brengen
2 (goederen of lading van) gestrande schepen, neergestorte vliegtuigen enz. in veiligheid brengen
3 naar een plaats brengen en daar bewaren.
(wederkerend werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Conservar
Almacenar
Salvar
  sBehouden
Bewaren
Conserveren
Herbergen
Onderhouden
Overhouden
Redden
BorgGeborgen
BerichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berichtte, heeft bericht)
1 ter kennis brengen, kennis geven van.

In Spaans overeenkomend met: Informar
Comunicar
Referir
  sInformeren
Inlichten
Mededelen
Meedelen
Melden
Verhalen
Verslaan
Vertellen
Voorlichten
Voortzeggen
BerichtteBericht
BeridderenBeridderdeBeridderd
BerijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bereed, heeft bereden; berijder)
1 rijden op (een voertuig, een rijdier)
2 rijden over (een weg).

In Spaans overeenkomend met: Cabalgar, Montar
BereedBereden
BerijmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berijmde, heeft berijmd; berijming)
1 (iets) op rijm zetten.

BerijmdeBerijmd
BeringenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beringde, heeft beringd; beringing)
1 met een [[ringdijk]] afsluiten.

BeringdeBeringd
BerispenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berispte, heeft berispt; berisping)
1 ongenoegen of afkeuring te kennen geven aan (iemand).

In Spaans overeenkomend met: Reprender
Censurar, Criticar, Reñir, Reprobar, Reprochar, Vituperar
  sAfkeuren
Beknorren
Gispen
Laken
Terechtwijzen
Verwijten
Wraken
BerispteBerispt
BeroemenIn Spaans overeenkomend met: Ufanarse
Vanagloriarse
BeroemdeBeroemd
BeroepenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beriep, heeft beroepen op)
1 de autoriteit inroepen van, een recht ontlenen aan.
([[overgankelijk]] werkwoord; beriep, heeft beroepen; [[beroeper]], beroeping)
1 (een predikant) uitnodigen een gemeente te komen bedienen.
(wederkerend werkwoord; beriep zich, heeft zich beroepen)
1 (juridisch) zich tot een hogere rechter wenden.

BeriepBeroepen
BeroerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beroerde, heeft beroerd; beroering)
1 (formeel) even, heel licht aanraken
2 (het gevoel, verstand) in beweging brengen, verontrusten.

In Spaans overeenkomend met: Rozar, Tocar ligeramente
Estar en contacto, Tocar
  sAankomen
Aanraken
Raken
Strijken langs
Toucheren
BeroerdeBeroerd
BerokenIn Spaans overeenkomend met: Fumigar
BerookteBerookt
BerokkenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berokkende, heeft berokkend; berokkening)
1 (iets [[kwaads]]) teweegbrengen, veroorzaken.

In Spaans overeenkomend met: Causar, Inferir ((),(Producir o causar ofensas, agravios, heridas)), Ocasionar, Producir
  sAandoen
Aanrichten
Bezorgen
Stichten
Teweegbrengen
Toebrengen
Veroorzaken
BerokkendeBerokkend
BerouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; berouwde, heeft berouwd)
1 berouw doen hebben.

BerouwdeBerouwd
BerovenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beroofde, heeft beroofd)
1 iemand het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets.
([[overgankelijk]] werkwoord; beroofde, heeft beroofd; beroving)
1 door roof iets ontnemen van.

In Spaans overeenkomend met: Despojar, Privar
Desnudar, Desvalijar, Quitar, Robar
  sBuitmaken
Plunderen
Roven
Stropen
Uitplunderen
BeroofdeBeroofd
BerstenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; borst, is geborsten)
1 barsten.

In Spaans overeenkomend met: Estallar, Reventar
  sBarsten
Openbarsten
Openbersten
Scheuren
Springen
Berstte, BorstGeborsten
BeruikenBerookBeroken
BerustenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; berustte, heeft berust)
1 gebaseerd zijn op.
(werkwoord; berustte, heeft berust)
1 in bezit of bewaring zijn van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; berustte, heeft berust; berusting)
1 zonder verzet aanvaarden.

In Spaans overeenkomend met: Consistir, Estribar
Resignarse
  sBestaan
Gegrond zijn
Steunen
Zich schikken
BerustteBerust
BesausenBesausteBesaust
BeschadigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschadigde, heeft beschadigd; beschadiging)
1 schade toebrengen aan
2 belemmeren in het functioneren.

In Spaans overeenkomend met: Estropearse
Averiar, Dañar, Deteriorar, Estropear, Perjudicar
Echar a perder
  sBederven
Havenen
Knoeien
Schenden
Stuk maken
Stukmaken
Toetakelen
Verknoeien
Verpesten
BeschadigdeBeschadigd
BeschaduwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschaduwde, heeft beschaduwd)
1 schaduw werpen op.

BeschaduwdeBeschaduwd
BeschamenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschaamde, heeft beschaamd; beschaming)
1 bedrogen uit doen komen, niet waarmaken.

In Spaans overeenkomend met: Avergonzar
Confundir
  sBeschaamd maken
Vernietigen
BeschaamdeBeschaamd
BeschansenBeschansteBeschanst
BeschavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschaafde, heeft beschaafd; beschaving)
1 tot beschaving, ontwikkeling brengen.

In Spaans overeenkomend met: Civilizar
Cultivar
  sAankweken
Bebouwen
Civiliseren
Kweken
Telen
Verbouwen
BeschaafdeBeschaafd
BescheidenALLE betekenissen van dit woord:
(zelfstandig naamwoord, meervoud)
1 stukken, papieren.
(bijvoeglijk naamwoord; [[bescheidener]], bescheidenst; bescheidenheid)
1 geen te hoge gedachten van zichzelf hebbend, niet aanmatigend
2 beleefd, niet opdringerig
3 niet groots.

BescheiddeBescheiden
BeschenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[beschonk]], heeft beschonken)
1 (formeel) geschenken geven aan.

BeschonkBeschonken
BeschermenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschermde, heeft beschermd; beschermer, bescherming)
1 behoeden voor iets nadeligs.

In Spaans overeenkomend met: Cubrir
Proteger
Abrigar, Amparar, Preservar, Resguardar
  sBehoeden
Beschutten
Bewaren
BeschermdeBeschermd
BescheurenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; bescheurde zich, heeft zich bescheurd)
1 (informeel) schateren, uitbundig lachen.

BescheurdeBescheurd
BeschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschoot, heeft beschoten; beschieting)
1 schieten op
2 (een oppervlak) bekleden.

In Spaans overeenkomend met: Abalear, Balear, Bombardear
  sBekogelen
Bombarderen
BeschootBeschoten
BeschijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bescheen, heeft beschenen; beschijning)
1 schijnen op, over.

In Spaans overeenkomend met: Alumbrar
  sBelichten
BescheenBeschenen
BeschijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bescheet]], heeft bescheten)
1 (vulgair) schijten op of in.

BescheetBescheten
BeschikkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beschikte, heeft beschikt)
1 tot zijn dienst hebben, bij de hand hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beschikte, heeft beschikt)
1 beslissen.

In Spaans overeenkomend met: Disponer
Establecer
  sBepalen
Beschikken over
Bevelen
Disponeren
Instellen
BeschikteBeschikt
BeschilderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschilderde, heeft beschilderd; beschildering)
1 voorstellingen schilderen op.

BeschilderdeBeschilderd
BeschimmelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beschimmelde, is beschimmeld; beschimmeling)
1 schimmelig worden, zich met schimmel overdekken.

In Spaans overeenkomend met: Encanecer, Enmohecer, Enmohecerse, Florecerse
  sSchimmelen
Verschimmelen
BeschimmeldeBeschimmeld
BeschimpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschimpte, heeft beschimpt; beschimping)
1 honen.

In Spaans overeenkomend met: Afrentar, Agraviar, Denostar, Injuriar, Insultar, Ofender, Ultrajar
  sSchimpen
BeschimpteBeschimpt
BeschoeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschoeide, heeft beschoeid; beschoeiing)
1 (rivieroevers, kaden enz.) van een rechtopstaande wand voorzien tegen afkabbeling, uitspoeling en instorting.

BeschoeideBeschoeid
BeschouwenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beschouwde, heeft beschouwd)
1 op de genoemde wijze zien, beoordelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; beschouwde, heeft beschouwd; beschouwer, beschouwing)
1 beoordelen, overwegen
2 oplettend, aandachtig bezien
3 ambtshalve keuren
4 (visserij) zijn deel van de vangst krijgen.

In Spaans overeenkomend met: Considerar, Tomar en consideración
Contemplar, Reconocer
  sNagaan
Overwegen
Rekening houden met
BeschouwdeBeschouwd
BeschreeuwenBeschreeuwdeBeschreeuwd
BeschreienBeschreideBeschreid
BeschrijdenBeschreedBeschreden
BeschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschreef, heeft beschreven; beschrijver, beschrijving)
1 schrijven op
2 een mondelinge of schriftelijke voorstelling van iets geven, door opsomming van kenmerken en bijzonderheden
3 een gebogen lijn trekken of een beweging maken volgens zo'n lijn.

In Spaans overeenkomend met: Dibujar
Describir
BeschreefBeschreven
BeschuldigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschuldigde, heeft beschuldigd; beschuldiging)
1 (iemand) verantwoordelijk stellen voor een vergrijp.

In Spaans overeenkomend met: Acriminar, Culpar, Denunciar, Inculpar
Acusar, Achacar, Imputar
  sAan de kaak stellen
Aanklagen
Betichten
BeschuldigdeBeschuldigd
BeschuttenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beschutte, heeft beschut; beschutting)
1 beschermen tegen wind, regen, zon enz.

In Spaans overeenkomend met: Abrigar, Amparar, Proteger, Resguardar
  sBehoeden
Beschermen
BeschutteBeschut
BeseffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besefte, heeft beseft)
1 zich realiseren.

In Spaans overeenkomend met: Abarcar, Comprender, Darse cuenta de, Entender
Ser consciente, Tener conciencia de
  sBegrijpen
Bevatten
Doorzien
Omvatten
Snappen
Vatten
Verstaan
Zich bewust zijn
Zich realiseren
BesefteBeseft
BeseibelenBeseibeldeBeseibeld
BesjoechelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie besjoemelen.

BesjoecheldeBesjoecheld
BesjoemelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[besjoemelde]], heeft besjoemeld)
1 (informeel) bedriegen.

BesjoemeldeBesjoemeld
BesjollemenBesjollemdeBesjollemd
BeslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; besloeg, is beslagen)
1 (van glanzende of heldere oppervlakten) met een waas, een condenslaag overtrokken worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; besloeg, heeft beslagen)
1 bekleden om het beter, [[mooier]] te maken
2 (een paard) ijzers onder de hoeven leggen
3 (ruimte) innemen, een omvang hebben van
4 (een boomstam) vierzijdig behakken om er een balk van te maken
5 (een stof) aanmengen met een vloeistof.

In Spaans overeenkomend met: Ocupar espacio
Herrar
Guarnecer
Empañarse ((ruiten),(vidrios))
Empañar ((met wasem bedekken))
Desempeñar, Ocupar
  sAanslaan
Afzetten
Bekleden
Bezetten
Bezig houden
Dof maken
Garneren
In beslag nemen
Stofferen
Uitmonsteren
Vervullen
BesloegBeslagen
BeslapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besliep, heeft beslapen)
1 als bed gebruiken.

BesliepBeslapen
BeslechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beslechtte, heeft beslecht; beslechting)
1 (twist, geschil, moeilijkheden) uit de weg ruimen door een vergelijk of door een gevecht
2 (techniek) vlak maken.

BeslechtteBeslecht
BeslissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; besliste, heeft beslist; beslissing)
1 vaststellen wat er gedaan moet worden
2 een bepaalde uitkomst doen hebben, de doorslag geven in.

In Spaans overeenkomend met: Decidir, Decidirse
  sBesluiten
Uitmaken
Zich voornemen
BeslisteBeslist
BesluipenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besloop, heeft beslopen; besluiping)
1 sluipend (iem., iets) naderen om hem of het te overvallen.

BesloopBeslopen
BesluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besloot, heeft besloten)
1 (ook absoluut) beëindigen
2 (ook absoluut) kiezen wat er gedaan wordt
3 (archaïsch) concluderen, een gevolgtrekking maken als uitkomst van een redenering.

In Spaans overeenkomend met: Decidir, Decidirse, Optar
Acabar, Terminar
Concluir, Sacar conclusión
  sAfleiden
Afmaken
Afsluiten
Beslissen
Beëindigen
Concluderen
Een gevolgtrekking maken
Eindigen
Opteren
Overgaan
Uitmaken
Voleindigen
Zich voornemen
BeslootBesloten
BesmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besmeerde, heeft besmeerd; besmering)
1 met een halfvaste substantie bestrijken
2 bevuilen, besmeuren.

In Spaans overeenkomend met: Engrasar, Untar
  sAansmeren
Doorsmeren
Smeren
BesmeerdeBesmeerd
BesmettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besmette, heeft besmet; besmetting)
1 ziektekiemen overbrengen op
2 (iets [[kwalijks]]) op anderen overbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Infectar, Infestar
Contaminar
Contagiar
  sAansteken
Infecteren
Verpesten
BesmetteBesmet
BesmeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besmeurde, heeft besmeurd; besmeuring)
1 bevuilen.

BesmeurdeBesmeurd
BesnarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besnaarde, heeft besnaard; besnaring)
1 (een muziekinstrument, racket) van snaren voorzien.

BesnaardeBesnaard
BesneeuwenBesneeuwdeBesneeuwd
BesnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besneed, heeft besneden; besnijding)
1 door snijden vormen, bewerken
2 de voorhuid wegnemen bij.

In Spaans overeenkomend met: Circuncidar
BesneedBesneden
BesnoeienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; besnoeide, heeft besnoeid)
1 bezuinigen.
([[overgankelijk]] werkwoord; besnoeide, heeft besnoeid)
1 [[kleiner]] maken, verminderen
2 (bomen, vooral heggen) door snoeien bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Destallar ((bomen en heggen snoeien),(Cortar o quitar las ramas superfluas de los árboles, vides y otras plantas)), Escamondar ((bomen en heggen snoeien),(Cortar o quitar las ramas superfluas de los árboles, vides y otras plantas)), Mondar ((bomen en heggen snoeien),(Cortar o quitar las ramas superfluas de los árboles, vides y otras plantas)), Podar ((bomen en heggen snoeien),(Cortar o quitar las ramas superfluas de los árboles, vides y otras plantas)), Recortar ((bomen en heggen snoeien),(Cortar o quitar las ramas superfluas de los árboles, vides y otras plantas))
  sSnoeien
BesnoeideBesnoeid
BesnuffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besnuffelde, heeft besnuffeld; besnuffeling)
1 snuffelend onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Olisquear
BesnuffeldeBesnuffeld
BesodemieterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besodemieterde, heeft besodemieterd)
1 (informeel) bedriegen.

BesodemieterdeBesodemieterd
BesommenBesomdeBesomd
BespannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespande, heeft bespannen; bespanning)
1 (iets) overspannen met weefsel, draden, snaren enz.
2 trekdieren spannen aan, voor.

In Spaans overeenkomend met: Uncir
  sInspannen
Optuigen
Spannen
Tuigen
Voorspannen
BespandeBespannen
BesparenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespaarde, heeft bespaard; besparing)
1 minder gebruiken
2 achterwege laten.

In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar
  sBezuinigen
Sparen
Uitsparen
Uitwinnen
Uitzuinigen
BespaardeBespaard
BespattenIn Spaans overeenkomend met: Salpicar
BespatteBespat
BespelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespeelde, heeft bespeeld; bespeler, bespeling)
1 spelen op of in (een bepaalde plaats)
2 muziek maken op (een bepaald instrument)
3 invloed uitoefenen op.

In Spaans overeenkomend met: Tañer ((muziek maken op een muziekinstrument),(Tocar un instrumento musical de percusión o de cuerda)), Tocar ((muziek maken op een muziekinstrument),(Hacer sonar según arte cualquier instrumento))
  sTrommelen
BespeeldeBespeeld
BespeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespeurde, heeft bespeurd; bespeuring)
1 onwillekeurig waarnemen.

In Spaans overeenkomend met: Divisar, Notar
Vislumbrar
  sDoorschemeren
In de smiezen krijgen
In het oog krijgen
Onderkennen
Onderscheiden
Ontwaren
Opmerken
Oppervlakkig leren kennen
BespeurdeBespeurd
BespiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespiedde, heeft bespied; bespieder, bespieding)
1 heimelijk [[iemands]] gangen nagaan.

In Spaans overeenkomend met: Acechar, Aguaitar, Atisbar, Avizorar, Curiosear, Espiar
  sBegluren
Beloeren
Bespioneren
Gluren
Spieden
Spioneren
Uitvorsen
Verspieden
BespieddeBespied
BespiegelenBespiegeldeBespiegeld
BespijkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespijkerde, heeft bespijkerd; bespijkering)
1 met spijkers beslaan.

BespijkerdeBespijkerd
BespikkelenIn Spaans overeenkomend met: Puntear
Motear
BespikkeldeBespikkeld
BespionerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespioneerde, heeft bespioneerd)
1 bespieden.

In Spaans overeenkomend met: Atisbar
Acechar, Espiar
  sBeloeren
Bespieden
Gluren
Op de uitkijk staan
Spieden
Spioneren
Verspieden
BespioneerdeBespioneerd
BespoedigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespoedigde, heeft bespoedigd; bespoediging)
1 [[spoediger]] doen plaatshebben.

In Spaans overeenkomend met: Acelerar, Activar, Adelantar, Apresurar
  sAccelereren
Verhaasten
Versnellen
BespoedigdeBespoedigd
BespoelenBespoeldeBespoeld
BespottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespotte, heeft bespot; bespotter, bespotting)
1 spottend spreken of schrijven over.

In Spaans overeenkomend met: Burlarse de, Mofarse de
Ridiculizar
  sEscarnecer
Zich vrolijk maken over
BespotteBespot
BesprekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besprak, heeft besproken; bespreking)
1 spreken over
2 beoordelen, recenseren
3 tevoren voor zich bedingen.

In Spaans overeenkomend met: Debatir ((een gesprek over een bepaald onderwerp voeren)), Discutir ((een gesprek over een bepaald onderwerp voeren)), Disputar ((een gesprek over een bepaald onderwerp voeren)), Hablar de ((een gesprek over een bepaald onderwerp voeren)), Tratar de ((een gesprek over een bepaald onderwerp voeren))
Reseñar ((beoordelen, recenseren))
Conservar ((vooruit bestellen: Zij wilden voor de avondvoorstelling twee plaatsen bespreken.)), Reservar ((vooruit bestellen: Zij wilden voor de avondvoorstelling twee plaatsen bespreken.))
  sBehandelen
Bepraten
Bestellen
Boeken
Openhouden
Recenseren
Reserveren
Vrijhouden
BesprakBesproken
BesprengenBesprengdeBesprengd
BesprenkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besprenkelde, heeft besprenkeld; besprenkeling)
1 natmaken door er druppels over te strooien.

In Spaans overeenkomend met: Asperjar, Gotear, Hisopear, Regar, Rociar, Salpicar
  sBesproeien
Sprenkelen
Sproeien
BesprenkeldeBesprenkeld
BespringenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besprong, heeft besprongen; bespringer, bespringing)
1 zich met een sprong werpen op
2 onverhoeds aanvallen
3 (van mannelijke dieren) dekken.

BesprongBesprongen
BesproeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besproeide, heeft besproeid; besproeiing)
1 met fijne druppels natmaken.

In Spaans overeenkomend met: Abrevar, Aguar
Asperjar, Hisopear, Rociar
Regar
  sBegieten
Besprenkelen
Bevloeien
Gieten
Sprenkelen
Sproeien
Water geven
Wateren
BesproeideBesproeid
BespugenBespuugde, BespoogBespuugd, Bespogen
BespuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bespoot, heeft bespoten; bespuiting)
1 natspuiten
2 (planten, aarde enz.) met een middel behandelen dat er door spuiten opgebracht wordt.

BespootBespoten
BespuwenBespuwdeBespuwd
BestaanALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 het in wezen zijn, het er zijn
2 onderhoud door kostwinning.
(werkwoord; bestond, heeft bestaan van)
1 leven, zich onderhouden.
(werkwoord; bestond, heeft bestaan uit, in)
1 inhouden, omvatten.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bestond, heeft bestaan)
1 in wezen zijn, er zijn.

In Spaans overeenkomend met: Existir
Consistir
Atreverse
  sBerusten
Durven
Gegrond zijn
Steunen
Wagen
BestondBestaan
BestedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besteedde, heeft besteed; besteding)
1 iets ergens aan uitgeven of voor inzetten.

In Spaans overeenkomend met: Invertir
Desembolsar, Gastar
Dedicar
  sSpenderen
Uitgeven
Verteren
BesteeddeBesteed
BestekenBestakBestoken
BestelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestal, heeft bestolen)
1 van eigendom beroven.

In Spaans overeenkomend met: Hurtar, Robar
  sStelen
Zich vergrijpen aan
BestalBestolen
BestellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestelde, heeft besteld)
1 (ook absoluut) in een café, restaurant enz. vragen een consumptie, een maaltijd te brengen
2 bespreken, reserveren
3 aan huis bezorgen.

In Spaans overeenkomend met: Demandar, Encargar ((afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden)), Hacer pedido ((afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden)), Pedir ((afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden))
Conservar ((vooruit bestellen: Zij wilden voor de avondvoorstelling twee plaatsen bespreken.)), Reservar ((vooruit bestellen: Zij wilden voor de avondvoorstelling twee plaatsen bespreken.))
  sAanvragen
Bespreken
Boeken
Openhouden
Reserveren
Vrijhouden
BesteldeBesteld
BestemmenIn Spaans overeenkomend met: Designar, Destinar
  sBenoemen
Uittrekken
BestemdeBestemd
BestempelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bestempelde, heeft bestempeld)
1 met een naam of titel aanduiden.
([[overgankelijk]] werkwoord; bestempelde, heeft bestempeld; bestempeling)
1 een stempel drukken op.

BestempeldeBestempeld
BestendigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestendigde, heeft bestendigd; bestendiging)
1 laten voortduren, van kracht doen blijven.

BestendigdeBestendigd
BestervenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bestierf, is bestorven)
1 (van vlees) na het slachten enkele dagen op een koele plaats rijpen
2 (van stoffen) na een bewerking geheel tot rust komen, met [[name]] stijf en droog worden.
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BestierfBestorven
BestierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestierde, heeft bestierd; bestierder, bestiering)
1 (archaïsch) besturen, leiden.

BestierdeBestierd
BestijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besteeg, heeft bestegen; bestijger, bestijging)
1 klimmen op.

In Spaans overeenkomend met: Ascender, Ascender a, Ascender al, Subir, Subir a
Montar
  sBegaan
Beklimmen
Klimmen
Naar boven gaan
Opgaan
Rijzen
Stijgen
BesteegBestegen
BestikkenBestikteBestikt
BestippelenBestippeldeBestippeld
BestippenBestipteBestipt
BestoelenBestoeldeBestoeld
BestokenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestookte, heeft bestookt; bestoker, bestoking)
1 vijandelijk aanvallen, met [[name]] beschieten
2 het iemand lastig maken.

In Spaans overeenkomend met: Hostilizar
BestookteBestookt
BestoppenBestopteBestopt
BestormenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestormde, heeft bestormd; bestormer, bestorming)
1 plotseling en met een grote menigte benaderen.

In Spaans overeenkomend met: Asaltar, Atracar, Cargar
BestormdeBestormd
BestortenBestortteBestort
BestraffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestrafte, heeft bestraft; bestraffer, bestraffing)
1 straf doen ondergaan, straffen
2 straf geven voor.

In Spaans overeenkomend met: Enderezar
Castigar
  sKastijden
Straffen
Verbeteren
BestrafteBestraft
BestralenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestraalde, heeft bestraald; bestraler, bestraling)
1 met lichtstralen beschijnen
2 (geneeskunde) met radioactieve stralen behandelen
3 producten met behulp van gammastralen langer houdbaar maken.

In Spaans overeenkomend met: Irradiar
BestraaldeBestraald
BestratenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestraatte, heeft bestraat; bestrater, bestrating)
1 (een weg, plein, straat) met een laag stenen, tegels of asfalt bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Adoquinar, Empedrar, Pavimentar
  sPlaveien
BestraatteBestraat
BestrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestreed, heeft bestreden; bestrijder, bestrijding)
1 in woord of geschrift strijden tegen
2 trachten een einde te maken aan
3 vechten tegen.

In Spaans overeenkomend met: Contradecir, Discutir, Objetar
Combatir
Oponerse
Protestar
  sAanvechten
Beletten
Betwisten
Het opnemen tegen
Protest aantekenen
Protesteren
Tegenspreken
BestreedBestreden
BestrijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestreek, heeft bestreken; bestrijker, bestrijking)
1 kunnen bereiken
2 een vloeibare of zachte stof smeren op.

In Spaans overeenkomend met: Pincelar
BestreekBestreken
BestrooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestrooide, heeft bestrooid; bestrooier, bestrooiing)
1 door strooien bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Esparcir
Empolvar, Empolvorar, Empolvorizar, Espolvorear, Salpicar, Sembrar
BestrooideBestrooid
BestuderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestudeerde, heeft bestudeerd; bestudering)
1 met aandacht lezen en overwegen om de betekenis ten volle te begrijpen
2 aandachtig nagaan, onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Estudiar
  sStuderen
BestudeerdeBestudeerd
BestuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestoof, heeft bestoven; bestuiver, bestuiving)
1 door stuiven bedekken.

BestoofBestoven
BesturenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestuurde, heeft bestuurd; bestuurder, besturing)
1 (een voer- of vaartuig) de gewenste richting doen volgen
2 (een werktuig) bedienen
3 (zaken van algemeen of groepsbelang) leiden, aan het hoofd staan van.

In Spaans overeenkomend met: Administrar
Dirigir
Capitanear
Cuidar la casa, Llevar la casa
Gobernar, Regir, Subyugar
Conducir
  sAanvoeren
Administreren
Beheren
De scepter zwaaien
Dirigeren
Heersen
Huishouden
Mennen
Regeren
Richten
Sturen
Toedienen
BestuurdeBestuurd
BesuikerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besuikerde, heeft besuikerd)
1 met suiker bestrooien.

BesuikerdeBesuikerd
BetalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; betaalde, heeft betaald; betaler, betaling)
1 (van zaken) geld opleveren.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; betaalde, heeft betaald)
1 (het verschuldigde bedrag) aan de rechthebbende geven
2 (geleverde goederen of diensten) ruilen tegen geld.

In Spaans overeenkomend met: Aflojar, Pagar, Retribuir
  sDokken
Storten
Uitbetalen
Uitkeren
Voldoen
BetaaldeBetaald
BetamenALLE betekenissen van dit woord:
(onpersoonlijk werkwoord; betaamde, heeft betaamd)
1 behoorlijk zijn.

In Spaans overeenkomend met: Ser conforme, Ser decoroso
Convenir, Ser conveniente
  sBehoren
Gelegen komen
Horen
Passen
Schikken
Uitkomen
Voegen
BetaamdeBetaamd
BetastenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betastte, heeft betast; betaster, betasting)
1 met de vingertoppen bevoelen
2 medisch onderzoeken door bevoelen en bekloppen.

In Spaans overeenkomend met: Sobar
Palpar
  sBevoelen
Kneden
Tasten
Voelen
BetastteBetast
BetegelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betegelde, heeft betegeld; betegeling)
1 (de wanden of de vloer) met tegels bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Alicatar
Azulejar
BetegeldeBetegeld
BetekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betekende, heeft betekend)
1 als strekking, inhoud, bedoeling hebben
2 de genoemde waarde hebben
3 (juridisch) bekendmaken
4 tot gevolg hebben.

In Spaans overeenkomend met: Requerir
Apercibir, Significar
  sBeduiden
Staan voor
BetekendeBetekend
BetelenBeteeldeBeteeld
BeterenIn de betekenis van: Teer smeren op => teren

BeteerdeBeteerd
beterenIn de betekenis van: Beter worden => genezen

BeterdeGebeterd
BeteugelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beteugelde, heeft beteugeld; beteugeling)
1 in zijn vrije uiting, loop of beweging beperken.

In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir
Reportar
  sBedwingen
Betomen
In toom houden
Inhouden
Intomen
Matigen
Onderdrukken
BeteugeldeBeteugeld
BetichtenIn Spaans overeenkomend met: Acriminar, Denunciar, Inculpar
Acusar, Achacar, Imputar
  sAan de kaak stellen
Aanklagen
Beschuldigen
BetichtteBeticht
BetijenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 tot rust komen.

BetimmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[betimmerde]], heeft betimmerd; betimmering)
1 van timmerwerk voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Enmaderar
BetimmerdeBetimmerd
BetingelenBetingeldeBetingeld
BetitelenIn Spaans overeenkomend met: Etiquetar
Tratar
  sAanspreken
BetiteldeBetiteld
BetittelenBetitteldeBetitteld
BetoelagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[betoelaagde]], heeft betoelaagd; betoelager, betoelaging)
1 (in [[België]], niet algemeen) subsidiëren.

BetoelaagdeBetoelaagd
BetogenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; betoogde, heeft betoogd; betoger, betoging)
1 als deelnemer aan een demonstratie zijn standpunt, gevoelens kenbaar maken.
([[overgankelijk]] werkwoord; betoogde, heeft betoogd)
1 trachten aan te tonen, aannemelijk willen maken.

In Spaans overeenkomend met: Argumentar
  sArgumenteren
Bewijsgronden aanvoeren
BetoogdeBetoogd
BetomenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betoomde, heeft betoomd)
1 beteugelen.

In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir
  sBedwingen
Beteugelen
In toom houden
Intomen
BetoomdeBetoomd
BetonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betoonde, heeft betoond)
1 blijk geven van.
(wederkerend werkwoord; betoonde zich, heeft zich betoond)
1 zich doen kennen als.

BetoondeBetoond
BetonnenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van beton gemaakt.
([[overgankelijk]] werkwoord; betonde, heeft betond; betonner, betonning)
1 met tonnen afbakenen.

BetondeBetond
BetoverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betoverde, heeft betoverd; betovering)
1 door toverij in zekere toestand brengen
2 op [[onweerstaanbare]] wijze bekoren.

In Spaans overeenkomend met: Hechizar
Embrujar en efigie, Hechizar en efigie
Fascinar
Cauterizar
  sBegoochelen
Beheksen
Fascineren
BetoverdeBetoverd
BetrachtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betrachtte, heeft betracht; betrachter, betrachting)
1 zich houden aan, in acht nemen.

In Spaans overeenkomend met: Practicar
  sBeoefenen
In de praktijk brengen
Uitoefenen
BetrachtteBetracht
BetraliënBetraliedeBetralied
BetranenBetraandeBetraand
BetrappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betrapte, heeft betrapt; betrapping)
1 (iemand die heimelijk iets doet) daarbij verrassen.

In Spaans overeenkomend met: Atrapar
Sorprender
  sSnappen
Verrassen
BetrapteBetrapt
BetredenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betrad, heeft betreden; betreder, betreding)
1 (formeel) zich begeven op of in.

In Spaans overeenkomend met: Hollar, Pisar
BetradBetreden
BetreffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betrof, heeft betroffen)
1 gaan over, tot onderwerp hebben.

In Spaans overeenkomend met: Atañer, Concernir, Incumbir, Respectar
Referirse
Relacionarse, Tener relación
  sAanbelangen
Aangaan
Gelden
Raken
Toebehoren
Verkeren
Zich verhouden
BetrofBetroffen
BetrekkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; betrok, heeft betrokken)
1 bij iets een rol laten spelen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; betrok, is betrokken; betrekker, betrekking)
1 (van de lucht) met wolken bedekt raken
2 (van een gezicht e.d.) somber worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; betrok, heeft betrokken)
1 zijn intrek nemen in, zich vestigen in
2 (artikelen enz.) kopen.

In Spaans overeenkomend met: Ocupar ((zich in een woning installeren))
Cargarse ((),(Dicho del tiempo, del cielo, del horizonte)), Cerrarse ((),(Dicho del tiempo, del cielo, del horizonte)), Cubrirse ((bewolkt raken van de lucht)), Encapotarse ((de lucht),(el cielo)), Nublarse ((bewolkt raken van de lucht)), Obscurecerse ((bewolkt raken van de lucht))
  sBewolkt worden
Bewonen
BetrokBetrokken
BetreurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betreurde, heeft betreurd)
1 spijt, droefheid voelen over.

In Spaans overeenkomend met: Lamentar
Deplorar, Llorar
  sBejammeren
Bewenen
Spijt hebben van
BetreurdeBetreurd
BetrouwenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; betrouwde, heeft betrouwd)
1 (in [[België]], niet algemeen) vertrouwen op.
([[overgankelijk]] werkwoord; betrouwde, heeft betrouwd)
1 (in [[België]], niet algemeen) vertrouwen.

BetrouwdeBetrouwd
BettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bette]], heeft gebet)
1 deppen.

In Spaans overeenkomend met: Mojar
  sDeppen
BetteGebet
BetuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betuigde, heeft betuigd; betuiger, betuiging)
1 te kennen geven, uitdrukkelijk verklaren.

In Spaans overeenkomend met: Afirmar, Asegurar
Declarar
Enunciar, Expresar
  sAangeven
Bevestigen
Beweren
Declareren
Opperen
Uitdrukken
Uiten
Uitspreken
Verklaren
Verwoorden
Verzekeren
BetuigdeBetuigd
BetuinenBetuindeBetuind
BetuttelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betuttelde, heeft betutteld; betuttelaar, betutteling)
1 paternalistisch behandelen.

BetutteldeBetutteld
BetwijfelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betwijfelde, heeft betwijfeld)
1 de juistheid van iets onzeker achten.

BetwijfeldeBetwijfeld
BetwistenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; betwistte, heeft betwist; betwister, betwisting)
1 strijd voeren over het bezit of de eigendom van
2 de onjuistheid betogen of het tegendeel staande houden van
3 ontzeggen.

In Spaans overeenkomend met: Cuestionar, Discutir, Disputar, Impugnar, Poner en disputa
Contradecir ((tegenwerpen)), Objetar ((tegenwerpen))
  sAanvechten
Bestrijden
In tegenspraak zijn met
Tegenspreken
Tegenwerpen
BetwistteBetwist
BeugelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beugelde, heeft gebeugeld)
1 het [[beugelspel]] beoefenen.

BeugeldeGebeugeld
BeugenBeugdeGebeugd
BeukenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 beukenhout.
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van [[beukenhout]] gemaakt.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beukte, heeft gebeukt; beuker)
1 hard slaan.

In Spaans overeenkomend met: Aporrear, Pegar, Zurrar
  sAfranselen
Aftuigen
BeukteGebeukt
BeulenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beulde, heeft gebeuld)
1 hard werken, zich afmatten.

BeuldeGebeuld
BeunenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[beunde]], heeft gebeund)
1 beunhazen.

BeundeGebeund
BeunhazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beunhaasde, heeft gebeunhaasd)
1 het zonder de vereiste kennis en bevoegdheid uitoefenen van een vak.

In Spaans overeenkomend met: Chafallar, Chapucear
  sKnoeien
Modderen
Verhaspelen
Verknoeien
Verprutsen
BeunhaasdeGebeunhaasd
BeurelenBeureldeGebeureld
BeurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; beurde, heeft gebeurd)
1 tillen
2 (geld) innen.

In Spaans overeenkomend met: Alzar, Levantar
  sHeffen
Omhoogtrekken
Ophalen
Oprichten
Tillen
Verheffen
Verhogen
BeurdeGebeurd
BeuzelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[beuzelde]], heeft gebeuzeld; beuzelaar)
1 kletsen
2 zich met kleinigheden bezighouden.

BeuzeldeGebeuzeld
BevallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (beviel, is bevallen) baren, een kind ter wereld brengen
2 (beviel, heeft/is bevallen) overeenkomen met [[iemands]] smaak.

In Spaans overeenkomend met: Dar a luz, Parir
Engendrar
Agradar, Gustar, Petar
  sAanstaan
Baren
Behagen
Het leven schenken
Prettig vinden
Teweegbrengen
Voortbrengen
Zinnen
BevielBevallen
BevangenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord; bevangener, meest bevangen; bevangenheid)
1 schuchter, verlegen.
([[overgankelijk]] werkwoord; beving, heeft bevangen)
1 (van aandoeningen) overmeesteren.

In Spaans overeenkomend met: Vencer
  sOverwinnen
Verslaan
Zegevieren
BevingBevangen
BevarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoer, heeft bevaren)
1 varen op, over
2 als lid van de bemanning varen op (een vaartuig).

BevoerBevaren
BevattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevatte, heeft bevat; bevatting)
1 omvatten, in zich sluiten
2 begrijpen.

In Spaans overeenkomend met: Incluir
Contener
Caber
Abarcar, Comprender, Entender, Penetrar, Penetrarse
Concebir
  sBegrijpen
Beseffen
Doorgronden
Doorzien
Een begrip vormen
Houden
Inhouden
Insluiten
Omvatten
Snappen
Vatten
Verstaan
Vervatten
BevatteBevat
BevechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevocht, heeft bevochten; bevechter, bevechting)
1 vechtend verkrijgen
2 vechten tegen.

BevochtBevochten
BeveiligenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beveiligde, heeft beveiligd; beveiliging)
1 onttrekken aan geweld, bedreiging, gevaar of schade.

In Spaans overeenkomend met: Proteger, Resguardar
  sIn veiligheid brengen
BeveiligdeBeveiligd
BevelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beval, heeft bevolen)
1 (ook absoluut) (iets) nadrukkelijk aan iemand opdragen
2 (archaïsch) toevertrouwen.

In Spaans overeenkomend met: Acaudillar
Mandar, Ordenar
Disponer
Establecer
  sAanvoeren
Bepalen
Beschikken
Commanderen
Gelasten
Het bevel voeren
Instellen
Sommeren
Verordenen
Voorschrijven
BevalBevolen
BevenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; beefde, heeft gebeefd)
1 bang zijn voor.
([[onovergankelijk]] werkwoord; beefde, heeft gebeefd; beving)
1 hevig trillen.

In Spaans overeenkomend met: Temblar
  sBibberen
Huiveren
Rillen
Trillen
BeefdeGebeefd
BevestigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevestigde, heeft bevestigd; bevestiger, bevestiging)
1 vastmaken
2 overtuigender, [[sterker]] maken
3 zeggen dat iets is zoals gevraagd of verondersteld wordt
4 (iemand) plechtig in een rang, waardigheid installeren
5 (protestants) een huwelijk kerkelijk inzegenen.

In Spaans overeenkomend met: Afirmar
Afianzar, Asegurar, Corroborar, Fijar, Sujetar
Asentir
Confirmar
Ratificar
  sBeamen
Bekrachtigen
Betuigen
Beweren
Erkennen
Fixeren
Ja zeggen
Ratificeren
Staven
Toestemmen
Vastbinden
Vastmaken
Vastzetten
Verstevigen
Verzekeren
Vormen
BevestigdeBevestigd
BevindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevond, heeft bevonden; bevinding)
1 na waarneming tot de genoemde conclusie komen.
(wederkerend werkwoord; bevond zich, heeft zich bevonden)
1 in de genoemde toestand zijn
2 aanwezig zijn, zich ophouden.

In Spaans overeenkomend met: Comprobar ((na waarneming tot de slotsom komen )), Constatar ((na waarneming tot de slotsom komen ))
Encontrar ((na waarneming tot de slotsom komen )), Hallar ((na waarneming tot de slotsom komen ))
  sAantreffen
Constateren
Treffen
Vaststellen
Vinden
BevondBevonden
BevingerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevingerde, heeft bevingerd; bevingering)
1 met de vingers betasten
2 met de vingers vuilmaken.

BevingerdeBevingerd
BevissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beviste, heeft bevist; bevisser, bevissing)
1 vissen in.

BevisteBevist
BevittenBevitteBevit
BevlaggenBevlagdeBevlagd
BevlekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevlekte, heeft bevlekt; bevlekker, bevlekking)
1 vlekken maken op
2 schenden.

In Spaans overeenkomend met: Amancillar, Emporcar, Ensuciar, Mancillar, Manchar
  sBevuilen
Bezoedelen
Verontreinigen
Vuilmaken
BevlekteBevlekt
BevliegenBevloogBevlogen
BevlijtigenBevlijtigdeBevlijtigd
BevloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevloeide, heeft bevloeid; bevloeier, bevloeiing)
1 (grond, een gebied) kunstmatig natmaken.

In Spaans overeenkomend met: Aguar, Regar
Abrevar
  sBegieten
Besproeien
Gieten
Irrigeren
Sproeien
Water geven
Wateren
BevloeideBevloeid
BevloerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevloerde, heeft bevloerd; bevloering)
1 met een vloer of wat daartoe dient bedekken.

BevloerdeBevloerd
BevochtenBevochtteBevocht
BevochtigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevochtigde, heeft bevochtigd; bevochtiger, bevochtiging)
1 een beetje natmaken.

In Spaans overeenkomend met: Embeber
Humedecer, Mojar
  sDoordrenken
Vochtig maken
BevochtigdeBevochtigd
BevoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoelde, heeft bevoeld; bevoeling)
1 voelend onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Palpar
  sBetasten
Tasten
Voelen
BevoeldeBevoeld
BevolkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevolkte, heeft bevolkt; bevolking)
1 van volk voorzien
2 als bewoner leven op.

In Spaans overeenkomend met: Poblar
BevolkteBevolkt
BevoogdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoogdde, heeft bevoogd; bevoogding)
1 ([[pejoratief]]) paternalistisch behandelen.

BevoogddeBevoogd
BevoordelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoordeelde, heeft bevoordeeld; bevoordeling)
1 (iemand) begunstigen ten [[nadele]] van een ander.

In Spaans overeenkomend met: Favorecer, Privilegiar
  sBegunstigen
Voorstaan
Voortrekken
BevoordeeldeBevoordeeld
BevoorradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoorraadde, heeft bevoorraad; bevoorrading)
1 van voorraden voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Abastecer, Aprovisionar, Bastimentar, Proveer
  sLeveren
Provianderen
Spekken
Voorzien van
BevoorraaddeBevoorraad
BevoorrechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevoorrechtte, heeft bevoorrecht; bevoorrechting)
1 een voorrecht of voorrechten schenken, boven anderen.

In Spaans overeenkomend met: Privilegiar
BevoorrechtteBevoorrecht
BevorderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevorderde, heeft bevorderd; [[bevorderaar]], bevordering)
1 de werking of ontwikkeling van iets begunstigen
2 in rang verhogen.

In Spaans overeenkomend met: Activar ((de werking of ontwikkeling van iets begunstigen)), Estimular ((de werking of ontwikkeling van iets begunstigen)), Fomentar ((de werking of ontwikkeling van iets begunstigen)), Impulsar ((de werking of ontwikkeling van iets begunstigen)), Promover ((de werking of ontwikkeling van iets begunstigen))
Ascender ((een hogere rang verlenen aan iemand)), Promover ((een hogere rang verlenen aan iemand))
  sKoesteren
Promoveren
BevorderdeBevorderd
BevrachtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bevrachtte]], heeft bevracht; bevrachter, bevrachting)
1 vracht laden in of op
2 een overeenkomst sluiten tot vervoer van goederen per schip of vliegtuig.

In Spaans overeenkomend met: Fletar
  sAls vrachtgoed verzenden
BevrachtteBevracht
BevragenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bevraging)
¶ alleen in verbindingen.
(wederkerend werkwoord; bevraagde zich/bevroeg zich, heeft zich bevraagd)
1 (in [[België]], niet algemeen) inlichtingen vragen.

Bevraagdeª, BevroegBevraagd
BevredigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevredigde, heeft bevredigd)
1 (ook absoluut) tot tevredenheid stemmen
2 geheel voldoen aan (een behoefte)
3 (iemand) helpen aan een orgasme.

In Spaans overeenkomend met: Aplacar, Complacer, Contentar, Satisfacer
  sPaaien
Tegemoetkomen aan
Tevreden stellen
Tevredenstellen
Voldoen
BevredigdeBevredigd
BevreemdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevreemdde, heeft bevreemd; bevreemding)
1 (formeel) verbazen.

In Spaans overeenkomend met: Admirar, Asombrar, Extrañar
  sVerbazen
Verwonderen
BevreemddeBevreemd
BevriezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bevroor, is bevroren; bevriezing)
1 (van vloeistoffen) door verlaging van de temperatuur veranderen in vaste stof
2 door vorst afkoelen tot onder 0 graden.
([[overgankelijk]] werkwoord; bevroor, heeft bevroren)
1 handhaven op een bepaald peil.

In Spaans overeenkomend met: Congelarse, Helarse
Congelar, Helar
  sInvriezen
BevroorBevroren
BevrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevrijdde, heeft bevrijd; bevrijder, bevrijding)
1 de vrijheid teruggeven aan, vrij maken
2 verlossen van hetgeen hindert, kwelt.

In Spaans overeenkomend met: Desahogar
Desembarazar
Libertar, Poner en libertad
Liberar, Librar
  sAfhelpen
Lenigen
Loslaten
Ontdoen
Ontlasten
Ontruimen
Verlichten
Verlossen
Vrij maken
Vrijlaten
Vrijmaken
BevrijddeBevrijd
BevroedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevroedde, heeft bevroed)
1 (formeel) vermoeden.

BevroeddeBevroed
BevruchtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevruchtte, heeft bevrucht; bevruchting)
1 bij een vrouwelijk wezen of organisme een vrucht doen ontstaan
2 tot scheppende werkzaamheid brengen.

In Spaans overeenkomend met: Fecundar
BevruchtteBevrucht
BevuilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bevuilde, heeft bevuild; bevuiler, bevuiling)
1 vuilmaken.

In Spaans overeenkomend met: Emporcar, Ensuciar, Manchar
  sBevlekken
Bezoedelen
Verontreinigen
Vuilmaken
BevuildeBevuild
BewaarheidenBewaarheiddeBewaarheid
BewakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewaakte, heeft bewaakt; bewaker, bewaking)
1 toezicht houden op de veiligheid van
2 zorgen dat iemand niet ontsnapt
3 iets niet onbeperkt zijn gang laten gaan, in het oog houden.

In Spaans overeenkomend met: Cuidar
Custodiar, Guardar
  sBewaren
De wacht hebben
Hoeden
Opletten
Passen op
Verplegen
Waken over
Zorgen voor
BewaakteBewaakt
BewallenBewaldeBewald
BewalmenBewalmdeBewalmd
BewandelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewandelde, heeft bewandeld)
1 wandelen op of langs.

In Spaans overeenkomend met: Seguir
  sBijhouden
Opvolgen
Volgen
Voortvloeien
BewandeldeBewandeld
BewapenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewapende, heeft bewapend; bewapening)
1 van wapens voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Armar
  sWapenen
BewapendeBewapend
BewarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewaarde, heeft bewaard; bewaarder, bewaring)
1 niet wegdoen
2 (iets) in een bergplaats hebben om het ongeschonden te houden
3 in stand houden, niet verliezen
4 behoeden, beschermen
5 wegschrijven.

In Spaans overeenkomend met: Conservarse
Custodiar, Guardar
Conservar
Ocupar
Preservar
  sBehoeden
Behouden
Bergen
Beschermen
Bewaken
Conserveren
De wacht hebben
Hoeden
Onderhouden
Overhouden
Waken over
BewaardeBewaard
BewasemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewasemde, heeft bewasemd; bewaseming)
1 met wasem bedekken.

BewasemdeBewasemd
BewassenBewiesBewassen
BewaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewaterde, heeft bewaterd; bewatering)
1 met water natmaken.

BewaterdeBewaterd
BewegenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bewoog, heeft bewogen)
1 (iemand) brengen tot een handeling.
(werkwoord; bewoog, heeft bewogen)
1 omgang hebben met, vertoeven, optreden
2 (van geschreven of gesproken teksten) handelen over.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bewoog, heeft bewogen; beweging)
1 van plaats, stand of houding veranderen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bewoog, heeft bewogen)
1 van plaats, stand of houding doen veranderen
2 (werktuigen) aandrijven
3 ontroeren.
(wederkerend werkwoord; bewoog zich, heeft zich bewogen)
1 (van mensen en dieren) van plaats, stand of houding veranderen.

In Spaans overeenkomend met: Conmover
Accionar, Mover
Moverse
  sAangrijpen
Ontroeren
Verroeren
Zich bewegen
Zich verroeren
BewoogBewogen
BewegwijzerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bewegwijzerde]], heeft bewegwijzerd; bewegwijzering)
1 van wegwijzers voorzien.

BewegwijzerdeBewegwijzerd
BeweidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beweidde, heeft beweid; beweiding)
1 vee laten weiden op.

BeweiddeBeweid
BewenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beweende, heeft beweend; bewener, bewening)
1 wenen over, betreuren.

In Spaans overeenkomend met: Deplorar, Llorar
  sBejammeren
Betreuren
BeweendeBeweend
BewerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beweerde, heeft beweerd; bewering)
1 staande houden, zeggen dat iets zo is.

In Spaans overeenkomend met: Aducir, Afirmar, Aseverar, Sostener, Sostenerse
Afirmar
  sBetuigen
Bevestigen
Stellen
Verzekeren
BeweerdeBeweerd
BewerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewerkte, heeft bewerkt; bewerker, bewerking)
1 veranderen om het voor een of ander doel geschikt te maken
2 hout, metaal e.d. versieren
3 (iemand) proberen te beïnvloeden.

In Spaans overeenkomend met: Trabajar
Beneficiar ((grond),(tierra)), Cultivar
Elaborar, Labrar, Zapar ((het terrein bewerken),(zapar el terreno))
  sVerwerken
BewerkteBewerkt
BewerkstelligenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewerkstelligde, heeft bewerkstelligd; bewerkstelliging)
1 de uitvoering van iets tot stand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Realizar
  sRealiseren
Uitvoeren
Verrichten
Verwerkelijken
BewerkstelligdeBewerkstelligd
BewierokenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewierookte, heeft bewierookt; bewieroker, bewieroking)
1 overdreven vleien, prijzen.

BewierookteBewierookt
BewijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewees, heeft bewezen)
1 doen blijken dat iets is zoals beweerd of verondersteld werd
2 iemand een gunstige bejegening laten ondervinden.

In Spaans overeenkomend met: Comprobar
Argumentar, Argüir, Demostrar
Probar
  sAantonen
Adstrueren
Staven
Tonen
Uitwijzen
Waarmaken
BeweesBewezen
BewilligenBewilligdeBewilligd
BewimpelenIn Spaans overeenkomend met: Paliar
  sBemantelen
Maskeren
Verbergen
Verbloemen
BewimpeldeBewimpeld
BewolkenIn Spaans overeenkomend met: Nublar
BewolkteBewolkt
BewonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewonderde, heeft bewonderd; bewonderaar, bewondering)
1 ontzag en waardering hebben voor
2 met ontzag en waardering kijken naar.

In Spaans overeenkomend met: Admirar
BewonderdeBewonderd
BewonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bewoonde, heeft bewoond; bewoner, bewoning)
1 wonen in of op.

In Spaans overeenkomend met: Ocupar
Habitar
  sBetrekken
Inwonen
BewoondeBewoond
BewoordenBewoorddeBewoord
BewustmakenMaakte bewustBewustgemaakt
BezaaienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bezaaide, heeft bezaaid)
1 overdekken met een groot aantal [[gelijksoortige]] voorwerpen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bezaaide, heeft bezaaid; bezaaiing)
1 met zaad bestrooien.

BezaaideBezaaid
BezakkenBezakteBezakt
BezandenBezanddeBezand
BezattenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; bezatte zich, heeft zich bezat)
1 (informeel) zich bedrinken.

BezatteBezat
BezegelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezegelde, heeft bezegeld; bezegeling)
1 bekrachtigen
2 een zegel aanbrengen op.

In Spaans overeenkomend met: Lacrar, Sellar
  sVerzegelen
Zegelen
BezegeldeBezegeld
BezeikenBezeikte, BezeekBezeikt, Bezeken
BezeilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BezeildeBezeild
BezemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bezemde, heeft gebezemd)
1 met een bezem schoonvegen.

In Spaans overeenkomend met: Barrer
  sAanvegen
Opvegen
Schoonvegen
Vegen
BezemdeGebezemd
BezenderenBezenderdeBezenderd
BezerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezeerde, heeft bezeerd)
1 [[onopzettelijk]] pijn doen.

In Spaans overeenkomend met: Dañar, Herir
BezeerdeBezeerd
BezettenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bezette, heeft bezet)
1 voorzien van zaken die erop, eraan, erin of erom gezet worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; bezette, heeft bezet; bezetter, bezetting)
1 (een plaats of ruimte) innemen
2 (een gebied, land) als vreemde mogendheid met een legermacht in bedwang houden
3 (een gebouw e.d.) in beslag nemen om eisen kracht bij te zetten
4 (een plaats) bekleden
5 (muziek) een partij of rol vervullen.

In Spaans overeenkomend met: Desempeñar, Ocupar
  sBekleden
Beslaan
Bezig houden
In beslag nemen
Vervullen
BezetteBezet
BezeverenBezeverdeBezeverd
BezichtigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezichtigde, heeft bezichtigd; bezichtiging)
1 bezien, nauwkeurig beschouwen.

BezichtigdeBezichtigd
BezielenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezielde, heeft bezield; bezieler, bezieling)
1 inspireren
2 leven aan iets geven, tot leven wekken.

In Spaans overeenkomend met: Entusiasmar
Inspirar
Animar
  sAanmoedigen
Animeren
Bemoedigen
Enthousiasmeren
Inboezemen
Inspireren
Opmonteren
Opvrolijken
Opwekken
BezieldeBezield
BezienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezag, heeft bezien)
1 overwegen
2 bekijken.

BezagBezien
BezigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezigde, heeft gebezigd; beziging)
1 (formeel) gebruiken.

BezigdeGebezigd
BezighoudenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; hield bezig, heeft beziggehouden)
1 zich ophouden met, tijd en inspanning besteden aan.
([[overgankelijk]] werkwoord; hield bezig, heeft beziggehouden)
1 [[iemands]] aandacht in beslag nemen
2 werk verschaffen.

In Spaans overeenkomend met: Entretener, Ocupar
Hield bezigBeziggehouden
BezingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezong, heeft bezongen; bezinger, bezinging)
1 in een lied of gedicht [[gewagen]] van, zingen over.

BezongBezongen
BezinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bezonk, is bezonken; bezinking)
1 uit een vloeistof neerslaan
2 (van troebele vloeistoffen) helder worden door stilstaan
3 (van leerstof, ervaringen enz.) rustig overwogen en verwerkt worden.

In Spaans overeenkomend met: Posarse
BezonkBezonken
BezinnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bezon, heeft bezonnen; bezinning)
1 (archaïsch) nadenken.
(wederkerend werkwoord; bezon zich, heeft zich bezonnen)
1 beraden.

BezonBezonnen
BezittenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezat, heeft bezeten; bezitter)
1 in bezit hebben.

In Spaans overeenkomend met: Poseer
  sErop nahouden
Rijk zijn
BezatBezeten
BezodenBezooddeBezood
BezoedelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezoedelde, heeft bezoedeld; [[bezoedelaar]], bezoedeling)
1 bevlekken, besmetten.

In Spaans overeenkomend met: Emporcar, Ensuciar, Manchar
  sBevlekken
Bevuilen
Verontreinigen
Vuilmaken
BezoedeldeBezoedeld
BezoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezocht, heeft bezocht; bezoeker)
1 (iemand) een bezoek brengen, naar iemand toe gaan om hem te zien, te spreken enz.
2 ergens heen gaan om iets te zien, te horen, te leren enz.
3 (archaïsch) beproeven, treffen.

In Spaans overeenkomend met: Asistir a
Ensayar, Probar
Frecuentar
Visitar
  sAfgaan
Op de proef stellen
Opzoeken
Over de vloer komen
BezochtBezocht
BezolderenBezolderdeBezolderd
BezoldigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezoldigde, heeft bezoldigd; bezoldiging)
1 salaris geven aan.

In Spaans overeenkomend met: Asalariar, Estipendiar, Pagar, Remunerar, Retribuir
  sSalariëren
BezoldigdeBezoldigd
BezomenBezoomdeBezoomd
BezondigenBezondigdeBezondigd
BezonnenIn de betekenis van:
Met zonlicht bestralen, beschijnen; helder verlichten

BezondeBezond
BezorgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezorgde, heeft bezorgd; bezorger, bezorging)
1 verschaffen
2 bij iemand veroorzaken
3 (goederen) op een bepaalde plaats brengen
4 (kopij voor een boek) voor uitgave gereed maken.

In Spaans overeenkomend met: Agenciar ((verschaffen)), Deparar ((verschaffen)), Facilitar ((verschaffen)), Procurar ((verschaffen)), Proporcionar ((verschaffen))
Causar ((bij iemand veroorzaken)), Ocasionar ((bij iemand veroorzaken)), Producir ((bij iemand veroorzaken))
Entregar ((goederen op een bepaalde plaats brengen)), Llevar a domicilio ((goederen op een bepaalde plaats brengen)), Repartir ((brieven op een bepaalde plaats brengen))
  sAandoen
Aanrichten
Afleveren
Berokkenen
Fourneren
Inleveren
Leveren
Stichten
Teweegbrengen
Veroorzaken
Verschaffen
BezorgdeBezorgd
BezuinigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bezuinigde, heeft bezuinigd; bezuiniging)
1 door beperking uitsparen.

In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar
  sBesparen
Sparen
Uitsparen
Uitwinnen
Uitzuinigen
BezuinigdeBezuinigd
BezuipenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; bezoop zich, heeft zich bezopen)
1 (vulgair) zich dronken drinken.

BezoopBezopen
BezurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BezuurdeBezuurd
BezwadderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bezwadderde]], heeft bezwadderd)
1 (archaïsch) bevuilen
2 (archaïsch) belasteren.

BezwadderdeBezwadderd
BezwalkenBezwalkteBezwalkt
BezwangerenBezwangerdeBezwangerd
BezwarenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezwaarde, heeft bezwaard)
1 de druk van een schuld doen voelen
2 drukken, hinderen.

BezwaardeBezwaard
BezwendelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[bezwendelde]], heeft bezwendeld)
1 tot slachtoffer van zwendel maken.

BezwendeldeBezwendeld
BezwerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bezwoer, heeft bezworen; bezweerder, bezwering)
1 met veel nadruk betogen
2 met veel nadruk verzoeken
3 door [[formules]], woorden of gebaren in zijn macht brengen
4 nog tijdig afwenden, voorkomen.

In Spaans overeenkomend met: Conjurar
Jurar
  sUitbannen
BezwoerBezworen
BezwetenBezweetteBezweet
BezwijkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bezweek, is bezweken)
1 in kracht te kort schieten, geen weerstand meer bieden.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bezweek, is bezweken; bezwijking)
1 niet meer bestand zijn tegen
2 sterven.

In Spaans overeenkomend met: Sucumbir a
Desfallecer
Sucumbir
Finalizar
Hundirse
  sOmkomen
Onderdoen
Ophouden
Ophouden te bestaan
Opraken
Overweldigd worden
Sterven
Wijken
Zich onderwerpen
Zwichten
BezweekBezweken
BezwijmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bezwijmde, is bezwijmd; bezwijming)
1 (formeel) flauwvallen.

In Spaans overeenkomend met: Desmayarse, Desvanecerse
  sBewusteloos raken
Flauwvallen
In zwijm vallen
BezwijmdeBezwijmd
BeëdigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beëdigde, heeft beëdigd; beëdiging)
1 (iemand) de eed laten afleggen, een eed afnemen
2 (verklaringen enz.) door een eed bekrachtigen.

In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Juramentar
  sDe eed afnemen van
Een eed afnemen
BeëdigdeBeëdigd
BeëindigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beëindigde, heeft beëindigd; beëindiging)
1 doen ophouden, een einde maken aan.

In Spaans overeenkomend met: Acabar, Finalizar, Terminar
  sAfmaken
Afsluiten
Besluiten
Eindigen
Uitmaken
Voleindigen
Voltooien
BeëindigdeBeëindigd
BeërvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[beërfde]], heeft beërfd)
1 (archaïsch) deelachtig worden.

In Spaans overeenkomend met: Heredar
  sErven
BeërfdeBeërfd
BeïnktenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[beïnktte]], heeft beïnkt; beïnkting)
1 van inkt voorzien.

BeïnktteBeïnkt
BeïnvloedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beïnvloedde, heeft beïnvloed; beïnvloeding)
1 invloed uitoefenen op.

In Spaans overeenkomend met: Influir
  sInvloed hebben op
BeïnvloeddeBeïnvloed
BibberenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bibberde, heeft gebibberd)
1 (van levende wezens) beven.

In Spaans overeenkomend met: Temblequear, Tiritar
Temblar
  sBeven
Beven van de kou
Huiveren
Rillen
Trillen
BibberdeGebibberd
BiddenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bad, heeft gebeden; bidder)
1 (van vogels) klapwiekend [[stilhangen]] in de lucht
2 (van meikevers) zich gereedmaken om op te vliegen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bad, heeft gebeden)
1 zich in een gebed richten tot God
2 dringend (iets) verzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Orar, Rezar
BadGebeden
BiechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; biechtte, heeft gebiecht)
1 (zijn zonden) in de biecht belijden.

In Spaans overeenkomend met: Confesar, Confesarse
BiechtteGebiecht
BiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bood, heeft geboden)
1 (ook absoluut) (bij het kaartspel) aankondigen dat men het genoemde aantal slagen of punten meent te kunnen halen
2 (ook absoluut) in geld willen geven voor, een bod doen
3 toesteken, aanreiken, geven, opleveren
4 aanbieden.

In Spaans overeenkomend met: Ofrecer, Proponer
  sAanbieden
Uitloven
Voordragen
Voorslaan
Voorstellen
BoodGeboden
BietsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bietste, heeft gebietst; bietser)
1 (informeel) bedelen om, (iets) afbedelen
2 (informeel) (iets) lenen en niet teruggeven.

BietsteGebietst
BiezenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van bies gemaakt.
([[overgankelijk]] werkwoord; biesde, heeft gebiesd)
1 een [[reepje]] stof ter versiering aanbrengen op
2 een sierlijntje aanbrengen op.

BiesdeGebiesd
BiggelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; biggelde, heeft/is gebiggeld)
1 (van tranen) naar beneden stromen.

BiggeldeGebiggeld
BiggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bigde, heeft gebigd)
1 (van zeugen) jongen.

BigdeGebigd
BijberekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; berekende bij, heeft bijberekend; bijberekening)
1 boven een eerder bedrag in rekening brengen, extra berekenen.

Berekende bijBijberekend
BijbestellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bestelde bij, heeft bijbesteld)
1 nabestellen.

Bestelde bijBijbesteld
BijbetalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; betaalde bij, heeft bijbetaald; bijbetaling)
1 (een bedrag) betalen boven wat men reeds betaald heeft.

In Spaans overeenkomend met: Pagar un suplemento
Betaalde bijBijbetaald
BijblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef bij, is bijgebleven)
1 gelijk blijven, het tempo volhouden
2 in het geheugen blijven.

Bleef bijBijgebleven
BijboekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boekte bij, heeft bijgeboekt; bijboeking)
1 (posten) bij het overige boeken.

In Spaans overeenkomend met: Consignar, Inscribir
  sBoeken
Inschrijven
Registreren
Boekte bijBijgeboekt
BijbouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bouwde bij, heeft bijgebouwd)
1 door bouwen aan het reeds bestaande toevoegen.

Bouwde bijBijgebouwd
BijbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht bij, heeft bijgebracht)
1 (kennis) verschaffen, eigen laten maken
2 weer tot bewustzijn brengen.

In Spaans overeenkomend met: Alegar
Enseñar, Instruir
Reanimar
  sAanhalen
Aanvoeren
Instrueren
Leren
Scholen
Bracht bijBijgebracht
BijdoenIn Spaans overeenkomend met: Añadir
  sAanbrengen
Bijleggen
Bijmengen
Bijvoegen
Toegeven
Toevoegen
Deed bijBijgedaan
BijdraaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; draaide bij, is bijgedraaid)
1 inschikkelijk, meegaand worden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; draaide bij, heeft bijgedraaid)
1 (scheepvaart) de zeilen zo brassen dat het schip niet meer vooruitgaat.

Draaide bijBijgedraaid
BijdragenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; droeg bij, heeft bijgedragen)
1 bevorderlijk zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; droeg bij, heeft bijgedragen)
1 als zijn aandeel inbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Aportar
Contribuir
Droeg bijBijgedragen
BijdrukkenDrukte bijBijgedrukt
BijeenbehorenBehoorde bijeenBijeenbehoord
BijeenbindenBond bijeenBijeengebonden
BijeenblijvenBleef bijeenBijeengebleven
BijeenbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht bijeen, heeft bijeengebracht)
1 bij elkaar brengen.

In Spaans overeenkomend met: Acabildar, Acopiar, Allegar, Aunar, Colegir, Juntar, Recoger, Reunir
  sAaneenvoegen
Samenbrengen
Samenvoegen
Verenigen
Bracht bijeenBijeengebracht
BijeendrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dreef bijeen, is bijeengedreven)
1 komen samendrijven.
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef bijeen, heeft bijeengedreven)
1 tot een groep of geheel samendrijven.

Dreef bijeenBijeengedreven
BijeendringenIn Spaans overeenkomend met: Apiñar, Apiñarse
Drong bijeenBijeengedrongen
BijeengarenGaarde bijeenBijeengegaard
BijeenhalenHaalde bijeenBijeengehaald
BijeenhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield bijeen, heeft bijeengehouden)
1 zorgen dat hetgeen bijeen is, bijeen blijft.

Hield bijeenBijeengehouden
BijeenkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam bijeen, is bijeengekomen)
1 met een doel samenkomen.

In Spaans overeenkomend met: Reunirse
  sSamenkomen
Vergaderen
Kwam bijeenBijeengekomen
BijeenleggenLegde bijeenBijeengelegd
BijeenlopenLiep bijeenBijeengelopen
BijeenpakkenPakte bijeenBijeengepakt
BijeenpassenPaste bijeenBijeengepast
BijeenrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raapte bijeen, heeft bijeengeraapt; bijeenraping)
1 oprapen en bij elkaar doen.

Raapte bijeenBijeengeraapt
BijeenroepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; riep bijeen, heeft bijeengeroepen; bijeenroeper, bijeenroeping)
1 (personen) oproepen om bijeen te komen.

In Spaans overeenkomend met: Convocar
  sConvoceren
Oproepen
Uitschrijven
Riep bijeenBijeengeroepen
BijeenschakelenSchakelde bijeenBijeengeschakeld
BijeenscharrelenScharrelde bijeenBijeengescharreld
BijeenschrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schraapte bijeen, heeft bijeengeschraapt)
1 door schrapen verzamelen.

Schraapte bijeenBijeengeschraapt
BijeenstekenStak bijeenBijeengestoken
BijeentellenTelde bijeenBijeengeteld
BijeentrommelenTrommelde bijeenBijeengetrommeld
BijeenvoegenIn Spaans overeenkomend met: Juntar
Componer
  sIneenzetten
Samenstellen
Voegde bijeenBijeengevoegd
BijeenzettenZette bijeenBijeengezet
BijeenzijnALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; was bijeen, is bijeengeweest)
1 bij elkaar, samen zijn.

Was bijeenBijeengeweest
BijeenzittenZat bijeenBijeengezeten
BijeenzoekenZocht bijeenBijeengezocht
BijgevenGaf bijBijgegeven
BijgietenGoot bijBijgegoten
BijgooienGooide bijBijgegooid
BijgroeienGroeide bijBijgegroeid
BijhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde bij, heeft bijgehaald)
1 naderbij halen
2 (voedsel e.d.) aanvullen
3 (een cijfer bij delingen) aanhalen
4 (scheepvaart) de zeilen bijzetten.

Haalde bijBijgehaald
BijharkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; harkte bij, heeft bijgeharkt)
1 aanharken.

Harkte bijBijgeharkt
BijhebbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; had bij, heeft bijgehad)
1 (in [[België]]) bij zich hebben.

Had bijBijgehad
BijhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield bij, heeft bijgehouden)
1 houden bij iets anders
2 niet achterraken op
3 regelmatig werken aan.

In Spaans overeenkomend met: Seguir
Tener
Llevar al día
  sBewandelen
Bijwerken
Houden
Opvolgen
Vasthouden
Volgen
Voortvloeien
Hield bijBijgehouden
BijkletsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; kletste bij, heeft bijgekletst)
1 bijpraten.

Kletste bijBijgekletst
BijkleurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kleurde bij, is bijgekleurd)
1 wat kleur krijgen.
([[overgankelijk]] werkwoord; kleurde bij, heeft bijgekleurd)
1 de kleur bijwerken van.

Kleurde bijBijgekleurd
BijklussenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kluste bij, heeft bijgeklust; bijklusser)
1 werk verrichten naast of buiten een officieel [[dienstverband]] om.

Kluste bijBijgeklust
BijknippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knipte bij, heeft bijgeknipt)
1 door knippen in een betere vorm brengen.

Knipte bijBijgeknipt
BijkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam bij, is bijgekomen; bijkoming)
1 uit een flauwte of narcose ontwaken
2 herstellen van een grote inspanning.

Kwam bijBijgekomen
BijkopenKocht bijBijgekocht
BijkrabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; krabbelde bij, is bijgekrabbeld)
1 (informeel) een achterstand inlopen
2 (informeel) (van zieken) langzamerhand wat beter worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; krabbelde bij, heeft bijgekrabbeld)
1 in vluchtig schrift bijvoegen.

Krabbelde bijBijgekrabbeld
BijladenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; laadde bij, heeft bijgeladen)
1 (ook absoluut) (iets) aan de lading toevoegen
2 de lading aanvullen van (een accu, batterij enz.).

Laadde bijBijgeladen
BijlappenLapte bijBijgelapt
BijleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; legde bij, heeft bijgelegd)
1 (ook absoluut) (het ontbrekende) bijbetalen
2 in der minne schikken.

In Spaans overeenkomend met: Añadir ((het ontbrekende bijbetalen))
Capear ((zeevaart))
Acomodar ((meningsverschil of ruzie oplossen)), Acordar ((meningsverschil of ruzie oplossen)), Conciliar ((meningsverschil of ruzie oplossen))
  sAanbrengen
Bijdoen
Bijmengen
Bijvoegen
Toegeven
Toevoegen
Verzoenen
Legde bijBijgelegd
BijlerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; leerde bij, heeft bijgeleerd)
1 aan zijn kennis toevoegen.

Leerde bijBijgeleerd
BijleverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leverde bij, heeft bijgeleverd; bijlevering)
1 samen met iets anders afleveren.

Leverde bijBijgeleverd
BijlichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lichtte bij, heeft bijgelicht; bijlichter, bijlichting)
1 het nodige licht laten schijnen bij.

Lichtte bijBijgelicht
BijliggenLag bijBijgelegen
BijlopenLiep bijBijgelopen
BijmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte bij, heeft bijgemaakt)
1 als aanvulling maken, extra maken.

Maakte bijBijgemaakt
BijmengenIn Spaans overeenkomend met: Añadir
  sAanbrengen
Bijdoen
Bijleggen
Bijvoegen
Toegeven
Toevoegen
Mengde bijBijgemengd
BijmestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; mestte bij, heeft bijgemest; bijmesting)
1 extra mest geven aan (een gewas).

Mestte bijBijgemest
BijnemenNam bijBijgenomen
BijpassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; paste bij, heeft bijgepast)
1 (het aan een som ontbrekende) bijbetalen.

In Spaans overeenkomend met: Suplir
Pagar el suplemento
  sAanvullen
Aanzuiveren
Bijvoegen
Paste bijBijgepast
BijplaatsenPlaatste bijBijgeplaatst
BijplakkenPlakte bijBijgeplakt
BijpleisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pleisterde bij, heeft bijgepleisterd)
1 (beschadigd of ontbrekend pleisterwerk) aanvullen.

Pleisterde bijBijgepleisterd
BijplussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; pluste bij, heeft bijgeplust)
1 (politiek) extra [[overheidsgeld]] voor iets beschikbaar stellen.

Pluste bijBijgeplust
BijpompenPompte bijBijgepompt
BijpratenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; praatte bij, heeft bijgepraat)
1 pratende weer op de hoogte komen.

Praatte bijBijgepraat
BijpuntenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; puntte bij, heeft bijgepunt; bijpunting)
1 haar van uitstekende punten ontdoen
2 een [[scherpere]] punt geven.

Puntte bijBijgepunt
BijschavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schaafde bij, heeft bijgeschaafd; bijschaving)
1 door schaven afwerken, gladmaken
2 kleine gebreken bijwerken, herstellen in.

Schaafde bijBijgeschaafd
BijschenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schonk bij, heeft bijgeschonken)
1 door schenken toevoegen.

Schonk bijBijgeschonken
BijschikkenSchikte bijBijgeschikt
BijschilderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schilderde bij, heeft bijgeschilderd)
1 (het beschadigde) door schilderen bijwerken.

Schilderde bijBijgeschilderd
BijscholenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoolde bij, heeft bijgeschoold; bijscholing)
1 aanvullende scholing geven.

Schoolde bijBijgeschoold
BijschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef bij, heeft bijgeschreven; bijschrijving)
1 (een bedrag) aan een bankrekening toevoegen
2 door schrijven bijhouden.

Schreef bijBijgeschreven
BijschuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof bij, heeft bijgeschoven)
1 schuivend naderbij brengen.

Schoof bijBijgeschoven
BijslapenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 tekort aan slaap inhalen.

BijslepenSleepte bijBijgesleept
BijslijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sleep bij, heeft bijgeslepen; bijslijper, bijslijping)
1 kleine gebreken wegwerken.

Sleep bijBijgeslepen
BijsluitenIn Spaans overeenkomend met: Adjuntar
  sInsluiten
Sloot bijBijgesloten
BijsmedenSmeedde bijBijgesmeed
BijsmerenSmeerde bijBijgesmeerd
BijsnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed bij, heeft bijgesneden)
1 aan het gesnedene toevoegen
2 snijdend de juiste vorm geven aan.

Sneed bijBijgesneden
BijspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde bij, heeft bijgespeeld)
1 (een kaart van de gevraagde kleur) spelen.

Speelde bijBijgespeeld
BijspijkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spijkerde bij, heeft bijgespijkerd)
1 op het vereiste niveau brengen.

Spijkerde bijBijgespijkerd
BijspringenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sprong bij, heeft/is bijgesprongen)
1 (iemand) in gevaar of financiële nood te hulp komen.

Sprong bijBijgesprongen
BijstaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond bij, heeft bijgestaan)
1 (scheepvaart) (van zeilen) uitgezet zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; stond bij, heeft bijgestaan)
1 (iemand) helpen een doel te bereiken.

In Spaans overeenkomend met: Asistir, Secundar, Socorrer
Auxiliar, Ayudar
Sufragar
  sAssisteren
Baten
Begunstigen
Helpen
Meehelpen
Ter zijde staan
Verzorgen
Stond bijBijgestaan
BijstekenStak bijBijgestoken
BijstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde bij, heeft bijgesteld; bijstelling)
1 in de juiste stand brengen
2 (regelingen, plannen enz.) lichtelijk aanpassen.

In Spaans overeenkomend met: Ajustar
  sRectificeren
Rechtzetten
Verbeteren
Stelde bijBijgesteld
BijstoppenStopte bijBijgestopt
BijstortenStortte bijBijgestort
BijstrijkenStreek bijBijgestreken
BijsturenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stuurde bij, heeft bijgestuurd; bijsturing)
1 (een schip, een voertuig) de juiste koers laten behouden
2 (plannen, werkwijze enz.) naar de eis van de omstandigheden corrigeren.

In Spaans overeenkomend met: Corregir
  sCorrigeren
Verbeteren
Stuurde bijBijgestuurd
BijtankenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; tankte bij, heeft bijgetankt)
1 nieuwe voorraad vloeibare brandstof tanken
2 nieuwe kennis of nieuwe energie opdoen.

Tankte bijBijgetankt
BijtekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; tekende bij, heeft bijgetekend)
1 zich verbinden langer in dienst te blijven.
([[overgankelijk]] werkwoord; tekende bij, heeft bijgetekend)
1 in een tekening bijwerken.

Tekende bijBijgetekend
BijtellenIn Spaans overeenkomend met: Sumar
  sAdderen
Optellen
Telde bijBijgeteld
BijtenIn de betekenis van: Een bijt hakken

In Spaans overeenkomend met:
  sAantasten
Beitsen
Corroderen
Happen
Knauwen
Uitbijten
Uitvreten
Wegvreten
BijtteGebijt
BijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; beet, heeft gebeten; bijter)
1 (van stoffen) scheikundig op iets inwerken.
([[overgankelijk]] werkwoord; beet, heeft gebeten)
1 (ook absoluut) de tanden zetten in
2 door de tanden erin te zetten in de genoemde toestand brengen
3 door chemische inwerking doen ontstaan.

In Spaans overeenkomend met: Corroer
Morder
  sAantasten
Beitsen
Corroderen
Happen
Knauwen
Uitbijten
Uitvreten
Wegvreten
BeetGebeten
BijtredenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; trad bij, is bijgetreden)
1 (in [[België]]) bijvallen, zich aansluiten bij.

Trad bijBijgetreden
BijtrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok bij, is bijgetrokken; bijtrekking)
1 gaandeweg zich herstellen
2 gaandeweg in een beter humeur komen.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok bij, heeft bijgetrokken)
1 naderbij of tot zich trekken.

Trok bijBijgetrokken
BijvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel bij, is bijgevallen)
1 zijn instemming betuigen.

Viel bijBijgevallen
BijverdienenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; verdiende bij, heeft bijverdiend)
1 naast zijn eigenlijke loon of salaris verdienen
2 een inkomen naast het inkomen van de kostwinner inbrengen.

Verdiende bijBijverdiend
BijvervenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; verfde bij, heeft bijgeverfd)
1 het nog niet geverfde of het beschadigde verven.

Verfde bijBijgeverfd
BijverzekerenVerzekerde bijBijverzekerd
BijvijlenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vijlde bij, heeft bijgevijld)
1 door vijlen afwerken
2 op ondergeschikte punten verbeteren.

Vijlde bijBijgevijld
BijvoederenVoederde bijBijgevoederd
BijvoegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voegde bij, heeft bijgevoegd; bijvoeging)
1 toevoegen.

In Spaans overeenkomend met: Añadir
Suplir
  sAanbrengen
Aanvullen
Aanzuiveren
Bijdoen
Bijleggen
Bijmengen
Bijpassen
Toegeven
Toevoegen
Voegde bijBijgevoegd
BijvoerenVoerde bijBijgevoerd
BijvullenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vulde bij, heeft bijgevuld; bijvuller, bijvulling)
1 door bijvoegen aanvullen.

In Spaans overeenkomend met: Rellenar
Vulde bijBijgevuld
BijwerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; werkte bij, heeft bijgewerkt; bijwerking)
1 netter afwerken, met [[name]] na veroudering of slijtage
2 extra werkzaamheden verrichten om het gezinsinkomen aan te vullen.

In Spaans overeenkomend met: Completar, Llenar
Retocar
Actualizar, Llevar al día
  sAanvullen
Actualiseren
Actueel maken
Afmaken
Bijhouden
Completeren
Moderniseren
Retoucheren
Updaten
Voleinden
Werkte bijBijgewerkt
BijwinnenWon bijBijgewonnen
BijwonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; woonde bij, heeft bijgewoond; bijwoner, bijwoning)
1 opzettelijk aanwezig zijn bij.

In Spaans overeenkomend met: Asistir, Asistir a, Estar presente, Presenciar
  sAanwezig zijn
Aanwezig zijn bij
Getuige zijn van
Tegenwoordig zijn bij
Woonde bijBijgewoond
BijzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette bij, heeft bijgezet)
1 plaatsen bij
2 (een overledene) begraven in een grafkelder
3 (scheepvaart) (een zeil) [[uitspannen]] om dienst te laten doen
4 (spel) de inzet vermeerderen, verhogen.

In Spaans overeenkomend met: Yuxtaponer
Zette bijBijgezet
BijzittenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zat bij, heeft bijgezeten)
1 (in [[België]], niet algemeen) bij iemand zitten of gaan zitten.

Zat bijBijgezeten
BikkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bikkelde, heeft gebikkeld; bikkelaar)
1 (sport) zich keihard inzetten.

BikkeldeGebikkeld
BikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bikte, heeft gebikt)
1 stukjes afhakken van
2 (informeel) eten.

In Spaans overeenkomend met: Comer ((het nuttigen van voedsel)), Embuchar ((het nuttigen van voedsel)), Engullir ((het nuttigen van voedsel)), Manducar ((het nuttigen van voedsel))
  sEten
Gebruiken
Nuttigen
Vreten
BikteGebikt
BiljartenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; biljartte, heeft gebiljart; biljarter)
1 biljart spelen.

In Spaans overeenkomend met: Jugar al billar
BiljartteGebiljart
BillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bilde, heeft gebild)
1 (een molensteen) voorzien van groeven.

BildeGebild
BillijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; billijkte, heeft gebillijkt; billijking)
1 billijk vinden, gepast achten.

In Spaans overeenkomend met: Aprobar
  sBeamen
Goedkeuren
Toestemmen
BillijkteGebillijkt
BimbammenBimbamdeGebimbamd
BindenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bond, heeft gebonden)
1 (van vloeistoffen) dik worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; bond, heeft gebonden)
1 (ook absoluut) een band of verbinding tot stand brengen
2 (een touw of dergelijk voorwerp) door het leggen van een knoop vastmaken
3 vastmaken door middel van een touw dat geknoopt wordt
4 (iemand) boeien
5 (iemand) in zijn vrijheid beperken
6 (boeken) in katernen opnaaien en in een band zetten
7 door vastknopen doen ontstaan
8 (een vloeistof) dik maken
9 (muziek) twee of meer noten (op een muziekblad) met een [[boogje]] koppelen of (bij het spelen) in elkaar over laten lopen
10 (scheikunde) een verbinding aangaan met.

In Spaans overeenkomend met: Desleír, Espesar
Encuadernar
Concentrar
Atar, Ligar
  sAaneensluiten
Aanlengen
Aansluiten
Dikker maken
Inbinden
Liéren
Oplossen
Vastbinden
Vastmaken
Verbinden
Verdichten
Verdikken
BondGebonden
BingoënALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bingode, heeft gebingood)
1 bingo spelen.

BingodeGebingood
BinnenblijvenBleef binnenBinnengebleven
BinnenbrekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brak binnen, heeft binnengebroken)
1 (in België; informeel) inbreken.

Brak binnenBinnengebroken
BinnenbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht binnen, heeft binnengebracht)
1 binnenshuis, [[binnenskamers]] brengen.

Bracht binnenBinnengebracht
BinnendoenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; deed binnen, heeft binnengedaan)
1 (in [[België]], niet algemeen) (apparaten en machines) wegbrengen voor onderhoud of reparatie
2 (in [[België]], niet algemeen) (documenten) inleveren
3 (in België; informeel) (iemand) versieren.

Deed binnenBinnengedaan
BinnendragenDroeg binnenBinnengedragen
BinnendringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; drong binnen, is binnengedrongen; binnendringer, binnendringing)
1 zich min of meer met geweld toegang verschaffen tot.

In Spaans overeenkomend met: Adentrarse, Introducirse
Irrumpir, Irrumpir en
Internar, Internarse, Penetrar
Calar
Introducir
  sBinnenlaten
Binnenvoeren
Doordringen
Dringen door
Dringen in
Een inval doen
Een inval doen in
Inleiden
Insluipen
Zich toegang verschaffen
Zich verdiepen
Drong binnenBinnengedrongen
BinnendruppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; druppelde binnen, is binnengedruppeld)
1 een voor een, met vrij grote tussenpozen binnenkomen.

Druppelde binnenBinnengedruppeld
BinnenduwenDuwde binnenBinnengeduwd
BinnenfietsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; fietste binnen, is binnengefietst)
1 fietsend binnengaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; fietste binnen, heeft binnengefietst)
1 (informeel) binnenhalen.

Fietste binnenBinnengefietst
BinnengaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging binnen, is binnengegaan)
1 in een afgesloten of begrensde ruimte gaan.

In Spaans overeenkomend met: Acceder, Entrar, Montar
  sBinnenlopen
Ingaan
Ging binnenBinnengegaan
BinnenglijdenGleed binnenBinnengegleden
BinnenglippenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; glipte binnen, is binnengeglipt)
1 behendig en ongemerkt binnenkomen.

In Spaans overeenkomend met: Zamparse
Glipte binnenBinnengeglipt
BinnenhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde binnen, heeft binnengehaald)
1 binnen een ruimte halen
2 (een schip) in de haven halen
3 downloaden.

In Spaans overeenkomend met: Recoger
Haalde binnenBinnengehaald
BinnenhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield binnen, heeft binnengehouden)
1 binnenshuis houden, niet uit laten gaan
2 verzwijgen
3 niet uitbraken.

Hield binnenBinnengehouden
BinnenklimmenKlom binnenBinnengeklommen
BinnenkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam binnen, is binnengekomen)
1 in een genoemde of bedoelde ruimte komen
2 (van schepen) in de haven komen.

In Spaans overeenkomend met: Entrar
  sInkomen
Kwam binnenBinnengekomen
BinnenkrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kreeg binnen, heeft binnengekregen)
1 in het lichaam krijgen
2 ontvangen.

In Spaans overeenkomend met: Tomar, Tragar
  sInnemen
Inslikken
Kreeg binnenBinnengekregen
BinnenkruipenKroop binnenBinnengekropen
BinnenlatenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; liet binnen, heeft binnengelaten)
1 binnen een zekere ruimte laten komen.

In Spaans overeenkomend met: Dejar entrar
Introducir
  sBinnendringen
Binnenvoeren
Inlaten
Inleiden
Liet binnenBinnengelaten
BinnenleidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leidde binnen, heeft binnengeleid)
1 naar binnen brengen.

Leidde binnenBinnengeleid
BinnenlokkenLokte binnenBinnengelokt
BinnenloodsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; loodste binnen, heeft binnengeloodst)
1 (een schip) uit volle zee op de rede of in de haven brengen
2 (iemand) met enige moeite of tersluiks ergens binnen weten te brengen.

Loodste binnenBinnengeloodst
BinnenlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep binnen, is binnengelopen)
1 (van schepen en treinen) aankomen in, op
2 financieel succes boeken.

In Spaans overeenkomend met: Arribar ((haven)), Arribarse
Entrar, Montar
  sAankomen
Binnengaan
Ingaan
Landen
Liep binnenBinnengelopen
BinnenmarcherenMarcheerde binnenBinnengemarcheerd
BinnenpratenPraatte binnenBinnengepraat
BinnenrennenRende binnenBinnengerend
BinnenrijdenIn Spaans overeenkomend met: Entrar
  sInrijden
Reed binnenBinnengereden
BinnenrijvenRijfde binnenBinnengerijfd
BinnenroepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; riep binnen, heeft binnengeroepen)
1 iemand roepen om binnen te komen.

Riep binnenBinnengeroepen
BinnenrollenRolde binnenBinnengerold
BinnenrukkenIn Spaans overeenkomend met: Invadir
  sBinnenvallen
Rukte binnenBinnengerukt
BinnenschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schoot binnen, heeft binnengeschoten)
1 (sport) (de bal) in het doel schieten.

Schoot binnenBinnengeschoten
BinnenschrijdenSchreed binnenBinnengeschreden
BinnenslepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sleepte binnen, heeft binnengesleept)
1 door slepen binnenhalen
2 (een opdracht, overwinning e.d.) met moeite verwerven.

Sleepte binnenBinnengesleept
BinnensluipenSloop binnenBinnengeslopen
BinnensmokkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smokkelde binnen, heeft binnengesmokkeld)
1 tegen de voorschriften in iets in een land binnenbrengen
2 in het geheim binnenbrengen.

Smokkelde binnenBinnengesmokkeld
BinnenspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde binnen, heeft binnengespeeld)
1 (in België; informeel) opeten.

Speelde binnenBinnengespeeld
BinnenstappenStapte binnenBinnengestapt
BinnenstomenStoomde binnenBinnengestoomd
BinnenstormenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stormde binnen, is binnengestormd)
1 in vliegende vaart ergens binnenkomen.

Stormde binnenBinnengestormd
BinnenstromenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stroomde binnen, is binnengestroomd)
1 in een stroom binnen een ruimte komen
2 in grote aantallen, ononderbroken binnenkomen.

Stroomde binnenBinnengestroomd
BinnenstuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoof binnen, is binnengestoven)
1 overhaast ergens binnenkomen.

Stoof binnenBinnengestoven
BinnentredenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trad binnen, is binnengetreden)
1 (formeel) in een afgesloten of begrensde ruimte gaan.

Trad binnenBinnengetreden
BinnentrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok binnen, is binnengetrokken)
1 (van troepen) in geregelde orde binnenkomen in.

Trok binnenBinnengetrokken
BinnenvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel binnen, is binnengevallen)
1 onverwachts binnenkomen
2 (van schepen) noodgedwongen binnenkomen.

In Spaans overeenkomend met: Invadir
  sBinnenrukken
Viel binnenBinnengevallen
BinnenvarenVoer binnenBinnengevaren
BinnenvliegenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vloog binnen, is binnengevlogen)
1 vliegend binnenkomen.

Vloog binnenBinnengevlogen
BinnenvluchtenVluchtte binnenBinnengevlucht
BinnenvoerenIn Spaans overeenkomend met: Introducir
  sBinnendringen
Binnenlaten
Inleiden
Voerde binnenBinnengevoerd
BinnenwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waaide binnen/woei binnen, is binnengewaaid)
1 onverwachts binnenkomen.

Waaide binnen, Woei binnenBinnengewaaid
BinnenwandelenWandelde binnenBinnengewandeld
BinnenwippenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wipte binnen, is binnengewipt)
1 een kort bezoek brengen.

Wipte binnenBinnengewipt
BinnenzeilenZeilde binnenBinnengezeild
BiologerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; biologeerde, heeft gebiologeerd)
1 fascineren.

In Spaans overeenkomend met: Hipnotizar
  sHypnotiseren
BiologeerdeGebiologeerd
BissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[biste]], heeft gebist; bisser)
1 (in [[België]]) (een school- of studiejaar) overdoen.

BisteGebist
BisserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[bisseerde]], heeft gebisseerd)
1 (een muziek- of zangstuk enz.) herhalen op verzoek van het publiek.

BisseerdeGebisseerd
BitterenBitterdeGebitterd
BituminerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bitumineerde, heeft gebitumineerd)
1 met [[bitumen]] bedekken
2 [[bitumen]] toevoegen aan.

BitumineerdeGebitumineerd
BivakkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bivakkeerde, heeft gebivakkeerd)
1 de nacht ergens in de openlucht doorbrengen
2 ergens logeren.

In Spaans overeenkomend met: Vivaquear
BivakkeerdeGebivakkeerd
BlaaskakenBlaaskaakteGeblaaskaakt
BladderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bladderde, heeft/is gebladderd)
1 bladders vormen.

BladderdeGebladderd
BladerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bladerde, heeft gebladerd)
1 de bladen van een boek vluchtig omslaan
2 browsen.

In Spaans overeenkomend met: Hojear
  sDoorbladeren
Ombladeren
BladerdeGebladerd
BlaffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blafte, heeft geblaft; blaffer)
1 het voor honden kenmerkende geluid laten horen
2 (informeel) zeer hard hoesten
3 ([[pejoratief]]) snauwen.

In Spaans overeenkomend met: Ladrar ((van een hond),(de un perro))
  sAanslaan
Beginnen te blaffen
BlafteGeblaft
BlakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; blaakte, heeft geblaakt)
1 overlopen van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; blaakte, heeft geblaakt)
1 gloeiende hitte afgeven.

In Spaans overeenkomend met: Arder
  sGloeien
BlaakteGeblaakt
BlakerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blakerde, heeft geblakerd; blakering)
1 schroeien.

In Spaans overeenkomend met: Calcinar
BlakerdeGeblakerd
BlamerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blameerde, heeft geblameerd)
1 te schande maken.

In Spaans overeenkomend met: Comprometer, Desacreditar, Deshonrar
  sCompromitteren
In opspraak brengen
BlameerdeGeblameerd
BlancherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; blancheerde, heeft geblancheerd)
1 (spijzen) enkele minuten opkoken of stomen voor de eigenlijke bereiding
2 (landbouw) (andijvie, selderie enz.) [[aanaarden]] en [[samenbinden]], zodat ze geel en mals wordt.

In Spaans overeenkomend met: Blanchir, Blanquear, Escaldar
BlancheerdeGeblancheerd
BlankettenIn Spaans overeenkomend met: Maquillar
  sGrimeren
Maquilleren
Opmaken
Schminken
BlanketteGeblanket
BlarenBlaardeGeblaard
BlasfemerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[blasfemeerde]], heeft geblasfemeerd)
1 godslasteringen uiten.

BlasfemeerdeGeblasfemeerd
BlatenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blaatte, heeft geblaat; blater)
1 het voor schapen kenmerkende geluid laten horen.

In Spaans overeenkomend met: Rebuznar
Balar ((van een schaap)(de una oveja))
  sBalken
Brullen
Grommen
Hinniken
Loeien
Schreeuwen
BlaatteGeblaat
BlauwbekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blauwbekte, heeft geblauwbekt)
1 het vreselijk koud hebben.

BlauwbekteGeblauwbekt
BlauwenBlauwdeGeblauwd
BlazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blies, heeft geblazen; blazer)
1 [[krachtiger]] dan gewoonlijk uitademen door de mond, met enigszins getuite lippen
2 (van de wind) met kracht waaien
3 (van dieren) geluid geven door krachtig uitademen.
([[overgankelijk]] werkwoord; blies, heeft geblazen)
1 (ook absoluut) (een melodie) spelen op een blaasinstrument
2 door blazen verplaatsen
3 door blazen vervaardigen
4 bij dammen, (een schijf van de tegenstander) van het bord nemen, omdat die niet geslagen heeft.

In Spaans overeenkomend met: Soplar
  sUitblazen
Waaien
BliesGeblazen
BlekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bleekte, heeft gebleekt)
1 (ook absoluut) lichter, wit laten worden door zonlicht of kunstmiddelen
2 (landbouw) door wering van licht bleek opkweken.

In Spaans overeenkomend met: Blanquear, Blanquecer
BleekteGebleekt
BlekkenBlekteGeblekt
BlerkenBlerkteGeblerkt
BlesserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blesseerde, heeft geblesseerd)
1 bij [[sportbeoefening]] verwonden.

BlesseerdeGeblesseerd
BliepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[bliepte]], heeft gebliept)
1 (van elektronische apparatuur) het geluid 'bliep' laten horen.

BliepteGebliept
BlievenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bliefde, heeft gebliefd)
1 lusten
2 wensen.

BliefdeGebliefd
BlijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleek, is gebleken)
1 zich vertonen, duidelijk worden.

In Spaans overeenkomend met: Evidenciarse, Resultar, Verse
  sDuidelijk worden
Duidelijk zijn
BleekGebleken
BlijvenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bleef, is gebleven)
1 volharden in.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef, is gebleven)
1 voortgaan te bestaan
2 doorgaan met, niet veranderen
3 voortgaan aanwezig te zijn
4 in genoemde positie of toestand raken.
(koppelwerkwoord)
1 voortgaan te zijn.

In Spaans overeenkomend met: Continuar siendo ((voortduren)), Durar ((voortduren)), Prolongarse ((voortduren)), Quedar siendo ((voortduren)), Seguir siendo ((voortduren)), Subsistir ((voortduren))
Quedar ((ergens vertoeven en niet weggaan))
Ahincar
Estarse ((ergens vertoeven en niet weggaan)), Permanecer ((ergens vertoeven en niet weggaan)), Quedarse
  sOverblijven
Resten
Resteren
Toeven
Verblijven
Volharden
BleefGebleven
BlikkenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van blik gemaakt.
([[onovergankelijk]] werkwoord; blikte, heeft geblikt)
1 (formeel) kijken.

In Spaans overeenkomend met: Mirar
  sBekijken
Kijken
Kijken naar
Schouwen
Toekijken
Toezien
BlikteGeblikt
BlikkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[blikkerde]], heeft geblikkerd; blikkering)
1 fel glinsteren.

BlikkerdeGeblikkerd
BlikogenBlikoogdeGeblikoogd
Blikschieten
BliksemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bliksemde, heeft gebliksemd)
1 schitteren, flikkeren.
(onpersoonlijk werkwoord; bliksemde, heeft gebliksemd)
1 weerlichten, zich als bliksem vertonen.

In Spaans overeenkomend met: Relampaguear
  sFlikkeren
Flitsen
BliksemdeGebliksemd
BliktandenBliktanddeGebliktand
BlinddammenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; damde blind, heeft blindgedamd)
1 een dampartij spelen zonder het bord te zien.

BlinddoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blinddoekte, heeft geblinddoekt)
1 (iemand) een doek voor de ogen binden.

BlinddoekteGeblinddoekt
BlindenBlinddeGeblind
BlinderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blindeerde, heeft geblindeerd; blindering)
1 met pantserplaten kogel- of bomvrij maken
2 aan het gezicht onttrekken.

In Spaans overeenkomend met: Blindar
  sPantseren
BlindeerdeGeblindeerd
BlindstarenStaarde blindBlindgestaard
BlindtypenTypte blindBlindgetypt
BlindvarenVoer blindBlindgevaren
BlindvliegenVloog blindBlindgevlogen
BlinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blonk, heeft geblonken; blinking)
1 glans, weerschijn afgeven.
([[overgankelijk]] werkwoord; blonk, heeft geblonken)
1 (in België; informeel) (schoenen) poetsen.

In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir, Relucir, Resplandecer
  sGlanzen
Glimmen
Glinsteren
Schijnen
Schitteren
BlonkGeblonken
BloedenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloedde, heeft gebloed; bloeding)
1 bloed verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Sangrar
Desangrarse, Echar sangre
BloeddeGebloed
BloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloeide, heeft gebloeid)
1 bloemen voortbrengen
2 zich volledig ontplooien.

In Spaans overeenkomend met: Florecer
Prosperar
  sAarden
Floreren
Gedijen
Tieren
Vooruitkomen
Welvaren
BloeideGebloeid
BloemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloemde, heeft gebloemd)
1 (van aardappels) kruimelen, kruimelig worden.

BloemdeGebloemd
BloemlezenBloemleesdeGebloemleesd
BloemschikkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 het op esthetische wijze schikken van bloemen in vazen en bakken.

Gebloemschikt
BloesemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloesemde, heeft gebloesemd)
1 (formeel) (van bomen en struiken) bloeien.

BloesemdeGebloesemd
BloezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloesde, heeft gebloesd)
1 (van kledingstukken) bollend overhangen.

BloesdeGebloesd
BloggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blogde, heeft geblogd)
1 een blog bijhouden.

BlogdeGeblogd
Blokdenken
BlokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blokte, heeft geblokt; blokker)
1 (informeel) ijverig studeren.

BlokteGeblokt
BlokkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blokkeerde, is geblokkeerd)
1 tegengehouden worden, niet meer kunnen bewegen.
([[overgankelijk]] werkwoord; blokkeerde, heeft geblokkeerd)
1 de doorgang versperren van
2 ([[geldmiddelen]]) aan de beschikking van de rechthebbende onttrekken
3 de beweging onmogelijk maken van
4 bij volleybal (een tegenspeler) het spelen beletten
5 een aanval van de tegenpartij boven het net afslaan door met de handen een blok te vormen.

In Spaans overeenkomend met: Bloquear
Impedir
  sBeletten
Verhinderen
Verhoeden
Voorkomen
BlokkeerdeGeblokkeerd
BlokletterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[blokletterde]], heeft geblokletterd)
1 (in [[België]]) in grote krantenkoppen melden, koppen.

BlokletterdeGeblokletterd
BlokrijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 (van auto's) gegroepeerd rijden onder politiebegeleiding, als middel tegen filevorming.

BlokzeilenBlokzeildeGeblokzeild
BlonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blondeerde, heeft geblondeerd; blondering)
1 (het haar) kunstmatig blond maken
2 (meel) goudgeel bakken.

BlondeerdeGeblondeerd
BlootgevenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; gaf zich bloot, heeft zich blootgegeven)
1 zich blootstellen aan gevaar
2 zijn zwakheid laten blijken, zich uiten.

Gaf blootBlootgegeven
BlootleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; legde bloot/lei bloot, heeft blootgelegd; blootlegger, blootlegging)
1 vrij maken van hetgeen bedekt
2 openbaren.

In Spaans overeenkomend met: Denudar, Exponer
Legde blootBlootgelegd
BlootliggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lag bloot, heeft blootgelegen)
1 open, zonder bedekking liggen.

Lag blootBlootgelegen
BlootstaanStond blootBlootgestaan
BlootstellenIn Spaans overeenkomend met: Exponer
  sKans lopen
Op het spel zetten
Risico lopen
Riskeren
Wagen
Stelde blootBlootgesteld
BlootwoelenWoelde blootBlootgewoeld
BlotenBlootteGebloot
BlouwenBlouwdeGeblouwd
BlowenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blowde, heeft geblowd)
1 (informeel) [[marihuana]] of hasj roken.

BlowdeGeblowd
BlozenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloosde, heeft gebloosd)
1 een blos op het gezicht hebben.

In Spaans overeenkomend met: Encenderse, Ruborizarse, Sonrojarse, Sonrojearse
Ponerse rojo
  sKleuren
Rood worden
BloosdeGebloosd
BlubberenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blubberde, heeft geblubberd)
1 door de modder baggeren.

BlubberdeGeblubberd
BluffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blufte, heeft gebluft; bluffer)
1 opscheppen.

In Spaans overeenkomend met: Embaucar
Fanfarronear, Jactarse
  sOpscheppen
Pochen
Snoeven
Verbeelding hebben
Zwetsen
BlufteGebluft
BlunderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blunderde, heeft geblunderd)
1 een blunder begaan.

BlunderdeGeblunderd
BlussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bluste, heeft geblust; blusser, blussing)
1 (vuur) doen ophouden, uitdoven
2 water toevoegen aan.

In Spaans overeenkomend met: Apagar, Apagarse, Extinguir
  sDoven
Uitblazen
Uitblussen
Uitdoen
Uitdoven
Uitmaken
BlusteGeblust
BlutsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blutste, heeft geblutst)
1 een deuk slaan in.

In Spaans overeenkomend met: Contundir, Contusionar
  sKneuzen
BlutsteGeblutst
BlèrenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blèrde, heeft geblèrd)
1 (informeel) (van personen, vooral van kinderen) hard huilen
2 blaten.

In Spaans overeenkomend met: Berrear ((van een dier of kind))
Aullar
  sBrullen
Bulderen
Bulken
Gillen
Loeien
Uitbrullen
BlèrdeGeblèrd
BlètenBlètteGeblèt
BoardenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[boardde]], is geboard)
1 aan boord van een vliegtuig gaan
2 snowboarden.

BoarddeGeboard
BobbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bobbelde, is gebobbeld)
1 bobbels hebben.

BobbeldeGebobbeld
BobbenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bobde, heeft/is gebobd; bobber)
1 bobsleeën.

BobdeGebobd
BobberenBobberdeGebobberd
BobijnenBobijndeGebobijnd
BobsleeënALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bobsleeër)
1 (wintersport) met de bobslee glijden.

BobsleedeGebobsleed
BodemenBodemdeGebodemd
BodyboardenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bodyboardde, heeft gebodyboard)
1 zich voortbewegen door de branding terwijl men op zijn buik op een soort kleine surfplank ligt.

BodyboarddeGebodyboard
BodybuildenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[bodybuildde]], heeft gebodybuild)
1 aan [[bodybuilding]] doen.

BodybuilddeGebodybuild
BoegserenBoegseerdeGeboegseerd
BoeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boeide, heeft geboeid)
1 (ook absoluut) de aandacht vasthouden van (iemand)
2 in boeien sluiten, vastbinden.

BoeideGeboeid
BoekbindenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boekbinder)
1 gebonden boeken vervaardigen uit losse of reeds ingenaaide gevouwen vellen.

BoekdrukkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boekdrukker)
1 geschriften zetten en door de drukpers vermenigvuldigen.

In Spaans overeenkomend met: Estampar, Imprimir
  sAfdrukken
Drukken
Printen
BoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boekte, heeft geboekt; boeker, boeking)
1 aantekenen in een boekhouding
2 (een plaats voor een reis of verblijf) bespreken
3 behalen, oogsten.

In Spaans overeenkomend met: Sentar
Consignar
Inscribir, Registrar
Conservar, Reservar
  sAantekenen
Bespreken
Bestellen
Bijboeken
Inschrijven
Openhouden
Opschrijven
Registreren
Reserveren
Vastleggen
Vrijhouden
BoekteGeboekt
BoekhoudenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boekhouder, boekhouding)
1 het volgens bepaalde regels administratief verwerken van de financiële gegevens van een bedrijf.

In Spaans overeenkomend met: Llevar los libros
Hield boekBoekgehouden
BoekstavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boekstaafde, heeft geboekstaafd; boekstaving)
1 opschrijven, te boek stellen.

BoekstaafdeGeboekstaafd
BoelerenBoeleerdeGeboeleerd
BoemelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (boemelde, heeft geboemeld) zijn tijd doorbrengen met uitgaan
2 (boemelde, heeft/is geboemeld) met de stoptrein reizen.

In Spaans overeenkomend met: Ir de juerga
  sAan de rol zijn
Brassen
Slempen
Uitspatten
Zwijnen
BoemeldeGeboemeld
BoenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; boende, heeft geboend)
1 (een [[meubelstuk]]) in de was zetten en glanzend wrijven
2 (een vloer) met een boender en water schrobben.

In Spaans overeenkomend met: Fregar
Estregar, Frotar
  sUitschuren
BoendeGeboend
BoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boerde, heeft geboerd)
1 als boer werken
2 geluid maken door oprisping van gassen uit de maag.

In Spaans overeenkomend met: Eructar, Regoldar
  sOprispen
BoerdeGeboerd
BoertenBoertteGeboert
BoetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boette, heeft geboet)
1 (ook absoluut) een straf ondergaan
2 herstellen, repareren.

In Spaans overeenkomend met: Remendar
Expiar
  sBoete doen
Flikken
Lappen
Oplappen
Stoppen
Verstellen
BoetteGeboet
BoetserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; boetseerde, heeft geboetseerd)
1 vormen uit kneedbaar materiaal.

In Spaans overeenkomend met: Modelar
BoetseerdeGeboetseerd
BoezemfibrillerenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 (geneeskunde) snel en zonder functie of regelmaat samentrekken van de hartboezem.

BoffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bofte, heeft geboft; boffer)
1 het gelukkig treffen.

In Spaans overeenkomend met: Tener suerte
  sGeluk hebben
Het treffen
Zwijnen
BofteGeboft
BogenBoogdeGeboogd
BokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bokte, heeft gebokt)
1 mokken omdat men zich verongelijkt voelt
2 (van paarden) de [[achterhand]] in de lucht gooien.

BokteGebokt
BoksenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bokste, heeft gebokst; bokser)
1 met de vuist vechten, als sport
2 (scheepvaart) tegen de wind zeilen.

In Spaans overeenkomend met: Boxear
BoksteGebokst
BokspringenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 (atletiek) op of over de bok springen.

BolderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bolderde, heeft/is gebolderd)
1 zich rammelend voortbewegen.

BolderdeGebolderd
BollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (bolde, heeft gebold) bol gaan staan
2 (bolde, heeft/is gebold) (in België; informeel) rijden
3 (bolde, heeft/is gebold) (in België; informeel) (van voertuigen) rijden, rollen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bolde, heeft gebold)
1 (vlas) van de zaadbollen ontdoen
2 (dieren) doden door ze met een hamer voor de kop te slaan.

BoldeGebold
BolsterenBolsterdeGebolsterd
BolwerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 klaarspelen, uithouden.

BolwerkteGebolwerkt
BombarderenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bombardeerde, heeft gebombardeerd)
1 iemand onverwacht op een hoge post of tot een hoog ambt benoemen.
([[overgankelijk]] werkwoord; bombardeerde, heeft gebombardeerd)
1 bommen of andere projectielen afvuren op.

In Spaans overeenkomend met: Bombardear
  sBekogelen
Beschieten
BombardeerdeGebombardeerd
BomberenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bombeerde, heeft gebombeerd)
1 bol maken.

BombeerdeGebombeerd
BomcheckenBomcheckteGebomcheckt
BomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boomde, heeft geboomd)
1 (informeel) uitvoerig van gedachten wisselen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; boomde, heeft/is geboomd)
1 varen door het vaartuig in ondiep water met een vaarboom voort te duwen.

BoomdeGeboomd
BommelenBommeldeGebommeld
BommenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bomde, heeft gebomd)
1 (van klokken) luiden.

BomdeGebomd
BonjourenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BonjourdeGebonjourd
BonkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (bonkte, heeft/is gebonkt) [[onopzettelijk]] of bij toeval hard tegen iemand of iets aankomen
2 (bonkte, heeft gebonkt) hard slaan
3 (bonkte, heeft gebonkt) (vulgair) vrijen, [[geslachtsgemeenschap]] hebben.

In Spaans overeenkomend met: Golpear
  sBonzen
Hengsten
BonkteGebonkt
BonzenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bonsde, heeft gebonsd)
1 opzettelijk ergens met zware schokken tegenaan slaan
2 ergens [[onopzettelijk]] met zware schokken tegenaan komen, tegen terechtkomen
3 onstuimig kloppen, jagen.

In Spaans overeenkomend met: Golpear
  sBonken
Hengsten
BonsdeGebonsd
BoodschappenBoodschapteGeboodschapt
BoogschietenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boogschieter)
1 schieten met de boog, als sport.

BoordenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boordde, heeft geboord)
1 (kledingstukken) van een boord voorzien.

BoorddeGeboord
BoordroeienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 manier van wedstrijdroeien waarbij elke roeier één lange riem hanteert.

BoosdoenDeed boosBoosgedaan
BootenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[bootte]], heeft geboot)
1 een computer opstarten.

BootteGeboot
BootsenBootsteGebootst
BordurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; borduurde, heeft geborduurd)
1 figuren, randen enz. met de naald aanbrengen op.

In Spaans overeenkomend met: Bordar, Recamar
BorduurdeGeborduurd
BorenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boorde, heeft geboord)
1 door boren zoeken naar.
([[overgankelijk]] werkwoord; boorde, heeft geboord)
1 (ook absoluut) (een gat, hol) maken met een boor
2 met een boor bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Agujerar, Agujerear, Perforar, Taladrar
BoordeGeboord
BorgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; borgde, heeft geborgd)
1 (een sluiting) beveiligen tegen losraken.

BorgdeGeborgd
BornerenBorneerdeGeborneerd
BorrelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; borrelde, heeft geborreld; borreling)
1 (van vloeistoffen) door opstijgende damp- of gasbellen in beweging zijn
2 borrels drinken.

In Spaans overeenkomend met: Borbotear, Rebullir
Hervir
  sKoken
Op het kookpunt zijn
Zieden
BorreldeGeborreld
BorstelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; borstelde, heeft geborsteld)
1 met een borstel reinigen of gladstrijken.

In Spaans overeenkomend met: Bruzar, Cepillar
  sSchoonmaken
Schuieren
BorsteldeGeborsteld
Borstzwemmen
BosselerenBosseleerdeGebosseleerd
BossenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boste, heeft gebost)
1 in bossen samenbinden.

BosteGebost
BostonnenBostondeGebostond
BostonnerenBostonneerdeGebostonneerd
BotaniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; botaniseerde, heeft gebotaniseerd)
1 met een wetenschappelijk doel planten zoeken, verzamelen en determineren.

BotaniseerdeGebotaniseerd
BotenBootteGeboot
BoterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boterde, heeft geboterd)
1 tot boter worden.

BoterdeGeboterd
BotsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; botste, heeft/is gebotst; botsing)
1 met kracht raken
2 in conflict komen met
3 (in [[België]]) stuiten.

In Spaans overeenkomend met: Chocar
BotsteGebotst
BottelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bottelde, heeft gebotteld; [[bottelaar]], botteling)
1 (vloeistof, drank) in flessen doen.

In Spaans overeenkomend met: Envasar
Enfrascar
  sVerpakken
BotteldeGebotteld
BottenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; botte, is gebot)
1 (van planten) knoppen krijgen.

In Spaans overeenkomend met: Abotonar
  sSpruiten
Uitbotten
Uitschieten
Uitspruiten
BotteGebot
BotvierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vierde bot, heeft botgevierd)
1 vrij spel laten.

Vierde botBotgevierd
BouderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boudeerde, heeft geboudeerd)
1 mokken.

BoudeerdeGeboudeerd
BoutenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boutte, heeft gebout)
1 (informeel) poepen.

BoutteGebout
BouwenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bouwde, heeft gebouwd)
1 vertrouwen op.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bouwde, heeft gebouwd)
1 (iets) uit materialen en onderdelen tot een geheel samenvoegen.

In Spaans overeenkomend met: Construir, Edificar
Carpintear
  sAanleggen
Construeren
Ineenzetten
Maken
Opbouwen
Timmeren
BouwdeGebouwd
BovenblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef boven, is bovengebleven)
1 boven water blijven.

Bleef bovenBovengebleven
BovendrijvenDreef bovenBovengedreven
BovenhalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde boven, heeft bovengehaald)
1 weer in de herinnering terughalen.

Haalde bovenBovengehaald
BovenhoudenHield bovenBovengehouden
BovenkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam boven, is bovengekomen)
1 aan de oppervlakte van het water komen
2 op een hogere verdieping komen
3 (van gevoelens, gedachten) in iemand opwellen.

Kwam bovenBovengekomen
BovenkopenKocht bovenBovengekocht
BovenlatenLiet bovenBovengelaten
BovenliggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lag boven, heeft bovengelegen)
1 boven op iemand liggen
2 iemand de baas zijn.

Lag bovenBovengelegen
BowlenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bowlde, heeft gebowld; bowler)
1 bowling spelen
2 bij cricket, de bal naar de [[batsman]] werpen.

BowldeGebowld
BoycottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boycotte, heeft geboycot)
1 uitsluiten van het verkeer, vooral van het handelsverkeer
2 (iemand) niet mee laten doen.

In Spaans overeenkomend met: Boicotear
BoycotteGeboycot
BrabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; brabbelde, heeft gebrabbeld)
1 (iets) onverstaanbaar, verward of krom zeggen.

BrabbeldeGebrabbeld
BradenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; braadde, heeft gebraden)
1 (vlees, spijzen) met vet of boter gaar maken, zó dat er een korst om komt en het sap erin blijft.

In Spaans overeenkomend met: Rostizar
Freír
Asar, Tostar
  sBakken
Branden
Roosteren
BraaddeGebraden
BraillerenBrailleerdeGebrailleerd
BrainstormenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brainstormde, heeft gebrainstormd; brainstormer, brainstorming)
1 spontaan ideeën of suggesties opperen ter oplossing van een of meer problemen.

BrainstormdeGebrainstormd
BrainwashenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brainwashte, heeft gebrainwasht; brainwashing)
1 hersenspoelen.

BrainwashteGebrainwasht
BraiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[braiseerde]], heeft gebraiseerd)
1 (voedsel) smoren.

In Spaans overeenkomend met: Bracear, Brasear
  sSmoren
Stoven
BraiseerdeGebraiseerd
BrakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; braakte, heeft gebraakt)
1 (genuttigde spijs of drank of lichaamssappen) ongewild door de mond naar buiten brengen
2 (vlas, hennep) na het [[roten]] kneuzen, breken.

In Spaans overeenkomend met: Devolver, Esputar, Expectorar, Lanzar, Vomitar
  sKotsen
Overgeven
Spugen
Vomeren
BraakteGebraakt
BrallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bralde, heeft gebrald; braller)
1 luid snoeven.

BraldeGebrald
BrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brandde, heeft gebrand)
1 door vuur verteerd worden
2 (van licht- of [[warmtebronnen]]) functioneren door licht resp. warmte uit te stralen
3 gloeien, zeer heet aanvoelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; brandde, heeft gebrand)
1 door vuur doen verteren, met [[name]] voor verwarming of verlichting
2 door middel van vuur bewerken
3 door vuur verwonden
4 door middel van vuur doen ontstaan
5 (een cd) maken door er met laserstralen informatie op vast te leggen.

In Spaans overeenkomend met: Achicharrar
Arder, Encender, Quemar, Quemarse
Alambicar, Destilar
Asar, Tostar
  sAan zijn
Braden
Destilleren
Distilleren
Overhalen
Roosteren
Stoken
Verbranden
BranddeGebrand
BrandmerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brandmerkte, heeft gebrandmerkt)
1 merken door het inbranden van een teken
2 stigmatiseren.

In Spaans overeenkomend met: Marcar
BrandmerkteGebrandmerkt
BrandschattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brandschatte, heeft gebrandschat; brandschatter, brandschatting)
1 in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand.

In Spaans overeenkomend met: Algarear, Saquear
BrandschatteGebrandschat
BrandschilderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[brandschilderde]], heeft gebrandschilderd; brandschildering)
1 (glas) beschilderen met door verhitting gefixeerde kleuren
2 met een sterk verhitte staaf figuren aanbrengen op hout, fluweel, leer of andere stoffen.

BrandschilderdeGebrandschilderd
BrandstichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stichtte brand, heeft brandgesticht; [[brandstichter]], brandstichting)
1 moedwillig brand veroorzaken.

Stichtte brandBrandgesticht
BraniënBraniedeGebranied
BrassenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; braste, heeft gebrast; brasser)
1 schransen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; braste, heeft gebrast)
1 (scheepvaart) (de ra's, de zeilen) door middel van de brassen richten.

In Spaans overeenkomend met: Bracear
Ir de juerga
  sAan de rol zijn
Boemelen
Slempen
Uitspatten
Zwijnen
BrasteGebrast
BrauwenBrauwdeGebrauwd
BraverenBraveerdeGebraveerd
BreakdancenBreakdanceteGebreakdancet
BreakdansenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; breakdanste, heeft gebreakdanst)
1 acrobatisch dansen, ontwikkeld door straatdansers in de jaren tachtig van de twintigste eeuw.

BreakdansteGebreakdanst
BreeuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[breeuwde]], heeft gebreeuwd)
1 (scheepvaart) de naden in de huid van (vaartuigen, sluisdeuren enz.) met teer en geplozen touw dichtmaken.

In Spaans overeenkomend met: Acollar, Atascar, Calafatear
  sKalefateren
Kalfateren
BreeuwdeGebreeuwd
BreidelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; breidelde, heeft gebreideld; breideling)
1 de mond snoeren.

BreideldeGebreideld
BreienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; breide, heeft gebreid)
1 (sport) eindeloos met de bal combineren zonder tot een goede aanval te komen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; breide, heeft gebreid)
1 draden met lange naalden zodanig strikken dat zij een samenhangend geheel vormen
2 (netten) knopen.

In Spaans overeenkomend met: Hacer punto de aguja
Breide, BreeªGebreid, Gebreeënª
BrekenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; brak, heeft gebroken)
1 zich ontdoen van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; brak, is gebroken; breker, breking)
1 kapotgaan door breuk
2 een doorgang, scheiding forceren
3 (van de jongensstem) wisselen
4 (natuurkunde) (van stralen) veranderen van richting.
([[overgankelijk]] werkwoord; brak, heeft gebroken)
1 (iets dat een zekere mate van hardheid bezit) met meer of minder geweld in stukken vaneenscheiden
2 [[onopzettelijk]] oorzaak zijn dat iets stukgaat
3 tenietdoen
4 door breuk in de genoemde positie of toestand brengen
5 de loop, voortgang storen van (iets).

In Spaans overeenkomend met: Divorciarse
Refractar ((veranderen van richting van stralen))
Refractarse ((veranderen van richting van stralen))
Cargarse
Estrellar, Quebrar, Romper, Trizar
  sAfbreken
Doorbreken
Kapot maken
Scheiden
Schenden
Stukbreken
Stukslaan
Verbreken
Verbrijzelen
BrakGebroken
BrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht, heeft gebracht; brenger)
1 (iets) persoonlijk vervoeren naar de persoon of plaats van bestemming
2 (iemand) begeleiden naar de persoon of plaats van bestemming
3 (iets) doen toekomen
4 in de genoemde positie of toestand doen komen
5 inkleden.

In Spaans overeenkomend met: Aportar, Traer
Conducir
Llevar, Reportar
  sAanbrengen
Aandragen
Dragen
Geleiden
Leiden
Vervoeren
Voeren
Wegbrengen
BrachtGebracht
BrevetterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brevetteerde, heeft gebrevetteerd)
1 (iemand) een brevet verlenen.

BrevetteerdeGebrevetteerd
BrevierenBrevierdeGebrevierd
BricolerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bricoleerde, heeft gebricoleerd)
1 (biljarten) via de band spelen.

BricoleerdeGebricoleerd
BridgenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bridgede/bridgete, heeft gebridged/gebridget; bridger)
1 bridge spelen.

BridgedeGebridged, Gebridget
BriefenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; briefte, heeft gebrieft; briefing)
1 mondeling instrueren.

BriefteGebrieft
BriesenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brieste, heeft gebriest)
1 tekeergaan
2 (van paarden) herhaald, kort afgebroken de adem tussen de lippen door uitstoten.

In Spaans overeenkomend met: Mugir, Rugir
Resoplar
  sBrullen
Bulken
Loeien
Snuiven
Uitbrullen
BriesteGebriest
BrijnenBrijndeGebrijnd
BrijzelenBrijzeldeGebrijzeld
BrillenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brilde, heeft gebrild)
1 een bril dragen.

BrildeGebrild
BritsenBritsteGebritst
BrocherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brocheerde, heeft gebrocheerd; brocheerder, brochering)
1 (een boek) innaaien.

In Spaans overeenkomend met: Recamar
Encuadernar en rústica
  sInnaaien
BrocheerdeGebrocheerd
BroddelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; broddelde, heeft gebroddeld; broddelaar)
1 knoeien, prutsen.

BroddeldeGebroddeld
BroddenBroddeGebrod
BroedenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; broedde, heeft gebroed)
1 (een plan) in het geheim beramen, uitdenken.
([[onovergankelijk]] werkwoord; broedde, heeft gebroed; broeder)
1 (van vogels) eieren verwarmen om ze te laten uitkomen.

In Spaans overeenkomend met: Empollar, Incubar
  sBroeden op
Koesteren
BroeddeGebroed
BroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; broeide, heeft gebroeid)
1 heet worden door gisting
2 in het geheim gaande zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; broeide, heeft gebroeid)
1 (tuingewassen, vruchten enz.) in een broeikas vroeger doen bloeien of rijpen
2 (mout) in de broeikuip doen gisten.

In Spaans overeenkomend met: Fomentar
Aplicar fomentos
Hacer un calor sofocante
  sBedekken met een warme omslag
Pappen
BroeideGebroeid
BrokkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brokkelde, heeft/is gebrokkeld; brokkeling)
1 in brokken uiteenvallen.
([[overgankelijk]] werkwoord; brokkelde, heeft gebrokkeld)
1 brokken.

BrokkeldeGebrokkeld
BrokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.

BrokteGebrokt
BrommenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (bromde, heeft gebromd) een dof, laag grommend geluid voortbrengen
2 (bromde, heeft gebromd) mopperen
3 (bromde, heeft gebromd) (informeel) gevangen zitten
4 (bromde, heeft/is gebromd) op een bromfiets rijden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bromde, heeft gebromd)
1 mompelen op lage toon.

In Spaans overeenkomend met: Hablar bajo, Murmurar, Refunfuñar
Canturrear, Ronronear, Zumbar
  sGonzen
Mompelen
Morren
Mummelen
Razen
Ruisen
Snorren
Suizelen
Suizen
Tuiten
Zoemen
BromdeGebromd
BronzenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van brons
2 bronskleurig.
([[overgankelijk]] werkwoord; bronsde, heeft gebronsd; bronzing)
1 een bronskleur geven.

BronsdeGebronsd
BroodbakkenBakte broodBroodgebakken
BroodrovenBroodroofdeGebroodroofd
BrossenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[broste]], heeft gebrost; brosser)
1 (in België; informeel) spijbelen.

BrosteGebrost
BrouillerenBrouilleerdeGebrouilleerd
BrouwenIn de betekenis van: De r scherp uitspreken

In Spaans overeenkomend met: Arrastrar las erres
BrouwdeGebrouwd
BrouwenIn de betekenis van: Bier brouwen

BrouwdeGebrouwen
BrowsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; browsede/browsete, heeft gebrowsed/gebrowset; browser, browsing)
1 bestanden, webpagina's op een beeldscherm raadplegen, bekijken.

Browsede, BrowseteGebrowsed, Gebrowset
BruinbakkenBakte bruinBruingebakken
BruinenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bruinde, is gebruind; bruining)
1 bruin worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; bruinde, heeft gebruind)
1 bruin maken.

In Spaans overeenkomend met: Tostar
Broncear
  sBruin maken
BruindeGebruind
BruinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bruineerde, heeft gebruineerd)
1 bruin maken
2 (metalen voorwerpen) door de werking van zuren met een oxidelaag bedekken om het natuurlijke roesten te voorkomen.

BruineerdeGebruineerd
BruisenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bruiste, heeft gebruist)
1 hevig borrelen
2 levendig, opwindend zijn.

In Spaans overeenkomend met: Burbujear, Espumar
  sSchuimen
Tintelen
BruisteGebruist
BrullenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brulde, heeft gebruld; bruller)
1 het voor leeuwen, tijgers, stieren enz. kenmerkende geluid laten horen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; brulde, heeft gebruld)
1 zeer luid roepen.

In Spaans overeenkomend met: Bramar, Rugir
Rebuznar
Ulular
Aullar
Mugir
  sBalken
Blaten
Blèren
Briesen
Bulderen
Bulken
Daveren
Gillen
Grommen
Hinniken
Loeien
Schreeuwen
Uitbrullen
BruldeGebruld
BrunchenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brunchte, heeft gebruncht)
1 laat in de morgen een maaltijd gebruiken.

BrunchteGebruncht
BrutaliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[brutaliseerde]], heeft gebrutaliseerd)
1 (iemand) grof of met geweld bejegenen.

BrutaliseerdeGebrutaliseerd
BruuskerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bruuskeerde, heeft gebruuskeerd)
1 (iemand) onheus bejegenen.

In Spaans overeenkomend met: Desairar
BruuskeerdeGebruuskeerd
BubbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bubbelde, heeft gebubbeld)
1 door een sterke stroom bellen vormen in een bad of zwembad.

BubbeldeGebubbeld
BudgetterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[budgetteerde]], heeft gebudgetteerd; budgettering)
1 onderbrengen in een begroting.

BudgetteerdeGebudgetteerd
BuffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; buffelde, heeft gebuffeld; buffelaar)
1 (informeel) schransen, veel en gulzig eten.

In Spaans overeenkomend met: Soplarse
BuffeldeGebuffeld
BufferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; bufferde, heeft gebufferd)
1 een voorraad aanleggen.

BufferdeGebufferd
BuienBuideGebuid
BuigenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; boog, heeft gebogen)
1 onder dwang toegeven aan.
(werkwoord; boog, heeft gebogen)
1 zich verdiepen in.
([[onovergankelijk]] werkwoord; buiging)
1 (boog, heeft gebogen) een buiging maken
2 (boog, is gebogen) van de gewone stand, houding of richting afwijken.
([[overgankelijk]] werkwoord; boog, heeft gebogen)
1 van de gewone, gewoonlijk rechte, stand, houding of richting doen afwijken.

In Spaans overeenkomend met: Arquear, Encorvar
Doblarse, Doblegarse
Agachar, Inclinar
Acurrucarse
Curvar, Doblar, Enarcar
Enarcarse
Inclinarse
  sBukken
Doen overhellen
Doorbuigen
Een buiging maken
Krombuigen
Krommen
Kromtrekken
Neigen
Nijgen
Ombuigen
Verbuigen
Zich buigen
Zich bukken
Zich krommen
BoogGebogen
BuikdansenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; buikdanser)
1 een buikdans uitvoeren.

BuiksprekenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; buikspreker)
1 spreken zonder beweging van de lippen.

BuilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; builde, heeft gebuild)
1 door middel van een buil zeven.

BuildeGebuild
BuitelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; buitelaar, buiteling)
1 (buitelde, heeft/is gebuiteld) voor- of achterover over het hoofd omdraaien
2 (buitelde, is gebuiteld) failliet gaan.

In Spaans overeenkomend met: Voltear
  sDuikelen
Kopje duikelen
Voltigeren
BuiteldeGebuiteld
BuitengaanIn Spaans overeenkomend met: Salir
Ging buitenBuitengegaan
BuitengooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gooide buiten, heeft buitengegooid)
1 (in België; informeel) naar buiten gooien, op straat zetten
2 (in België; informeel) ontslaan
3 (in België; informeel) (iemand) eruit gooien of zetten, op straat zetten.

Gooide buitenBuitengegooid
BuitenkomenKwam buitenBuitengekomen
BuitenlatenLiet buitenBuitengelaten
BuitensluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot buiten, heeft buitengesloten; buitensluiting)
1 buiten een afgesloten plaats houden, niet binnenlaten
2 (iemand) uit een kring weren, niet laten meedoen.

In Spaans overeenkomend met: Desechar, Excluir
  sAfwijzen
Uitsluiten
Verwerpen
Sloot buitenBuitengesloten
BuitensmijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeet buiten, heeft buitengesmeten)
1 (in België; spreektaal) buitengooien.

Smeet buitenBuitengesmeten
BuitenstaanStond buitenBuitengestaan
BuitenwippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wipte buiten, heeft buitengewipt)
1 (in België; spreektaal) buitengooien.

Wipte buitenBuitengewipt
BuitenzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette buiten, heeft buitengezet)
1 buiten de deur zetten.

Zette buitenBuitengezet
BuitmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte buit, heeft buitgemaakt; buitmaking)
1 (kostbare zaken) te pakken krijgen.

In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Alcanzar, Conseguir, Obtener
Pillar, Robar
  sBehalen
Beroven
Erin slagen om
Kopen
Krijgen
Plunderen
Roven
Stropen
Verkrijgen
Verwerven
Maakte buitBuitgemaakt
BuizenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (buisde, heeft [[gebuisd]]) (van zeilboten) de neiging hebbend opspattend water binnen te krijgen
2 (buisde, is [[gebuisd]]) (in België; informeel) zakken voor een examen.
([[overgankelijk]] werkwoord; buisde, heeft gebuisd)
1 (in België; informeel) laten zaken voor een examen.

BuisdeGebuisd
BukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bukte, heeft gebukt)
1 het lichaam geheel [[vooroverbuigen]] met [[name]] om bij iets lagers te komen.
(wederkerend werkwoord; bukte zich, heeft zich gebukt)
1 het lichaam geheel voorover buigen.

In Spaans overeenkomend met: Acurrucarse
  sBuigen
Zich bukken
BukteGebukt
BulderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bulderde, heeft gebulderd; bulderaar)
1 razen, een sterk rommelend of dreunend geluid geven
2 op luidruchtige, ruwe manier spreken.

In Spaans overeenkomend met: Aullar
Mugir
Bramar ((zee),(mar)), Tronar
  sBlèren
Brullen
Daveren
Donderen
Gillen
Loeien
Uitbrullen
BulderdeGebulderd
BulkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; bulkte, heeft gebulkt)
1 barsten van, veel bezitten van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; bulkte, heeft gebulkt)
1 loeien (van rundvee).

In Spaans overeenkomend met: Berrear, Mugir, Rugir
  sBlèren
Briesen
Brullen
Loeien
Uitbrullen
BulkteGebulkt
BulldozerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bulldozerde, heeft gebulldozerd)
1 met een bulldozer werken
2 (figuurlijk) over iets heen walsen.

BulldozerdeGebulldozerd
BultenBultteGebult
BundelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bundelde, heeft gebundeld; bundeling)
1 tot een bundel of bundels verenigen.

BundeldeGebundeld
BungelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bungelde, heeft gebungeld)
1 zwaaiend hangen.

BungeldeGebungeld
BunkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bunkerde, heeft gebunkerd)
1 de bunkers vullen, brandstof innemen
2 (informeel) schransen.

In Spaans overeenkomend met: Hacer carbón
  sKolen innemen
BunkerdeGebunkerd
BureaucratiserenBureaucratiseerdeGebureaucratiseerd
BurenBuurdeGebuurd
BurlenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[burlde]], heeft geburld)
1 (van herten) bronstig loeien.

BurldeGeburld
BusselenBusseldeGebusseld
BussenBusteGebust
ButenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; buutte, heeft gebuut; buter)
1 bij het verstoppertjesspel de opgespoorde deelnemers melden bij het buut.
(bijwoord) zie buiten.

BuutteGebuut
ButsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; butste, heeft gebutst)
1 iets zo drukken of stoten, dat er een buts of deuk in komt.

ButsteGebutst
BuurtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; buurtte, heeft gebuurt)
1 bij de buren een bezoek brengen, een praatje gaan maken.

BuurtteGebuurt

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

boven