Lijst van 12405 Nederlandse werkwoorden

Ga naar lijst Spaanse werkwoorden
Ir a lista de verbos espaŮoles
Laatst gewijzigd:       05 Feb 2018
ŕltima Actualizaciůn: 05 Feb 2018

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

InfinitiefVerleden tijdVoltooid deelwoord
SabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sabbelde, heeft gesabbeld; sabbelaar)
1 beurtelings likken en zuigen aan iets.

In Spaans overeenkomend met: Chupetear
SabbeldeGesabbeld
SabbenSabdeGesabd
SabberenSabberdeGesabberd
SabelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sabelde, heeft gesabeld)
1 hakken met een sabel.

SabeldeGesabeld
SaboterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; saboteerde, heeft gesaboteerd; saboteur, sabotage)
1 belemmeren uit protest.

In Spaans overeenkomend met: Sabotear
SaboteerdeGesaboteerd
SacrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sacreerde, heeft gesacreerd)
1 wijden.

SacreerdeGesacreerd
SacrifiŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie sacrificeren.

SacrifieerdeGesacrifieerd
SakkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[sakkerde]], heeft gesakkerd)
1 (in [[BelgiŽ]]) mopperen, foeteren, vloeken.

SakkerdeGesakkerd
SalariŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; salarieerde, heeft gesalarieerd; salariŽring)
1 een salaris verlenen
2 een salaris verbinden aan (een functie).

In Spaans overeenkomend met: Asalariar
  sBezoldigen
SalarieerdeGesalarieerd
SalderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; saldeerde, heeft gesaldeerd; saldering)
1 (economie) het saldo opmaken van.

In Spaans overeenkomend met: Saldar
  sAfsluiten
Vereffenen
SaldeerdeGesaldeerd
SaluerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; salueerde, heeft gesalueerd)
1 groeten op voorgeschreven wijze bij militairen.

SalueerdeGesalueerd
SamenballenBalde samenSamengebald
SamenbindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bond samen, heeft samengebonden; samenbinding)
1 door binden tot een geheel verenigen.

Bond samenSamengebonden
SamenblijvenBleef samenSamengebleven
SamenbouwenBouwde samenSamengebouwd
SamenbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht samen, heeft samengebracht; samenbrenging)
1 [[bijeenbrengen]], tot een geheel voegen.

In Spaans overeenkomend met: Congregar, Juntar, Unir
  sAaneenvoegen
Bijeenbrengen
Samenvoegen
Verenigen
Vergaderen
Bracht samenSamengebracht
SamenbundelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bundelde samen, heeft samengebundeld; samenbundeling)
1 tot een bundel verenigen.

Bundelde samenSamengebundeld
SamendoenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; deed samen, heeft samengedaan)
1 (informeel) samen met iemand handelen of iets samen delen.
([[overgankelijk]] werkwoord; deed samen, heeft samengedaan)
1 bij elkaar doen, verenigen.

Deed samenSamengedaan
SamendrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef samen, heeft samengedreven)
1 bij elkaar drijven.

Dreef samenSamengedreven
SamendringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; drong samen, is samengedrongen)
1 door dringen dichter bij elkaar komen.

Drong samenSamengedrongen
SamendrommenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dromde samen, is samengedromd)
1 zich tot een drom verenigen.

In Spaans overeenkomend met: Agolparse
  sOpeendringen
Dromde samenSamengedromd
SamendrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; drukte samen, heeft samengedrukt; samendrukking)
1 in elkaar drukken.

In Spaans overeenkomend met: Prensar
Comprimir
  sIneendringen
Ineendrukken
Samenknijpen
Uitpersen
Drukte samenSamengedrukt
SamenflansenFlanste samenSamengeflanst
SamengaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging samen, is samengegaan)
1 gepaard gaan, bij elkaar passen
2 fuseren.

Ging samenSamengegaan
SamengroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; groeide samen, is samengegroeid; samengroeiing)
1 aan elkaar of in elkaar groeien, tot ťťn geheel groeien.

Groeide samenSamengegroeid
SamenhangenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hing samen, heeft samengehangen)
1 in verband tot elkaar staan
2 (natuurkunde) tot een geheel verbonden zijn.

Hing samenSamengehangen
SamenhokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hokte samen, heeft samengehokt)
1 in een kleine ruimte bij elkaar wonen.

Hokte samenSamengehokt
SamenhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield samen, heeft samengehouden)
1 bij, aan elkaar houden.

Hield samenSamengehouden
SamenklappenKlapte samenSamengeklapt
SamenklemmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klemde samen, heeft samengeklemd; samenklemming)
1 op elkaar of in elkaar klemmen.

Klemde samenSamengeklemd
SamenklevenKleefde samenSamengekleefd
SamenklinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; klonk samen, heeft samengeklonken; samenklinking)
1 harmoniŽren.
([[overgankelijk]] werkwoord; klonk samen, heeft samengeklonken)
1 door klinken aan elkaar hechten.

Klonk samenSamengeklonken
SamenklonterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; klonterde samen, is samengeklonterd; samenklontering)
1 in klonters aan elkaar zitten.

Klonterde samenSamengeklonterd
SamenknijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kneep samen, heeft samengeknepen)
1 dichter bij elkaar knijpen.

In Spaans overeenkomend met: Comprimir
  sIneendringen
Ineendrukken
Samendrukken
Kneep samenSamengeknepen
SamenknopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knoopte samen, heeft samengeknoopt)
1 knopend aan elkaar hechten.

Knoopte samenSamengeknoopt
SamenkoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; koekte samen, is samengekoekt)
1 samenklonteren.

Koekte samenSamengekoekt
SamenkomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam samen, is samengekomen)
1 bij elkaar komen.

In Spaans overeenkomend met: Convergir
Confluir, Juntarse
Reunirse
  sBijeenkomen
Convergeren
Samenlopen
Vergaderen
Kwam samenSamengekomen
SamenkoppelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; koppelde samen, heeft samengekoppeld; samenkoppeling)
1 door een koppeling aan elkaar verbinden.

Koppelde samenSamengekoppeld
SamenkrimpenKromp samenSamengekrompen
SamenlevenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; leefde samen, heeft samengeleefd; samenleving)
1 met elkaar, in een gemeenschap leven
2 als partners met elkaar leven.

In Spaans overeenkomend met: Convivir
  sSamenwonen
Leefde samenSamengeleefd
SamenlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep samen, is samengelopen)
1 zich in een punt verenigen.

In Spaans overeenkomend met: Convergir
  sConvergeren
Samenkomen
Liep samenSamengelopen
SamenpakkenPakte samenSamengepakt
SamenpersenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; perste samen, heeft samengeperst; samenpersing)
1 in elkaar persen.

In Spaans overeenkomend met: Fruncir
Perste samenSamengeperst
SamenproppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; propte samen, heeft samengepropt; samenpropping)
1 tot een prop in elkaar drukken.

Propte samenSamengepropt
SamenrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; raapte samen, heeft samengeraapt; samenraping)
1 van verschillende kanten bij elkaar brengen.

Raapte samenSamengeraapt
SamenroepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; riep samen, heeft samengeroepen; samenroeping)
1 bij elkaar roepen.

Riep samenSamengeroepen
SamenrollenRolde samenSamengerold
SamenrottenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rotte samen, heeft/is samengerot; samenrotting)
1 samenscholen met het doel rellen te schoppen.

Rotte samenSamengerot
SamenscholenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schoolde samen, heeft/is samengeschoold; samenscholing)
1 troepsgewijze bij elkaar komen (vooral van mensen met kwade bedoelingen).

Schoolde samenSamengeschoold
SamensmedenIn Spaans overeenkomend met: Agolpar
Smeedde samenSamengesmeed
SamensmeltenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smolt samen, is samengesmolten; samensmelting)
1 versmelten.
([[overgankelijk]] werkwoord; smolt samen, heeft samengesmolten)
1 smeltend verbinden.

Smolt samenSamengesmolten
SamensnoerenIn Spaans overeenkomend met: Abrochar cordůn
Snoerde samenSamengesnoerd
SamenspannenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spande samen, heeft/is samengespannen; samenspanning)
1 een [[complot]] smeden.

In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Conspirar
  sSamenzweren
Spande samenSamengespannen
SamenspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; speelde samen, heeft samengespeeld)
1 in het spelen samenwerken.

Speelde samenSamengespeeld
SamenstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde samen, heeft samengesteld; samensteller, samenstelling)
1 uit verschillende bestanddelen tot een geheel vormen
2 tot stand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Constituir
Compilar
Juntar
Concertar
Componer
  sBijeenvoegen
Compileren
In orde brengen
Ineenzetten
Regelen
Stelde samenSamengesteld
SamenstromenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stroomde samen, is samengestroomd; samenstroming)
1 als in stromen, snel en in grote menigte samenkomen
2 stromend bij elkaar komen.

In Spaans overeenkomend met: Agolparse
Stroomde samenSamengestroomd
SamentellenTelde samenSamengeteld
SamentreffenTrof samenSamengetroffen
SamentrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok samen, is samengetrokken; samentrekking)
1 inkrimpen door samentrekking.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok samen, heeft samengetrokken)
1 dichter bij elkaar trekken
2 (troepen) tot een geheel verenigen
3 tot ťťn ineensmelten.

In Spaans overeenkomend met: AstreŮir
Trok samenSamengetrokken
SamenvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel samen, is samengevallen; samenvalling)
1 dezelfde plaats innemen
2 op dezelfde tijd vallen.

In Spaans overeenkomend met: Coincidir
  sOvereenkomen
Overeenstemmen
Viel samenSamengevallen
SamenvattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vatte samen, heeft samengevat; samenvatting)
1 in het kort weergeven of herhalen.

In Spaans overeenkomend met: Resumir
  sExcerperen
Resumeren
Vatte samenSamengevat
SamenvlechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vlocht samen, heeft samengevlochten; samenvlechting)
1 ineenvlechten, dooreenvlechten.

Vlocht samenSamengevlochten
SamenvloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vloeide samen, is samengevloeid; samenvloeiing)
1 samenstromen.

Vloeide samenSamengevloeid
SamenvoegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voegde samen, heeft samengevoegd; samenvoeging)
1 tot een eenheid of geheel verenigen.

In Spaans overeenkomend met: Casar ((figuurlijk)), Combinar
Conglomerar
Juntar
  sAaneenvoegen
Bijeenbrengen
Combineren
Samenbrengen
Verbinden
Verenigen
Voegde samenSamengevoegd
SamenvouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vouwde samen, heeft samengevouwen; samenvouwing)
1 door vouwen [[kleiner]] maken.

Vouwde samenSamengevouwen
SamenwerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; werkte samen, heeft samengewerkt; samenwerking)
1 gemeenschappelijk aan eenzelfde taak werken.

In Spaans overeenkomend met: Cooperar
  sMeewerken
Werkte samenSamengewerkt
SamenwevenWeefde samenSamengeweven
SamenwonenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; woonde samen, heeft samengewoond; samenwoner, samenwoning)
1 als partners ongehuwd samenleven
2 samen ťťn woning in gebruik hebben.

In Spaans overeenkomend met: Convivir
  sSamenleven
Woonde samenSamengewoond
SamenzwerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwoer samen, heeft samengezworen; [[samenzweerder]], samenzwering)
1 zich in het geheim met anderen verbinden om een ander nadeel te berokkenen.

In Spaans overeenkomend met: Confabular, Conspirar
Conjurar, Conjurarse
  sSamenspannen
Zich onder ede met iemand verbinden
Zwoer samenSamengezworen
SammelenSammeldeGesammeld
SamplenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; samplede, heeft gesampled; sampler)
1 (muziek) een sample maken van.

SampledeGesampled
SanctionerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sanctioneerde, heeft gesanctioneerd)
1 sanctie verlenen aan
2 waarborgen
3 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) bestraffen.

SanctioneerdeGesanctioneerd
SanerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; saneerde, heeft gesaneerd; sanering)
1 gezond maken
2 weer voor een functie of doel geschikt maken.

In Spaans overeenkomend met: Sanear
SaneerdeGesaneerd
SappelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sappelde, heeft gesappeld; sappelaar)
1 ploeteren, zwoegen.

SappeldeGesappeld
SapperenSappeerdeGesappeerd
SarrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sarde, heeft gesard)
1 plagen om kwaad te maken.

In Spaans overeenkomend met: Acuciar
  sAanstoken
Op stang jagen
Ophitsen
Prikkelen
SardeGesard
SassenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; saste, heeft gesast)
1 (informeel) plassen, urineren.

SasteGesast
SatinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; satineerde, heeft gesatineerd)
1 glad en glanzig maken als satijn.

SatineerdeGesatineerd
SaturerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[satureerde]], heeft gesatureerd; saturatie)
1 (natuurkunde) verzadigen.

SatureerdeGesatureerd
SausenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie sauzen.
(onpersoonlijk werkwoord) zie sauzen.

SausteGesaust
SauterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sauteerde, heeft gesauteerd)
1 op een flink vuur snel bruin braden of bakken.

In Spaans overeenkomend met: Pochar, Rehogar, Saltear
  sSmoren (in vet)
SauteerdeGesauteerd
SauverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sauveerde, heeft gesauveerd)
1 (formeel) tegen verlies van aanzien of positie behoeden.

SauveerdeGesauveerd
SauzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sausde, heeft gesausd)
1 (tabak) drenken in een of ander aromatisch vocht
2 (stenen wanden) met een kleurende vloeistof bestrijken.
(onpersoonlijk werkwoord; sausde, heeft gesausd)
1 stortregenen.

SausdeGesausd
SavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[savede]], heeft gesaved)
1 (computergegevens) opslaan op schijf.

SavedeGesaved
SavourerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[savoureerde]], heeft gesavoureerd)
1 met smaak tot zich nemen, ten volle genieten.

In Spaans overeenkomend met: Saborear
  sGenieten van
SavoureerdeGesavoureerd
ScalperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scalpeerde, heeft gescalpeerd)
1 van de schedelhuid ontdoen.

ScalpeerdeGescalpeerd
ScanderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scandeerde, heeft gescandeerd)
1 het metrum duidelijk doen uitkomen
2 (leuzen, namen) uitroepen met een klemtoon op iedere lettergreep
3 (gedichten) in versvoeten indelen.

In Spaans overeenkomend met: Escandir
ScandeerdeGescandeerd
ScannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; scande, heeft gescand; scanner, scanning)
1 (computer) (een beeld, streepjescode, tekst) optisch lezen
2 (geneeskunde) een doorsneeopname maken van het lichaam door middel van rŲntgenstraling
3 (telecommunicatie) (een bepaald frequentiegebied) automatisch en herhaald systematisch aftasten.

ScandeGescand
ScarificerenScarificeerdeGescarificeerd
SchaakspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; speelde schaak, heeft schaakgespeeld; schaakspeler)
1 schaken.

Speelde schaakSchaakgespeeld
SchaardenSchaarddeGeschaard
SchaatsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schaatste, heeft/is geschaatst; schaatser)
1 zich voortbewegen op schaatsen.

In Spaans overeenkomend met: Patinar
SchaatsteGeschaatst
SchaatsenrijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schaatsenrijder)
1 schaatsen.

In Spaans overeenkomend met: Patinar
SchadeloosstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde [[schadeloos]], heeft schadeloosgesteld; schadeloosstelling)
1 (iemand) vergoeding geven voor geleden schade.

Stelde schadeloosSchadeloosgesteld
SchadenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schaadde, heeft geschaad)
1 (iem., iets) schade toebrengen, kwaad kunnen.

In Spaans overeenkomend met: Afectar
Estropear
Corromper
Perjudicar
  sBederven
Deren
Schade aanrichten
Schadelijke gevolgen hebben voor
Treffen
Verknoeien
SchaaddeGeschaad
SchaduwboksenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 oefening in het boksen
2 (figuurlijk) een schijngevecht voeren.

SchaduwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schaduwde, heeft geschaduwd)
1 voortdurend heimelijk volgen
2 (sport) (een tegenstander) voortdurend volgen
3 schaduw aanbrengen aan of in.

In Spaans overeenkomend met: Sombrear con rayas
Sombrear
  sArceren
SchaduwdeGeschaduwd
SchaffenSchafteGeschaft
SchaftenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schaftte, heeft geschaft)
1 pauzeren om te eten.

SchaftteGeschaft
SchakelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schakelde, heeft geschakeld; schakelaar, schakeling)
1 de versnelling van een voertuig bedienen
2 vissen met een schakelnet.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schakelde, heeft geschakeld)
1 deel doen uitmaken van een keten.

In Spaans overeenkomend met: Embragar
  sKoppelen
SchakeldeGeschakeld
SchakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schaakte, heeft geschaakt; schaker)
1 schaak spelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; schaakte, heeft geschaakt)
1 (een meisje of vrouw) als minnaar ontvoeren.

In Spaans overeenkomend met: Raptar ((vrouw),(mujer))
Jugar al ajedrez
  sSchaak spelen
SchaakteGeschaakt
SchakerenIn Spaans overeenkomend met: Matizar
  sNuanceren
Tinten
SchakeerdeGeschakeerd
SchalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schaalde, heeft geschaald)
1 (stenen) op de platte kant afhakken.

SchaaldeGeschaald
SchallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schalde, heeft geschald)
1 een krachtige en heldere klank voortbrengen.

SchaldeGeschald
SchalmenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schalmde, heeft geschalmd)
1 (scheepvaart) (gaten, kokers enz.) afdekken tegen het overkomende zeewater.

SchalmdeGeschalmd
SchamenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; schaamde zich, heeft zich geschaamd)
1 schaamte voelen.

In Spaans overeenkomend met: Abatatarse
Abochornarse
SchaamdeGeschaamd
SchampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schampte, is geschampt)
1 zijdelings lichtjes raken.

SchampteGeschampt
SchamperenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schamperde, heeft geschamperd)
1 schamper spreken.

SchamperdeGeschamperd
SchandaliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schandaliseerde, heeft geschandaliseerd)
1 in opspraak brengen.

SchandaliseerdeGeschandaliseerd
SchandmerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[schandmerkte]], heeft geschandmerkt)
1 als schandelijk bestempelen.

SchandmerkteGeschandmerkt
SchandvlekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[schandvlekte]], heeft geschandvlekt)
1 een smet werpen op de eer of het aanzien van.

SchandvlekteGeschandvlekt
SchansspringenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 skispringen.

ScharenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (schaarde, heeft geschaard) bewegen als een schaar
2 (schaarde, heeft/is geschaard) (van een [[motorvoertuig]] met een ander, gesleept voertuig) komen in een stand waarin de assen een stompe hoek met elkaar maken
3 (schaarde, heeft geschaard) (van vissen) kuitschieten.
([[overgankelijk]] werkwoord; schaarde, heeft geschaard)
1 bij elkaar, tot een geheel opstellen.

SchaardeGeschaard
ScharnierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[scharnierde]], heeft gescharnierd)
1 om een scharnier draaien.

ScharnierdeGescharnierd
ScharrelbenenScharrelbeendeGescharrelbeend
ScharrelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; scharrelde, heeft gescharreld)
1 losse verkering hebben met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; scharrelaar)
1 (scharrelde, heeft gescharreld) telkens wat anders ter hand nemen
2 (scharrelde, heeft gescharreld) op ongeregelde wijze [[kleinhandel]] drijven in
3 (scharrelde, heeft/is gescharreld) (van hoenders) heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten
4 (scharrelde, heeft/is gescharreld) zich op onzekere of moeilijke wijze voortbewegen.
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Cortejar, Galantear
Flirtear, Revolotear
Rascar
  sAan de scharrel zijn
Fladderen
Flirten
Het hof maken
Klauwen
Krabben
Krauwen
Vrijen
Wapperen
ScharreldeGescharreld
ScharrenSchardeGeschard
SchaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schaterde, heeft geschaterd; schatering)
1 hard en uitbundig lachen.

In Spaans overeenkomend met: ReŪr a carcajadas, Risotear
  sSchaterlachen
SchaterdeGeschaterd
SchaterlachenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[schaterlachte]], heeft geschaterlacht)
1 luidkeels lachen.

In Spaans overeenkomend met: Carcajear, Carcajearse, ReŪr a carcajadas, Risotear
  sSchateren
SchaterlachteGeschaterlacht
SchattenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schatte, heeft geschat; schatter, schatting)
1 de waarde of omvang beoordelen van
2 de genoemde waarde hechten aan.

In Spaans overeenkomend met: Calcular
Tasar
Apreciar, Echar ((leeftijd),(edad)), Estimar, Evaluar
  sAanslaan
Begroten
Taxeren
Waarderen
SchatteGeschat
SchavelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[schaveelde]], heeft geschaveeld)
1 (zeilen) naar de wind richten.

SchaveeldeGeschaveeld
SchavenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schaafde, heeft geschaafd)
1 sleutelen aan.
([[overgankelijk]] werkwoord; schaafde, heeft geschaafd)
1 (ook absoluut) (hout) met een schaaf gladmaken
2 licht verwonden door de huid weg te schuren
3 in [[plakjes]] snijden met een schaaf.

In Spaans overeenkomend met: Acepillar
  sAfschaven
SchaafdeGeschaafd
SchaverdijnenSchaverdijndeGeschaverdijnd
SchavielenSchavieldeGeschavield
ScheefgroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; groeide scheef, is scheefgegroeid)
1 niet in rechte stand groeien
2 zich in ongewenste richting ontwikkelen.

Groeide scheefScheefgegroeid
ScheeflopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep scheef, is scheefgelopen)
1 dreigen te mislukken.
([[overgankelijk]] werkwoord; liep scheef, heeft scheefgelopen)
1 door lopen scheef maken.

Liep scheefScheefgelopen
ScheefslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg scheef, heeft scheefgeslagen)
1 (in BelgiŽ; informeel) stelen, jatten.

Sloeg scheefScheefgeslagen
ScheeftrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trok scheef, is scheefgetrokken)
1 door trekken scheef gaan staan.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok scheef, heeft scheefgetrokken)
1 (iets) zodanig trekken dat het scheef komt te liggen.

Trok scheefScheefgetrokken
ScheefwonenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; woonde scheef, heeft scheefgewoond)
1 in een goedkope huurwoning wonen terwijl men een verhoudingsgewijs hoog inkomen heeft of in een [[dure]] huurwoning wonen terwijl men een verhoudingsgewijs laag inkomen heeft.

Woonde scheefScheefgewoond
ScheelzienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 zo kijken dat de ogen niet gelijk gericht zijn.

In Spaans overeenkomend met: Bizquear, Torcer la vista
  sLoensen
Scheel kijken
Zag scheelScheelgezien
Scheepsjagen
ScheidenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheidde, is gescheiden; [[scheider]], scheiding)
1 uiteengaan
2 (van echtgenoten) het huwelijk laten beŽindigen.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheidde, heeft gescheiden)
1 de aaneensluiting, samenhang, verbinding verbreken of verbroken houden
2 het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden.
(wederkerend werkwoord; scheidde zich, heeft zich gescheiden)
1 afsplitsen.

In Spaans overeenkomend met: Apartar, Dispersar, Segregar, Separar
Apartarse ((echt),(matrimonio)), Divorciar, Divorciarse
Separarse
  sAfscheiden
Afzonderen
Breken
Opzij schuiven
Schiften
Uit elkaar gaan
Weghalen
Wegzetten
ScheiddeGescheiden
ScheidsrechterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheidsrechterde, heeft gescheidsrechterd)
1 (informeel) als scheidsrechter optreden.

ScheidsrechterdeGescheidsrechterd
ScheldenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schold, heeft gescholden)
1 krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon.

ScholdGescholden
SchelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheelde, heeft gescheeld)
1 verschillen in eigenschap of hoedanigheden, afmeting, leeftijd, bedrag enz.
2 iemand ter [[harte]] gaan
3 mankeren.

In Spaans overeenkomend met: Diferir, Ser diferente
Faltar, Haber de menos
  sAbsent zijn
Afwezig zijn
Ontbreken
Uiteenlopen
Verschillen
ScheeldeGescheeld
SchellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schelde, heeft gescheld)
1 (formeel) de schel laten klinken.

In Spaans overeenkomend met: Llamar, Tocar la campanilla
  sAanbellen
Bellen
Luiden
ScheldeGescheld
SchematiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schematiseerde, heeft geschematiseerd; schematisering)
1 schematisch voorstellen.

SchematiseerdeGeschematiseerd
SchemerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schemerde, heeft geschemerd; schemering)
1 vaag [[waarneembaar]] zijn
2 in de schemering zitten, zonder iets te doen.
(onpersoonlijk werkwoord; schemerde, heeft geschemerd)
1 tussen licht en donker zijn.

In Spaans overeenkomend met: Atardecer
SchemerdeGeschemerd
SchendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schond, heeft geschonden; schender, schending)
1 te schande maken
2 afbreuk doen aan de gaafheid of [[compleetheid]] van een zaak
3 zich niet houden aan (een afspraak, verdrag).

In Spaans overeenkomend met: Estropear
Echar a perder
Desflorar
Profanar
Quebrar, Romper
  sAfbreken
Bederven
Beschadigen
Breken
Defloreren
Doorbreken
Havenen
Knoeien
Onteren
Ontheiligen
Ontmaagden
Ontwijden
Profaneren
Stuk maken
Stukbreken
Stukmaken
Toetakelen
Verbreken
Verknoeien
Verontheiligen
Verpesten
SchondGeschonden
SchenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schonk, heeft geschonken; schenker, schenking)
1 (een vloeistof) overbrengen van het ene in het andere vat
2 (een drank) serveren
3 geven, verlenen.

In Spaans overeenkomend met: Deparar, Donar, Presentar, Regalar
Derramar, Escanciar ((wijn),(vino)), Verter
  sCadeau geven
Gieten
Plengen
Storten
Vergieten
SchonkGeschonken
SchepenALLE betekenissen van dit woord:
(de m ; schepenen)
1 (geschiedenis) vroegere rechtsambtenaar en bestuurder in steden en dorpen, samenwerkend met de vertegenwoordiger van de landsheer
2 (in [[BelgiŽ]]) wethouder.
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheepte, is gescheept)
1 zich inschepen.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheepte, heeft gescheept)
1 inschepen.

ScheepteGescheept
ScheppenIn de betekenis van:
Met een schep naar boven brengen of verplaatsen

In Spaans overeenkomend met: Extraer, Sacar
Excavar con pala, Traspalar
  sComponeren
CreŽren
Hozen
Maken
Ontlenen
Opscheppen
Putten
Schrijven
SchepteGeschept
ScheppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schepte/schiep, heeft geschapen/geschept)
1 (ook absoluut) in het leven roepen, vormen
2 uit een vloeistof of korrelige stof naar boven brengen of verplaatsen
3 door botsen omhoogslingeren.

In Spaans overeenkomend met: Crear
Escribir
  sComponeren
CreŽren
Hozen
Maken
Ontlenen
Opscheppen
Putten
Schrijven
SchiepGeschapen
ScherenIn de betekenis van:
Zich snel rakelings langs iets bewegen

In Spaans overeenkomend met:
Urdir
  sDe schering maken van
Knippen
Snoeien
ScheerdeGescheerd
ScherenALLE betekenissen van dit woord:
(zelfstandig naamwoord, meervoud)
1 [[plantje]] met [[zwaardvormige]], gesleufde, doornig getande, donkergroene bladen en witte bloemen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheerde, heeft/is gescheerd; schering)
1 zich snel rakelings langs iets bewegen.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoor, heeft geschoren; scheerder, schering)
1 (de baardharen, het hoofdhaar of haar op andere lichaamsdelen) tot op de huid afsnijden met een daarvoor bestemd mes of apparaat
2 (dieren) het haar kort afknippen
3 (gewassen) regelmatig kort afknippen
4 de opstaande of uitstekende draden van een weefsel gelijk afsnijden of -knippen
5 te veel laten betalen
6 (een touw in een blok) steken
7 spannen
7 ordenen
8 rakelings langs iets doen gaan.

In Spaans overeenkomend met: Afeitar
Urdir
Cortar, Esquilar
  sDe schering maken van
Knippen
Snoeien
SchoorGeschoren
SchermenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schermde, heeft geschermd)
1 in het wilde weg als argument gebruiken.
([[onovergankelijk]] werkwoord; schermde, heeft geschermd; schermer)
1 volgens bepaalde regels een oefengevecht houden met een degen of ander blank wapen of met een stok.

In Spaans overeenkomend met: Esgrimir
SchermdeGeschermd
SchermutselenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schermutselde, heeft geschermutseld)
1 op kleine schaal gevechten houden die niet van beslissende betekenis kunnen zijn.

SchermutseldeGeschermutseld
ScherpenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scherpte, is gescherpt; scherper, scherping)
1 (scheepvaart) (van de wind) uit een verkeerde hoek waaien.
([[overgankelijk]] werkwoord; scherpte, heeft gescherpt)
1 scherper van snede of van punt maken
2 [[fijner]], [[doordringender]] van vermogen of waarneming maken
3 met gescherpte hoefijzers beslaan.

In Spaans overeenkomend met: Afilar
Agudizar
  sAanzetten
Slijpen
Wetten
ScherpteGescherpt
SchertsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schertste, heeft geschertst; schertser)
1 iets zeggen of doen voor de grap.

In Spaans overeenkomend met: Bromear, Burlarse
  sGekscheren
Grappen
Grappen maken
SchertsteGeschertst
SchervenScherfdeGescherfd
SchetsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schetste, heeft geschetst)
1 (ook absoluut) in hoofdlijnen tekenen, een onuitgewerkte tekening maken
2 met woorden in hoofdtrekken uitbeelden.

In Spaans overeenkomend met: Dibujar
Abocetar, Bosquejar, Esbozar
  sAftekenen
Ontwerpen
Tekenen
Trekken
Uitstippelen
Uittekenen
SchetsteGeschetst
SchetterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schetterde, heeft geschetterd; schetteraar, schettering)
1 een schel, hardklinkend geluid geven
2 luidkeels iets verkondigen.

SchetterdeGeschetterd
ScheukenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; [[scheukte]] zich, heeft zich gescheukt)
1 zich wrijven, zich schurken.

ScheukteGescheukt
ScheurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheurde, is gescheurd; scheurder, scheuring)
1 een scheur of scheuren krijgen
2 (informeel) hard en roekeloos rijden.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheurde, heeft gescheurd)
1 kapot, stuktrekken
2 verscheuren
3 losrukken
4 weiland door omploegen tot bouwland maken.

In Spaans overeenkomend met: Henderse, Resquebrajarse
Estallar, Reventar
Arrancar, Desgajar, Rasgar
  sBarsten
Bersten
Openbarsten
Openbersten
Rijten
Splijten
Springen
ScheurdeGescheurd
SchiemannenSchiemandeGeschiemand
SchietenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (schoot, heeft geschoten) schoten uit wapens lossen
2 (schoot, is geschoten) plotseling in de genoemde of bedoelde positie of toestand raken.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoot, heeft geschoten)
1 (ook absoluut) (een bal) spelen in de genoemde richting
2 (een projectiel) werpen d.m.v. een daartoe ingericht werktuig
3 treffen met een projectiel
4 met een projectiel in de genoemde positie of toestand brengen
5 met een projectiel doen ontstaan
6 van zich geven
7 d.m.v. een hoekmeetinstrument de hoogte bepalen van (een hemellichaam).

In Spaans overeenkomend met: Disparar, Tirar
  sPaffen
Vuren
SchootGeschoten
SchiftenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schiftte, is geschift; schifting)
1 (van eiwithoudende vloeistoffen, in 't bijz. van melk) door het stremmen van het eiwit ongelijkmatig van samenstelling worden
2 (van wind) van richting veranderen.
([[overgankelijk]] werkwoord; schiftte, heeft geschift)
1 selecteren
2 (rails) verschuiven om ze goed in het spoor te richten.

In Spaans overeenkomend met: Cortarse, Destriar
Apartar, Dispersar, Segregar, Separar
  sAfscheiden
Afzonderen
Opzij schuiven
Scheiden
Weghalen
Wegzetten
SchiftteGeschift
SchijfschietenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 het schieten naar een schijf als oefening of sport.

Schoot schijfSchijfgeschoten
SchijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheen, heeft geschenen)
1 gloed, schijnsel, licht afgeven
2 de schijn hebben van, naar zeggen zo zijn.

In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir
Parecer
  sBlinken
Glanzen
Lijken
Overkomen
Schitteren
Toeschijnen
Voorkomen
ScheenGeschenen
SchijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; scheet, heeft gescheten; schijter)
1 (grof) poepen.

In Spaans overeenkomend met: Defecar
  sKakken
Ontlasting hebben
Poepen
ScheetGescheten
SchikkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schikte, heeft geschikt)
1 berusten in bepaalde maatregelen of omstandigheden.
(werkwoord; schikte, heeft geschikt)
1 zich aanpassen aan.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (schikte, heeft geschikt) van pas komen, schikken
2 (schikte, heeft/is geschikt) opschuiven.
([[overgankelijk]] werkwoord; schikte, heeft geschikt)
1 op doelbewuste wijze plaatsen
2 (een tegenstelling) tot oplossing brengen doordat elk wat toegeeft.

In Spaans overeenkomend met: Convenir, Ser conveniente
Arreglar
Acomodar
  sBetamen
Gelegen komen
Inrichten
Opruimen
Passen
Regelen
Ruimen
Terechtbrengen
Uitkomen
Voegen
SchikteGeschikt
SchilderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schilderde, heeft geschilderd)
1 wachtlopen.
([[overgankelijk]] werkwoord; schilderde, heeft geschilderd)
1 (ook absoluut) (oppervlakten) met verf bedekken om ze te conserveren en/of kleur te geven
2 (ook absoluut) (voorstellingen of afbeeldingen) met penseel en verf tot stand brengen
3 met woorden uitbeelden.

In Spaans overeenkomend met: Pintar
  sAfschilderen
Uitschilderen
Verven
SchilderdeGeschilderd
SchilferenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schilferde, heeft/is geschilferd; schilfering)
1 schilfers loslaten.

SchilferdeGeschilferd
SchillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schilde, heeft geschild)
1 van de schil ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Descortezar, Mondar, Pelar
  sAfpellen
Jassen
Pellen
SchildeGeschild
SchimmelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schimmelde, is geschimmeld; schimmeling)
1 met schimmel bedekt raken.

In Spaans overeenkomend met: Enmohecerse
  sBeschimmelen
Verschimmelen
SchimmeldeGeschimmeld
SchimpenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schimpte, heeft geschimpt)
1 honend afgeven op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; schimpte, heeft geschimpt; schimping)
1 honen.

In Spaans overeenkomend met: Injuriar, Insultar
  sBeschimpen
SchimpteGeschimpt
SchipperenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schipperde, heeft geschipperd)
1 naar omstandigheden handelen, compromissen sluiten.

SchipperdeGeschipperd
SchitterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schitterde, heeft geschitterd; schittering)
1 een sterk, beweeglijk licht verspreiden
2 uitblinken.

In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir, Parpadear ((sterren),(estrella's)), Relucir, Resplandecer
Deflagrar, Flamear
  sBlinken
Flakkeren
Flikkeren
Glanzen
Glimmen
Glinsteren
Schijnen
Vonken schieten
Wapperen
SchitterdeGeschitterd
SchmierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schmierde, heeft geschmierd)
1 (theater) overdreven acteren.

SchmierdeGeschmierd
SchminkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schminkte, heeft geschminkt)
1 schmink aanbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Maquillar
  sBlanketten
Grimeren
Maquilleren
Opmaken
SchminkteGeschminkt
SchnabbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schnabbelde, heeft geschnabbeld; schnabbelaar)
1 nevenwerkzaamheden verrichten.

SchnabbeldeGeschnabbeld
SchobbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schobde, heeft geschobd)
1 schurken.

SchobdeGeschobd
SchoeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoeide, heeft geschoeid; schoeiing)
1 bekleden met schoenen of laarzen
2 beschermen met een laag hout of steen
3 (een roeiriem) in een schoen vastzetten.

SchoeideGeschoeid
Schoenlappen
Schoenmaken
Schoenpoetsen
SchoffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schoffelde, heeft geschoffeld)
1 (sport) onelegant en meedogenloos spelen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schoffelde, heeft geschoffeld)
1 (iets) met de schoffel bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Carpir, Escardar, Sachar
  sWieden
SchoffeldeGeschoffeld
SchofferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoffeerde, heeft geschoffeerd; [[schoffeerder]], schoffering)
1 beledigen.

SchoffeerdeGeschoffeerd
SchokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schokte, heeft geschokt; schokker)
1 ongecontroleerde schuddende bewegingen maken.
([[overgankelijk]] werkwoord; schokte, heeft geschokt)
1 pijnlijk in het gemoed treffen
2 een weerstandskracht opwekken.

In Spaans overeenkomend met: Sacudir
  sOpschudden
Schudden
Wrikken
SchokteGeschokt
SchokschouderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schokschouderde, heeft geschokschouderd)
1 de schouders ophalen.

SchokschouderdeGeschokschouderd
ScholenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schoolde, heeft geschoold; scholing)
1 onderrichten.

In Spaans overeenkomend met: EnseŮar, Instruir
  sBijbrengen
Instrueren
Leren
SchooldeGeschoold
ScholpenScholpteGescholpt
SchommelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schommelaar, schommeling)
1 (schommelde, heeft/is geschommeld) zich langs een boog of ten [[opzichte]] van een aspunt heen en weer bewegen
2 (schommelde, heeft geschommeld) zich op een schommel vermaken
3 (schommelde, heeft geschommeld) (van grootheden en getallen) zich bewegen om een gemiddelde
4 (schommelde, heeft/is geschommeld) waggelend lopen.

In Spaans overeenkomend met: Balancear
Fluctuar
Oscilar
Tambalear, Tambalearse
  sBalanceren
Fluctueren
Hobbelen
Op en neer gaan
Oscilleren
Slingeren
Waggelen
Wankelen
Wiegelen
Wiegen
Wippen
SchommeldeGeschommeld
SchonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoonde, heeft geschoond)
1 zuiveren
2 (een sloot) ontdoen van waterplanten.

SchoondeGeschoond
SchooienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schooide, heeft geschooid)
1 dringend vragen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; schooide, heeft geschooid)
1 bedelend rondlopen.

In Spaans overeenkomend met: Mendigar, Pedir limosna
  sBedelen
SchooideGeschooid
SchooierenSchooierdeGeschooierd
SchoolblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef school, is schoolgebleven; schoolblijver)
1 na schooltijd voor straf moeten blijven.

Bleef schoolSchoolgebleven
SchoolgaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging school, heeft/is schoolgegaan)
1 naar school gaan.

Ging schoolSchoolgegaan
SchoolhoudenHield schoolSchoolgehouden
SchoolliggenLag schoolSchoolgelegen
SchoollopenLiep schoolSchoolgelopen
SchoolmeesterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schoolmeesterde, heeft geschoolmeesterd)
1 op pedante wijze corrigeren, de les lezen, of spreken over.

SchoolmeesterdeGeschoolmeesterd
SchoolrijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 ([[paardensport]]) het rijden in bepaalde passen met een rijpaard.

SchoolzwemmenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 in klasverband zwemmen als deel van het schoolprogramma.

SchoonbijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beet schoon, heeft schoongebeten)
1 (voorwerpen) reinigen, blank en zuiver maken door het scheikundig wegnemen van de roestlaag, verflaag e.d.

Beet schoonSchoonbeten
SchoonbrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brandde schoon, heeft schoongebrand)
1 (voorwerpen) door te branden reinigen van de oxidelaag, verflaag e.d.

Brandde schoonSchoongebrand
SchoonhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield schoon, heeft schoongehouden)
1 iets zodanig onderhouden dat het niet vuil of smerig wordt.

Hield schoonSchoongehouden
SchoonlikkenLikte schoonSchoongelikt
SchoonmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; maakte schoon, heeft schoongemaakt)
1 reinigen.

In Spaans overeenkomend met: Bruzar
Escarbar, Limpiar
Adelgazar, Limpiar, Purificar
  sAfvegen
Borstelen
Louteren
Opwrijven
Poetsen
Reinigen
Schuieren
Vegen
Zuiveren
Maakte schoonSchoongemaakt
SchoonpoetsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; poetste schoon, heeft schoongepoetst)
1 poetsend schoonmaken.

Poetste schoonSchoongepoetst
SchoonrijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schoonrijder)
1 het op een sierlijke wijze uitvoeren van de perfecte schaatsslag.

SchoonschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schoonschrijver)
1 fraaie letters maken, bv. in akten, [[diploma's]] enz.

SchoonspoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spoelde schoon, heeft schoongespoeld)
1 door spoelen reinigen.

Spoelde schoonSchoongespoeld
SchoonspringenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schoonspringer)
1 (watersport) fraaie sprongen maken van een duikplank.

SchoonspuitenSpoot schoonSchoongespoten
SchoonvegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; veegde schoon, heeft schoongeveegd)
1 door vegen reinigen
2 (een locatie) leegmaken door de aanwezige mensen met geweld te verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: RebaŮar
Barrer
  sAanvegen
Bezemen
Opvegen
Uitlikken
Vegen
Veegde schoonSchoongeveegd
SchoonwassenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; waste schoon, heeft schoongewassen)
1 reinigen.

Waste schoonSchoongewassen
SchoonwrijvenWreef schoonSchoongewreven
SchoonzwemmenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schoonzwemmer)
1 (watersport) kunstzwemmen.

SchoorsteenvegenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schoorsteenveger)
1 het schoonmaken van schoorstenen.

SchoorvoetenIn Spaans overeenkomend met: Titubear, Vacilar
  sAarzelen
Dubben
Schromen
Weifelen
SchoorvoetteGeschoorvoet
SchootgaanGing schootSchootgegaan
SchoppenALLE betekenissen van dit woord:
(de)
1 (spel) kleur van het kaartspel: een zwart staand, hartvormig blaadje op steel.
([[overgankelijk]] werkwoord; schopte, heeft geschopt)
1 (ook absoluut) met de voet raken
2 door schoppen naar een bepaalde plaats of in een bepaalde toestand brengen
3 (het genoemde) veroorzaken.

In Spaans overeenkomend met: Acocear
  sTrappen
SchopteGeschopt
SchorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoorde, heeft geschoord; schoring)
1 met, als met een schoor stutten, steunen.

In Spaans overeenkomend met: Sostener
  sDragen
Onderhouden
Ondersteunen
Ruggensteunen
Schragen
SchoordeGeschoord
SchorsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schorste, heeft geschorst; schorsing)
1 voorlopig of tijdelijk buiten werking stellen
2 voorlopig of tijdelijk verbieden zijn ambt waar te nemen.

In Spaans overeenkomend met: Interrumpir
  sInterrumperen
Onderbreken
SchorsteGeschorst
SchortenSchortteGeschort
SchotelenSchoteldeGeschoteld
SchouderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schouderde, heeft geschouderd)
1 (de tegenstander) met de schouders op de grond drukken.

SchouderdeGeschouderd
SchouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schouwde, heeft geschouwd; schouwer, schouwing)
1 in de geest waarnemen
2 inspecteren.

In Spaans overeenkomend met: Inspeccionar
Mirar
  sBekijken
Blikken
Inspectie houden
Kijken
Kijken naar
Toekijken
Toezien
Visiteren
SchouwdeGeschouwd
SchovenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoofde, heeft geschoofd)
1 in, tot schoven binden.

SchoofdeGeschoofd
SchrabbenIn Spaans overeenkomend met: Legrar, Raer, Raspar
  sKrassen
Schrapen
Schrappen
SchrabdeGeschrabd
SchrafelenSchrafeldeGeschrafeld
SchrafferenSchraffeerdeGeschraffeerd
SchragenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schraagde, heeft geschraagd; schraging)
1 stutten
2 steunen, in stand houden.

In Spaans overeenkomend met: Apoyar
Sostener
  sDragen
Onderhouden
Ondersteunen
Ruggensteunen
Rugsteunen
Schoren
Steunen
Stutten
SchraagdeGeschraagd
SchralenSchraaldeGeschraald
SchrammenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schramde, heeft geschramd)
1 de huid licht openrijten.

In Spaans overeenkomend met: AraŮar
  sOpenkrabben
SchramdeGeschramd
SchrankelenSchrankeldeGeschrankeld
SchrankenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schrankte, heeft geschrankt; schranking)
1 scheefzakken.
([[overgankelijk]] werkwoord; schrankte, heeft geschrankt)
1 [[kruiselings]] over elkaar leggen
2 (de tanden van een zaag) beurtelings naar de ene en naar de andere zijde enigszins uitbuigen.

SchrankteGeschrankt
SchransenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schranste, heeft geschranst; schranser)
1 veel en gulzig eten.

SchransteGeschranst
SchranzenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schranzer) zie schransen.

SchransdeGeschransd
SchrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schraapte, heeft geschraapt; schraper, schraping)
1 met een schurend, krassend geluid ergens langs strijken.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schraapte, heeft geschraapt)
1 met een scherp voorwerp over iets heen gaan, om er iets af te krabben.

In Spaans overeenkomend met: Rascar
Escarificar
Legrar, Raer, Raspar
  sKrassen
Schrabben
Schrappen
SchraapteGeschraapt
SchrappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schrapte, heeft geschrapt; schrapper, schrapping)
1 door krabben van de bovenste of buitenste laag ontdoen
2 doorhalen, een streep trekken door
3 afschaffen.

In Spaans overeenkomend met: Atajar, Borrar
Elidir
Legrar, Raer, Raspar
  sAfkappen
Couperen
Doorhalen
Krassen
Onvermeld laten
Overslaan
Schrabben
Schrapen
Weglaten
Wissen
SchrapteGeschrapt
SchreeuwenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; schreeuwde, heeft geschreeuwd)
1 nadrukkelijk vereisen, roepen om.
([[onovergankelijk]] werkwoord; schreeuwde, heeft geschreeuwd; schreeuwer)
1 luid, doordringend roepen van [[angst]], pijn, woede enz.
2 (van kinderen) hard huilen
3 (van sommige dieren) hun natuurlijk geluid voortbrengen
4 slecht, lelijk zingen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schreeuwde, heeft geschreeuwd)
1 (iets) luid roepend meedelen.

In Spaans overeenkomend met: Rebuznar
Clamar, Gritar, Vocear, Vociferar
Chillar ((kleuren))
  sBalken
Blaten
Brullen
Gieren
Grommen
Hinniken
Joelen
Loeien
Roepen
SchreeuwdeGeschreeuwd
SchreienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schreide, heeft geschreid; schreier)
1 (formeel) huilen.

In Spaans overeenkomend met: Llorar
  sHuilen
Krijten
Wenen
SchreideGeschreid
SchrijbenenSchrijbeendeGeschrijbeend
SchrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schreed, heeft/is geschreden)
1 met waardige stappen gaan.

In Spaans overeenkomend met: Caminar, Dar pasos
  sLopen
Stappen
Treden
Wandelen
SchreedGeschreden
SchrijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schrijnde, heeft geschrijnd; schrijning)
1 pijnlijk zijn door schuren of schaven.

SchrijndeGeschrijnd
SchrijvenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 (formeel) officiŽle brief.
([[onovergankelijk]] werkwoord; schreef, heeft geschreven; schrijver)
1 geschikt zijn om ermee of erop te schrijven.
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef, heeft geschreven)
1 (ook absoluut) met een pen, potlood, krijt enz. tekens op papier of een ander vlak voorwerp aanbrengen
2 (ook absoluut) (een brief, boek, verhandeling enz.) samenstellen, vervaardigen
3 (ook absoluut) (opties) verkopen
4 in schrift voorstellen, weergeven
5 opschrijven, noteren
6 schriftelijk meedelen of uitdrukken.

In Spaans overeenkomend met: Escribir
  sComponeren
Scheppen
SchreefGeschreven
SchrikkelenSchrikkeldeGeschrikkeld
SchrikkenIn de betekenis van:
1 (scheepvaart) (een gespannen touw) schoksgewijs bijvieren
2 (iets dat heet is) plotseling afkoelen
3 plotseling in kokend water brengen

In Spaans overeenkomend met:
  sBang worden
Opschrikken
Zich ongerust maken
SchrikteGeschrikt
SchrikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (schrok, is geschrokken) door een plotseling angstgevoel bevangen worden
2 (schrikte, is geschrikt) plotseling afgekoeld worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; schrikte, heeft geschrikt)
1 (scheepvaart) (een gespannen touw) [[schoksgewijs]] bijvieren
2 (iets dat heet is) plotseling afkoelen
3 plotseling in kokend water brengen.

In Spaans overeenkomend met: Asustar
Alarmarse, Alborotarse, Asustarse, Aterrorizarse, Sobresaltarse
  sBang worden
Opschrikken
Zich ongerust maken
SchrokGeschrokken
SchrobbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schrobde, heeft geschrobd)
1 (iets) met water en een harde borstel reinigen.

In Spaans overeenkomend met: Fregar
SchrobdeGeschrobd
SchrodenSchrooddeGeschrood
SchroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schroeide, heeft geschroeid)
1 aan de oppervlakte verbranden
2 zeer sterk uitdrogen
3 (porselein) zacht bakken voor het verglazen.

In Spaans overeenkomend met: Achicharrar
SchroeideGeschroeid
SchroevenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schroefde, heeft geschroefd)
1 met behulp van een schroef of schroeven in de genoemde positie of toestand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Atornillar, Fijar con tornillos
SchroefdeGeschroefd
SchrokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schrokte, heeft geschrokt; schrokker)
1 al te gulzig eten.

SchrokteGeschrokt
SchrollenSchroldeGeschrold
SchromenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schroomde, heeft geschroomd)
1 niet goed of nauwelijks durven te doen.

In Spaans overeenkomend met: Titubear, Vacilar
Temer
  sAarzelen
Bang zijn voor
Dubben
Duchten
Schoorvoeten
Terugschrikken voor
Vrezen
Weifelen
SchroomdeGeschroomd
SchrompelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schrompelde, is geschrompeld)
1 rimpelig samentrekken.

SchrompeldeGeschrompeld
SchrooienSchrooideGeschrooid
SchrotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schrootte, heeft geschroot)
1 (oud ijzer) klein maken, tot schroot verwerken.

SchrootteGeschroot
SchubbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schubde, heeft geschubd)
1 van de schubben ontdoen.

SchubdeGeschubd
SchuddebollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuddebolde, heeft geschuddebold)
1 het hoofd voortdurend heen en weer bewegen.

SchuddeboldeGeschuddebold
SchuddebuikenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

SchuddebuikteGeschuddebuikt
SchuddekoppenSchuddekopteGeschuddekopt
SchuddenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schudde, heeft geschud)
1 over korte afstand ritmisch op en neer of heen en weer bewogen worden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schudde, heeft geschud)
1 met meer of minder kracht over een korte afstand ritmisch heen en weer of op en neer bewegen.

In Spaans overeenkomend met: Agitar, Perturbar
Menear
Sacudir, Zarandear, Zarandearse
  sAgiteren
Ophitsen
Opruien
Opschudden
Opstoken
Opwinden
Schokken
Wrikken
SchuddeGeschud
SchuierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; schuierde, heeft geschuierd)
1 met een schuier vegen.

In Spaans overeenkomend met: Bruzar, Cepillar
  sBorstelen
Schoonmaken
SchuierdeGeschuierd
SchuifelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuifelaar, schuifeling)
1 (schuifelde, is geschuifeld) zich schuivend voortbewegen
2 (schuifelde, heeft geschuifeld) dicht tegen elkaar dansen
3 (van slangen) sissen.

SchuifeldeGeschuifeld
SchuilenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuilde, heeft gescholen/geschuild)
1 zich verbergen
2 beschutting zoeken
3 te zoeken zijn.

In Spaans overeenkomend met: Guarecerse
Schuilde, SchoolGeschuild, Gescholen
SchuilgaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging schuil, is schuilgegaan)
1 zich verbergen
2 verscholen zijn.

Ging schuilSchuilgegaan
SchuilhoudenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; hield zich schuil, heeft zich schuilgehouden)
1 zich verstoppen, zich verborgen houden.

Hield schuilSchuilgehouden
SchuimbekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuimbekte, heeft geschuimbekt)
1 het schuim op de mond hebben.

SchuimbekteGeschuimbekt
SchuimenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuimde, heeft geschuimd)
1 schuim dragen, geven
2 schuimbekken.
([[overgankelijk]] werkwoord; schuimde, heeft geschuimd)
1 van schuim zuiveren.

In Spaans overeenkomend met: Espumar
  sBruisen
Tintelen
SchuimdeGeschuimd
SchuinenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuinde, heeft geschuind; schuining)
1 schuin maken.

SchuindeGeschuind
SchuitjevarenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 spelevaren.

SchuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuiver)
1 (schoof, is geschoven) zich zonder opheffing langs een vlak voortbewegen
2 (schoof, heeft geschoven) betalen, dokken.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof, heeft geschoven)
1 verplaatsen door duwen zonder oplichten
2 (opium) roken.

In Spaans overeenkomend met: Patinar, Resbalar
Hacer resbalar
Deslizarse, Hacer deslizar
  sGlibberen
Glijden
Glippen
Opschuiven
Uitglijden
SchoofGeschoven
SchulpenSchulpteGeschulpt
SchurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schuurde, heeft/is geschuurd; schuurder, schuring)
1 met sterke wrijving langs of over iets schuiven.
([[overgankelijk]] werkwoord; schuurde, heeft geschuurd)
1 (ook absoluut) door stevig wrijven gladmaken
2 (in BelgiŽ; informeel) schrobben, schoonmaken.

In Spaans overeenkomend met: Restregar
Lustrar, Pulimentar, Pulir
  sPoetsen
Polijsten
Wrijven
Zoeten
SchuurdeGeschuurd
SchurkenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; schurkte zich, heeft zich geschurkt)
1 met het lichaam tegen iets aan schuren m.n. om de jeuk te verdrijven.

SchurkteGeschurkt
SchuttenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schutte, is geschut; schutting)
1 door een schutsluis varen.
([[overgankelijk]] werkwoord; schutte, heeft geschut)
1 tegenhouden
2 (een schip) door een schutsluis in water van hoger of lager peil brengen.

SchutteGeschut
SchutterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schutterde, heeft geschutterd)
1 onbeholpen te werk gaan, knoeien.

SchutterdeGeschutterd
SchuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schuwde, heeft geschuwd)
1 mijden uit vrees of uit afkeer.

SchuwdeGeschuwd
ScintillerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[scintilleerde]], heeft gescintilleerd)
1 (van sterren) fonkelen.

ScintilleerdeGescintilleerd
ScorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; scoorde, heeft gescoord)
1 (sport) (een of meer punten) behalen
2 (informeel) verwerven
3 als uitslag hebben voor een test, examen, enz.
4 succes behalen
5 gewaardeerd worden.

In Spaans overeenkomend met: Marcar gol
ScoordeGescoord
ScrabbelenScrabbeldeGescrabbeld
ScratchenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scratchte, heeft gescratcht; scratcher, scratching)
1 een [[grammofoonplaat]] snel en ritmisch onder de naald heen en weer bewegen.

ScratchteGescratcht
ScreenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; screende, heeft gescreend; screener, screening)
1 onderzoek doen naar [[iemands]] [[geschiktheid]] of [[betrouwbaarheid]] voor een bepaalde functie.

ScreendeGescreend
ScrollenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; scrolde, heeft gescrold; scroller)
1 (computer) tekst over het computerscherm laten rollen.

ScroldeGescrold
ScrubbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; scrubde, heeft gescrubd)
1 de huid stevig masseren met een ruw voorwerp of een korrelige massa, om dode huidcellen te verwijderen.

ScrubdeGescrubd
SealenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sealde, heeft geseald; sealing)
1 met plastic luchtdicht afsluiten.

SealdeGeseald
SeconderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; secondeerde, heeft gesecondeerd)
1 helpen, bijstaan als getuige bij een duel.

SecondeerdeGesecondeerd
SeculariserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; seculariseerde, heeft/is geseculariseerd)
1 verwereldlijken.

SeculariseerdeGeseculariseerd
SedenterenSedenteerdeGesedenteerd
SedimenterenSedimenteerdeGesedimenteerd
SegmenterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; segmenteerde, heeft gesegmenteerd; segmentering)
1 in segmenten, in kleine eenheden verdelen.

SegmenteerdeGesegmenteerd
SegregerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; segregeerde, is gesegregeerd; segregatie)
1 gescheiden worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; segregeerde, heeft gesegregeerd)
1 afzonderen.

SegregeerdeGesegregeerd
SeibelenSeibeldeGeseibeld
SeiderenSeiderdeGeseiderd
SeinenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; seinde, heeft geseind; seiner)
1 door seinen bekendmaken, seinen geven
2 telegraferen.

In Spaans overeenkomend met: Hacer una seŮal, Indicar
  sEen sein geven
SeindeGeseind
SeizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[seisde]], heeft geseisd)
1 (scheepvaart) (een tros of touw) vastsjorren.

SeisdeGeseisd
SeksenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sekste, heeft gesekst)
1 seksuele gemeenschap hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sekste, heeft gesekst)
1 (kuikens, konijnen e.d.) onderzoeken om het geslacht te bepalen.

SeksteGesekst
SeksualiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; seksualiseerde, heeft geseksualiseerd; seksualisering)
1 (iets) een seksueel karakter geven.

SeksualiseerdeGeseksualiseerd
SekwestrerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sekwestreerde, heeft gesekwestreerd)
1 (juridisch) in bewaring stellen.

SekwestreerdeGesekwestreerd
SelecterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; selecteerde, heeft geselecteerd; selectie)
1 selectie toepassen.

In Spaans overeenkomend met: Tamizar
Elegir
Escoger, Seleccionar
  sKiezen
Zeven
SelecteerdeGeselecteerd
SensibiliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sensibiliseerde, heeft gesensibiliseerd; sensibilisatie)
1 (in [[BelgiŽ]]) (het publiek of een bep. groep) bewust maken, gevoelig maken, warm maken.

SensibiliseerdeGesensibiliseerd
SeparerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; separeerde, heeft gesepareerd; separatie)
1 afzonderen, van elkaar scheiden.

SepareerdeGesepareerd
SeponerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; seponeerde, heeft geseponeerd)
1 (juridisch) terzijde leggen, niet vervolgen.

SeponeerdeGeseponeerd
ServerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; serveerde, heeft geserveerd; serveerder)
1 (gerechten) opdienen
2 (een tennisbal, volleybal e.d.) opslaan.

In Spaans overeenkomend met: Servir
  sAankaarten
Opdienen
ServeerdeGeserveerd
SettelenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; settelde zich, heeft zich gesetteld)
1 zich vestigen.

SetteldeGesetteld
ShakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

ShaketeGeshaket
ShamponerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; shamponeerde, heeft geshamponeerd)
1 wassen met shampoo.

ShamponeerdeGeshamponeerd
ShampooŽnALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; shampoode, heeft geshampood)
1 met shampoo wassen.

ShampoodeGeshampood
ShimmyenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; shimmyde, heeft geshimmyd)
1 (van autowielen) wiebelen, slingeren.

ShimmydeGeshimmyd
ShockenShockteGeshockt
ShoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; shopte, heeft geshopt)
1 (informeel) winkelen
2 (informeel) bij verscheidene zaken, banken e.d. langs gaan om het aanbod te vergelijken.

ShopteGeshopt
ShorttrackenShorttrackteGeshorttrackt
ShottenShotteGeshot
ShowenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; showde, heeft geshowd)
1 een show houden, in een show vertonen.

ShowdeGeshowd
SidderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sidderde, heeft gesidderd; sidderaar, siddering)
1 bibberen van angst.

SidderdeGesidderd
SiepelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[siepelde]], heeft/is gesiepeld)
1 sijpelen.

SiepeldeGesiepeld
SieperenSieperdeGesieperd
SierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sierde, heeft gesierd)
1 tot sieraad, tot eer zijn.

In Spaans overeenkomend met: Adornar, Engalanar, Ornamentar
  sDecoreren
Opsieren
Tooien
Uitdossen
Versieren
SierdeGesierd
SignalerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; signaleerde, heeft gesignaleerd; signalering)
1 opmerken
2 wijzen op.

In Spaans overeenkomend met: Hacer notar, SeŮalar
  sOpmerken
Opmerkzaam maken
SignaleerdeGesignaleerd
SignerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; signeerde, heeft gesigneerd; signering)
1 met zijn naam of handtekening ondertekenen.

SigneerdeGesigneerd
SijfelenSijfeldeGesijfeld
SijpelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sijpelde, heeft/is gesijpeld; sijpeling)
1 met dunne [[straaltjes]] afdruipen, doorlekken.

SijpeldeGesijpeld
SijperenSijperdeGesijperd
SimmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; simde, heeft gesimd)
1 een huilend gezicht zetten.

SimdeGesimd
SimpenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; simpte, heeft gesimpt)
1 (informeel) simmen.

SimpteGesimpt
SimplificerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; simplificeerde, heeft gesimplificeerd; simplificatie)
1 [[eenvoudiger]] voorstellen.

SimplificeerdeGesimplificeerd
SimulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; simuleerde, heeft gesimuleerd)
1 (ook absoluut) (een ziekte) voorwenden
2 nabootsen.

In Spaans overeenkomend met: Aparentar, Fingir, Simular
  sDoen alsof
Fingeren
Veinzen
Voorgeven
Voorwenden
SimuleerdeGesimuleerd
SimultaanschakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 tegen meerdere tegenstanders tegelijk schaken.

SingelenSingeldeGesingeld
SinterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sinterde, heeft gesinterd)
1 (van metalen en [[keramisch]] materiaal) een begin van smelting vertonen en daardoor aaneenklitten.

SinterdeGesinterd
SissenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; siste, heeft gesist)
1 een scherp geluid voortbrengen door lucht met kracht uit een nauwe opening te doen stromen.
([[overgankelijk]] werkwoord; siste, heeft gesist)
1 met sissende stem zeggen.

In Spaans overeenkomend met: Llamear
Silbar
  sFluiten
Langzaam branden
SisteGesist
SituerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; situeerde, heeft gesitueerd; situering)
1 plaatsen in ruimte of tijd.

In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Situar
  sLeggen
Plaatsen
Stationeren
SitueerdeGesitueerd
SjablonerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sjabloneerde, heeft gesjabloneerd)
1 (voorstellingen, letters enz.) aanbrengen met sjablonen.

SjabloneerdeGesjabloneerd
SjachelenSjacheldeGesjacheld
SjacherenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjacherde, heeft gesjacherd; sjacheraar)
1 minderwaardige, ongeregelde of bedrieglijke handel drijven
2 veel loven en bieden.

In Spaans overeenkomend met: Cambalachear, Chalanear
SjacherdeGesjacherd
SjaletenSjaletteGesjalet
SjansenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjanste, heeft gesjanst)
1 (informeel) flirten.

SjansteGesjanst
SjappenSjapteGesjapt
SjaukelenSjaukeldeGesjaukeld
SjechtenSjechtteGesjecht
SjezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (sjeesde, heeft/is gesjeesd) (informeel) zeer snel gaan
2 (sjeesde, is gesjeesd) zakken voor een examen.

SjeesdeGesjeesd
SjiekenSjiekteGesjiekt
SjilpenIn Spaans overeenkomend met: Gorjear, Piar
  sKwetteren
Piepen
Tjilpen
SjilpteGesjilpt
SjirpenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord) zie tjirpen.

In Spaans overeenkomend met: Chirriar
  sTsjirpen
SjirpteGesjirpt
SjleppenSjlepteGesjlept
SjmaddenSjmaddeGesjmad
SjmeichelenSjmeicheldeGesjmeicheld
SjmoezenSjmoesdeGesjmoesd
SjnoderenSjnoderdeGesjnoderd
SjnorrenSjnordeGesjnord
SjoelbakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjoelbakte, heeft gesjoelbakt)
1 sjoelen.

SjoelbakteGesjoelbakt
SjoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjoelde, heeft gesjoeld)
1 met de sjoelbak spelen.

SjoeldeGesjoeld
SjoemelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjoemelde, heeft gesjoemeld; sjoemelaar)
1 (informeel) frauderen.

SjoemeldeGesjoemeld
SjokkelenSjokkeldeGesjokkeld
SjokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjokte, heeft/is gesjokt)
1 moeilijk of zonder haast lopen.

SjokteGesjokt
SjorrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sjorde, heeft gesjord)
1 (ook absoluut) ingespannen aan iets trekken om het te verplaatsen of om het los of vast te maken
2 stevig met een touw vastbinden.

In Spaans overeenkomend met: Abarrotar
SjordeGesjord
SjottenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sjotte, heeft gesjot)
1 (in BelgiŽ; informeel) (een bal) schieten, trappen.

SjotteGesjot
SjouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sjouwer)
1 (sjouwde, heeft gesjouwd) zwaar werk verrichten, zeulen
2 (sjouwde, heeft/is gesjouwd) (informeel) lopen op een inspannende manier.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sjouwde, heeft gesjouwd)
1 iets met inspanning dragen.

SjouwdeGesjouwd
SkateboardenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skateboardde, heeft/is geskateboard)
1 op een skateboard rijden.

SkateboarddeGeskateboard
SkatenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skatete, heeft/is geskatet)
1 skateboarden
2 zich op inlineskates voortbewegen.

SkateteGeskatet
SkeelerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skeelerde, heeft/is geskeelerd)
1 op skeelers rijden.

SkeelerdeGeskeelerd
SkeletterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; skeletteerde, heeft geskeletteerd)
1 (een dierlijk lichaam) ontvlezen, drogen en het geraamte in elkaar zetten
2 (gedroogde bladeren) van het bladmoes ontdoen.

SkeletteerdeGeskeletteerd
SkelterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skelterde, heeft/is geskelterd)
1 met een skelter rijden.

SkelterdeGeskelterd
SkilopenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; skiloper)
1 langlaufen.

Liep skiSkigelopen
SkimmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skimde, heeft geskimd)
1 de [[magneetstrip]] van een [[betaalpasje]] van een ander kopiŽren met het doel daarmee zelf illegaal geldopnames te verrichten.

SkimdeGeskimd
SkippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[skipte]], heeft geskipt)
1 (computer) overslaan.

SkipteGeskipt
SkispringenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; skispringer)
1 skiwedstrijd waarbij men zo ver mogelijk van een schans probeert te springen.

SkiŽnALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skiede, heeft/is geskied; skiŽr)
1 zich op ski's voortbewegen.

In Spaans overeenkomend met: Esquiar
SkiedeGeskied
SkypenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; skypete, heeft geskypet)
1 [[internetbellen]] met [[name]] met behulp van software van Skype.

SkypteGeskypt
SlaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sloeg, heeft geslagen)
1 gaan over, betrekking hebben op.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (sloeg, heeft geslagen) met de hand of iets anders min of meer snel bewegen
2 (sloeg, is geslagen) min of meer abrupt in de genoemde positie of toestand raken
3 (sloeg, heeft geslagen) door stoten of slagen geluid voortbrengen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg, heeft geslagen)
1 (ook absoluut) met een of meer snelle bewegingen raken
2 (ook absoluut) (een dam- of schaakstuk) door een bepaalde zet van het bord verwijderen
3 (ook absoluut) (geluid) voortbrengen
4 met slaande bewegingen bewerken
5 met slaande bewegingen in de genoemde positie of toestand brengen
6 met slaande bewegingen maken
7 met zwaaiende bewegingen in de genoemde positie of toestand brengen
8 met zwaaiende bewegingen maken
9 (een prestatie) overtreffen.

In Spaans overeenkomend met: Batir, Pegar
Chocar, Golpear, Percutir
Tocar
AcuŮar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar
  sAanmunten
Afdrukken
Gaan
Houwen
Klappen
Kleppen
Klinken
Kloppen
Meppen
Opvallen
Overgaan
Stempelen
Zijn stempel drukken op
SloegGeslagen
SlaapwandelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slaapwandelde, heeft geslaapwandeld; slaapwandelaar)
1 tijdens de slaap rondlopen en handelen alsof men wakker was.

SlaapwandeldeGeslaapwandeld
SlabakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slabakte, heeft geslabakt)
1 niet voortmaken
2 (in [[BelgiŽ]]) (van de economie, de markt, ondernemingen) [[kwijnen]], [[achteruitgaan]], verslappen.

SlabakteGeslabakt
SlabbenSlabdeGeslabd
SlabberenSlabberdeGeslabberd
SlachtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slachtte, heeft geslacht; slachter, slachting)
1 doden met het oog op het te verkrijgen vlees.

In Spaans overeenkomend met: Faenar, Matar
  sAfslachten
SlachtteGeslacht
SlachtofferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slachtofferde, heeft geslachtofferd)
1 opofferen aan een zaak van hoger belang.

In Spaans overeenkomend met: Inmolar
  sOfferen
SlachtofferdeGeslachtofferd
SlagenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slaagde, is geslaagd)
1 het nagestreefde bereiken
2 met succes examen doen
3 goed aflopen, met het gewenste resultaat.

In Spaans overeenkomend met: Acertar, Lograr, Tener ťxito
  sDoorkomen
Erin slagen
Klaarspelen
Slagen in
Slagen voor
SlaagdeGeslaagd
SlagregenenALLE betekenissen van dit woord:
(onpersoonlijk werkwoord; slagregende, heeft geslagregend)
1 hevig regenen.

SlagregendeGeslagregend
SlakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slaakte, heeft geslaakt)
1 (woorden of een geluid) uiten.

In Spaans overeenkomend met: Exhalar
  sUiten
SlaakteGeslaakt
SlalommenSlalomdeGeslalomd
SlampampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slampampte, heeft geslampampt; slampamper)
1 (informeel) rondhangen.

SlampampteGeslampampt
SlapenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sliep, heeft geslapen)
1 vrijen, [[geslachtsgemeenschap]] hebben.
([[onovergankelijk]] werkwoord; sliep, heeft geslapen; slaper)
1 in slaap zijn
2 (van ledematen) een tintelend gevoel geven na een onderbreking van de bloedsomloop
3 suffen
4 (van planten) 's [[nachts]] schijnbaar rusten.

In Spaans overeenkomend met: Dormir
Descansar
  sMaffen
Ontspannen
Pitten
Uitslapen
SliepGeslapen
SlappenSlapteGeslapt
SlavenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slaafde, heeft geslaafd)
1 hard en aanhoudend werken.

SlaafdeGeslaafd
SlechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slechtte, heeft geslecht; slechting)
1 vlakmaken, gladmaken
2 met de grond gelijk maken.

SlechtteGeslecht
SledenSleeddeGesleed
SleepvoetenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleepvoette, heeft/is gesleepvoet)
1 met de voeten slepen.

SleepvoetteGesleepvoet
SleeŽnALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleede, heeft/is gesleed)
1 met de slee glijden.

SleedeGesleed
SlemmenSlemdeGeslemd
SlempenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slempte, heeft geslempt; slemper)
1 overdadig eten en/of drinken.
([[overgankelijk]] werkwoord; slempte, heeft geslempt)
1 grond met water drenken om die goed te doen aaneensluiten
2 gaten met zand vullen onder toevoer van water.

In Spaans overeenkomend met: Ir de juerga
  sAan de rol zijn
Boemelen
Brassen
Uitspatten
Zwijnen
SlempteGeslempt
SlenterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slenterde, heeft/is geslenterd; slenteraar)
1 langzaam, zonder doel voortlopen.

In Spaans overeenkomend met: Barzonear, Deambular, Vagar
  sDrentelen
Flaneren
Kuieren
Rondhangen
SlenterdeGeslenterd
SlepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleepte, heeft gesleept; sleper, sleping)
1 zich over de grond schuivend voortbewegen
2 een traag verloop hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sleepte, heeft gesleept)
1 (een gevaarte) met meer of minder moeite vooruit trekken
2 (tonen) lang aanhouden en aan elkaar verbinden.

In Spaans overeenkomend met: Halar
Arrastrar, Atoar, Remolcar
  sMeesleuren
Trekken
Voorttrekken
SleepteGesleept
SleurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sleurde, heeft gesleurd)
1 ruw voortslepen.

SleurdeGesleurd
SleutelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sleutelde, heeft gesleuteld)
1 proberen te verbeteren.
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleutelde, heeft gesleuteld; sleutelaar)
1 (informeel) een defect aan een auto of [[motor]] opsporen en repareren.

SleuteldeGesleuteld
SlibbenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slibde, heeft geslibd)
1 slib afzetten.

SlibdeGeslibd
SlibberenSlibberdeGeslibberd
SlichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slichtte, heeft geslicht)
1 gladmaken.

SlichtteGeslicht
SlidderenSlidderdeGeslidderd
SliepenSliepteGesliept
SlierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slierde, heeft/is geslierd)
1 doelloos rondlopen.

SlierdeGeslierd
SlijmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slijmde, heeft geslijmd)
1 (informeel) slijmerig, kruiperig doen.

SlijmdeGeslijmd
SlijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleep, heeft geslepen; slijper)
1 langzaam, innig met iemand dansen
2 doelloos lopen, slenteren.
([[overgankelijk]] werkwoord; sleep, heeft geslepen)
1 (ook absoluut) door sterk wrijven langs een ruw oppervlak [[gladmaken]] of de vereiste vorm geven
2 door wrijven of snijden scherp maken
3 (glaswerk) door insnijdingen versieren.

In Spaans overeenkomend met: Afilar, Aguzar
Labrar, Tallar
  sAanzetten
Scherpen
Wetten
SleepGeslepen
SlijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleet, is gesleten; slijting)
1 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik minder worden in massa, sterkte of bruikbaarheid
2 mettertijd minder worden in kracht, verzwakken.
([[overgankelijk]] werkwoord; sleet, heeft gesleten)
1 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik doen afnemen in massa, sterkte of bruikbaarheid
2 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik veroorzaken, maken
3 (tijd) doorbrengen, vooral op een eentonige of rustige wijze
4 verkopen
5 (vlas) uittrekken bij de oogst.

In Spaans overeenkomend met: Destrozar por el uso
Desgastarse
  sAfdragen
Afslijten
Doorslijten
Opgebruiken
Uitslijten
Verslijten
SleetGesleten
SlikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; slikte, heeft geslikt)
1 (ook absoluut) doorslikken
2 zonder tegenstand geloven, goedvinden, laten gebeuren enz.
3 (in [[BelgiŽ]]) (water) afvoeren, verwerken.

In Spaans overeenkomend met: Deglutir, Tragar
  sDoorslikken
Inslikken
Slokken
SlikteGeslikt
SlingerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slingeraar, slingering)
1 (slingerde, heeft/is geslingerd) zich hangend aan een steunpunt heen en weer bewegen
2 (slingerde, heeft/is geslingerd) zwaaiend, onregelmatig heen en weer gaand voortbewegen
3 (slingerde, heeft geslingerd) ordeloos, zonder vooropgezet doel [[neergeworpen]] zijn
4 (slingerde, heeft geslingerd) (van varende schepen) schommelen om de lengteas.
([[overgankelijk]] werkwoord; slingerde, heeft geslingerd)
1 met een zwaai weggooien
2 meermalen winden om
3 met een slinger voortbewegen
4 (honing) met een slingermachine uit de raat halen.
(wederkerend werkwoord; slingerde zich, heeft zich geslingerd)
1 zich voortbewegen of zich uitstrekken in de vorm van een slinger.

In Spaans overeenkomend met: Fulminar ((banvloek, veroordeling),(conjuramento))
Oscilar
Serpentear
Blandir, Tremolar
  sKronkelen
Oscilleren
Schommelen
Swingen
Zwaaien
SlingerdeGeslingerd
SlinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slonk, is geslonken; slinking)
1 minder worden.

In Spaans overeenkomend met: Mermar
Amainar, Decrecer, Disminuir, Menguar
Abarquillarse, Arrugarse, Encogerse
  sAflopen
Afnemen
Ineenschrompelen
Minder worden
Rimpels krijgen
Tanen
Verflauwen
Verminderen
Verschrompelen
SlonkGeslonken
SlippenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slipte, is geslipt)
1 wegglijden, doorschieten
2 (van voertuigen) door gladheid over de weg schuiven
3 glippen, zich onopgemerkt verplaatsen.

In Spaans overeenkomend met: Derrapar
SlipteGeslipt
SlissenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sliste, heeft geslist)
1 de 's' breed uitspreken.

SlisteGeslist
SlobberenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slobberde, heeft geslobberd)
1 (van kleren) lubberen, te ruim zitten
2 niet goed aansluiten en daardoor heen en weer gaan.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; slobberde, heeft geslobberd)
1 lebberen, hoorbaar drinken.

SlobberdeGeslobberd
SlodderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; slodderde, heeft geslodderd)
1 (van kleren) lubberen, te ruim zitten.

SlodderdeGeslodderd
SloffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloffer)
1 (slofte, heeft/is gesloft) lopen zonder de voeten op te tillen
2 (slofte, heeft gesloft) (informeel) boffen, geluk hebben.

SlofteGesloft
SlokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; slokte, heeft geslokt)
1 schrokken, gulzig eten.

In Spaans overeenkomend met: Deglutir, Tragar
  sDoorslikken
Inslikken
Slikken
SlokteGeslokt
SlonzenSlonsdeGeslonsd
SlooienSlooideGeslooid
SlootjespringenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 springen met of zonder polsstok over een sloot of sloten.

SlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloopte, heeft gesloopt; sloper)
1 afbreken
2 uitputten.

In Spaans overeenkomend met: Consumir
Allanar, Demoler, Derribar, Derruir, Echar abajo, Echar en tierra, Echar por tierra
  sAfbreken
Consumeren
Neerhalen
Verbruiken
Vernietigen
Verorberen
Verteren
Verwoesten
SloopteGesloopt
SlorpenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord) zie slurpen.

SlorpteGeslorpt
SlotenSlootteGesloot
SlovenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloofde, heeft gesloofd; slover)
1 hard en aanhoudend werken.

SloofdeGesloofd
SluierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sluierde, heeft gesluierd; sluiering)
1 (van foto's) zwarting vertonen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sluierde, heeft gesluierd)
1 met een sluier bedekken.

In Spaans overeenkomend met: Oscurecer, Velar
  sOmsluieren
SluierdeGesluierd
SluikenSlookGesloken
SluikstortenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sluikstorter, sluikstorting)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) clandestien afval storten.

SluikstortteGesluikstort
SluimerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sluimerde, heeft gesluimerd; sluimering)
1 dommelen
2 verborgen aanwezig zijn, niet actief zijn.

In Spaans overeenkomend met: Echar la siesta
  sDruilen
Dutten
SluimerdeGesluimerd
SluipenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloop, is geslopen; sluiper)
1 zich zo behoedzaam voortbewegen dat men niet opgemerkt wordt.

SloopGeslopen
SluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sluiter, sluiting)
1 (sloot, heeft gesloten) zodanig op, tegen of in iets anders geplaatst worden of zijn, dat er geen tussenruimte overblijft
2 (sloot, heeft gesloten) (van bedrijven, winkels e.d.) de activiteiten staken, geen publiek meer toelaten
3 (sloot, heeft/is gesloten) (van aandelen, de beurs e.d.) tegen het einde van de markt in de genoemde toestand zijn
4 (sloot, heeft/is gesloten) (van een rekening of begroting) de genoemde einduitkomst hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot, heeft gesloten)
1 (ook absoluut) toedoen, dichtmaken, afsluiten
2 door iets dicht te doen vasthouden
3 aangaan, tot stand brengen
4 beŽindigen
5 (jacht, visserij) gedurende bepaalde tijd verbieden
6 (economie) opmaken, afsluiten.

In Spaans overeenkomend met: Trancar
Cerrarse ((wond, bloem),(herida, flor))
Cerrar, Cerrar con llave
  sAfsluiten
Barricaderen
Dichtgaan
Op slot doen
SlootGesloten
SluizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sluisde, heeft gesluisd)
1 door een schutsluis doen varen.

SluisdeGesluisd
SlungelenSlungeldeGeslungeld
SlurpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; slurpte, heeft geslurpt)
1 (drank of vloeibare spijs) hoorbaar zuigend tot zich nemen.

In Spaans overeenkomend met: Absorber, Sorber
  sOpslorpen
Opslurpen
Resorberen
SlurpteGeslurpt
SmachtenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; smachtte, heeft gesmacht)
1 verkommeren.
(werkwoord; smachtte, heeft gesmacht)
1 hevig verlangen.

In Spaans overeenkomend met: Desear
Anhelar, AŮorar, Suspirar
  sHaken naar
Hunkeren
Reikhalzen
Smachten naar
Snakken naar
Verlangen
Zuchten
Zuchten naar
SmachtteGesmacht
SmadenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smaadde, heeft gesmaad; smader, smading)
1 honen, beledigen.

SmaaddeGesmaad
SmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smaakte, heeft gesmaakt)
1 de genoemde smaak hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Paladear, Saborear
Saber
  sProeven
SmaakteGesmaakt
SmakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (smakte, heeft gesmakt) een klappend geluid met de lippen of met de tong maken
2 (smakte, is gesmakt) (informeel) hard vallen.
([[overgankelijk]] werkwoord; smakte, heeft gesmakt)
1 met geweld werpen.

In Spaans overeenkomend met: Comer con ruido
Besar con ruido
SmakteGesmakt
SmalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smaalde, heeft gesmaald; smaler)
1 met geringschatting spreken.

SmaaldeGesmaald
SmartenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smartte, heeft gesmart)
1 (archaÔsch) leed veroorzaken.

In Spaans overeenkomend met: Acongojar, Afligir, Entristecer
  sBedroeven
Grieven
SmartteGesmart
SmashenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; smashte, heeft gesmasht)
1 (de bal) spelen met een neerwaarts gerichte, harde slag.

SmashteGesmasht
SmedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeedde, heeft gesmeed)
1 (ook absoluut) (gloeiend metaal) door hameren bewerken
2 (iets) door hameren uit gloeiend metaal vervaardigen
3 bedenken, beramen.

In Spaans overeenkomend met: Forjar
SmeeddeGesmeed
SmekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smeekte, heeft gesmeekt; smeker, smeking)
1 nederig en dringend vragen om iets.

In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Rogar, Suplicar
  sAfsmeken
SmeekteGesmeekt
SmeltenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smolt, is gesmolten; smelting)
1 door verhitting vloeibaar worden
2 oplossen in een vloeistof
3 slinken.
([[overgankelijk]] werkwoord; smolt, heeft gesmolten)
1 door middel van warmte vloeibaar maken
2 laten fijnkoken.

In Spaans overeenkomend met: Deshacer
Derretir, Fundir
Derretirse
  sDoen smelten
Doorbranden
Versmelten
Vloeibaar maken
Vloeibaar worden
SmoltGesmolten
SmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smeerde, heeft gesmeerd; [[smeerder]], smering)
1 zich laten uitsmeren.
([[overgankelijk]] werkwoord; smeerde, heeft gesmeerd)
1 met een vettige of gladmakende stof bestrijken
2 van een laagje boter of vet voorzien
3 (een kleverige of vettige stof) uitstrijken.

In Spaans overeenkomend met: Aceitar, Lubrificar
Ponerse
Pintarrajar, Pintarrajear
Engrasar, Untar
  sAansmeren
Besmeren
Doorsmeren
Invetten
Kladden
SmeerdeGesmeerd
SmettenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smette, heeft gesmet)
1 (van de huid) door [[broeiing]] branderigheid of ontvelling vertonen.

In Spaans overeenkomend met: Manchar
  sBekladden
Vlekken
SmetteGesmet
SmeulenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smeulde, heeft gesmeuld)
1 langzaam branden zonder vlam
2 verborgen aanwezig zijn.

SmeuldeGesmeuld
SmiespelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smiespelde, heeft gesmiespeld)
1 fluisteren.

SmiespeldeGesmiespeld
SmijdigenSmijdigdeGesmijdigd
SmijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; smeet, heeft gesmeten)
1 hard werpen, gooien.

In Spaans overeenkomend met: Arrojar
Echar
  sGooien
Keilen
Uitgooien
Uitsmijten
Uitspelen
Uitwerpen
Werpen
SmeetGesmeten
SmikkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smikkelde, heeft gesmikkeld; smikkelaar)
1 stilletjes smullen.

SmikkeldeGesmikkeld
SmodderenSmodderdeGesmodderd
SmoezelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smoezelde, heeft gesmoezeld)
1 bedekt en zacht praten.

In Spaans overeenkomend met: Cuchichear
  sFluisteren
Smoezen
SmoezeldeGesmoezeld
SmoezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smoesde, heeft gesmoesd)
1 bedekt en zacht met iemand praten.

In Spaans overeenkomend met: Cuchichear
  sFluisteren
Smoezelen
SmoesdeGesmoesd
SmokenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smookte, heeft gesmookt)
1 walmen.
([[overgankelijk]] werkwoord; smookte, heeft gesmookt)
1 (ook absoluut) stevig roken
2 (steen, dakpannen) door sterke rookontwikkeling tegen het einde van het bakken blauw stoken.

In Spaans overeenkomend met: Fumar, Humear
  sRoken
SmookteGesmookt
SmokkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smokkelde, heeft gesmokkeld; smokkelaar)
1 een voorschrift of verbod ontduiken
2 spieken.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; smokkelde, heeft gesmokkeld)
1 verboden goederen, of goederen waarvoor rechten betaald moeten worden, heimelijk over de grens brengen
2 iets in het geheim naar de genoemde plaats of in de genoemde richting brengen.

In Spaans overeenkomend met: Contrabandear
EngaŮar
  sBeetnemen
Verlakken
SmokkeldeGesmokkeld
SmokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[smokte]], heeft gesmokt)
1 versieren met smokwerk.

SmokteGesmokt
SmorenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smoorde, is gesmoord)
1 stikken
2 zijn kracht verliezen, blijven steken
3 met weinig vocht en vet in een gesloten pan gaar worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; smoorde, heeft gesmoord)
1 (geluid) dempen
2 (voedsel) met weinig vocht en vet in een gesloten pan boven een vuur gaar laten worden
3 (in [[BelgiŽ]], informeel) roken, met [[name]] joints.

In Spaans overeenkomend met: Brasear, Guisar
Estofar
Ahogar, Sofocar
  sBraiseren
Neerslaan
Onderdrukken
Stoven
Verkroppen
Verstikken
SmoordeGesmoord
SmotsenSmotsteGesmotst
SmousenSmousteGesmoust
SmousjassenSmousjasteGesmousjast
SmoutenSmoutteGesmout
SmouzenSmousdeGesmousd
Sms'enALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sms'te, heeft gesms't)
1 [[sms-berichten]] versturen.

Sms'teGe-sms't
SmuikenSmuikteGesmuikt
SmukkenSmukteGesmukt
SmullenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; smulde, heeft gesmuld; smuller)
1 van eten genieten
2 zeer genieten.

SmuldeGesmuld
SmulpapenSmulpaapteGesmulpaapt
SnaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snaaide, heeft gesnaaid; snaaier)
1 (informeel) (iets [[eetbaars]]) wegnemen.

SnaaideGesnaaid
SnabbelenSnabbeldeGesnabbeld
SnakkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; snakte, heeft gesnakt)
1 heftig begeren, vurig verlangen.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

SnakteGesnakt
SnappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snapte, heeft gesnapt)
1 (iemand) vatten
2 (informeel) begrijpen.

In Spaans overeenkomend met: Comprender, Entender
Sorprender
  sBegrijpen
Beseffen
Betrappen
Bevatten
Doorzien
Omvatten
Vatten
Verrassen
Verstaan
SnapteGesnapt
SnaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snaterde, heeft gesnaterd; snatering)
1 het voor eenden, ganzen kenmerkende geluid laten horen
2 (van personen) druk of te onpas praten.

In Spaans overeenkomend met: Graznar
SnaterdeGesnaterd
SnauwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; snauwde, heeft gesnauwd; snauwer)
1 bits spreken, zeggen.

SnauwdeGesnauwd
SnebberenSnebberdeGesnebberd
SneeuwballenSneeuwbaldeGesneeuwbald
SneeuwenALLE betekenissen van dit woord:
(onpersoonlijk werkwoord; sneeuwde, heeft gesneeuwd)
1 het vallen van sneeuw.

In Spaans overeenkomend met: Nevar
SneeuwdeGesneeuwd
SneeuwruimenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sneeuwruimer)
1 gevallen sneeuw verwijderen.

Ruimde sneeuwSneeuwgeruimd
SnellenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snelde, is gesneld)
1 zich snel voortbewegen.

In Spaans overeenkomend met: Correr
  sHardlopen
Hollen
Rennen
SneldeGesneld
SnelschakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 schaken met korte bedenktijd.

SnelwandelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; snelwandelaar)
1 ([[wandelsport]]) loopnummer in de atletiek, waarbij men verplicht is steeds contact met de grond te houden.

SnelwandeldeGesnelwandeld
SnepenSneepteGesneept
SnerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sneerde, heeft gesneerd)
1 (iets) als of met een sneer zeggen.

SneerdeGesneerd
SnerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snerkte, heeft gesnerkt)
1 sissend knetteren.

SnerkteGesnerkt
SnerpenIn Spaans overeenkomend met: Cortar
  sSnijden
SnerpteGesnerpt
SneukelenSneukeldeGesneukeld
SneuvelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sneuvelde, is gesneuveld)
1 in een gevecht, in de oorlog omkomen
2 (schertsend) (van zaken) kapotgaan.

In Spaans overeenkomend met: Perecer
  sCreperen
Omkomen
Ondergaan
Vergaan
Verongelukken
SneuveldeGesneuveld
SnevenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[sneefde]], is gesneefd)
1 (formeel) sneuvelen.

SneefdeGesneefd
SnezenSneesdeGesneesd
SnibbenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snibde, heeft gesnibd)
1 snauwen.

SnibdeGesnibd
SnierenSnierdeGesnierd
SnierkenSnierkteGesnierkt
SniffelenSniffeldeGesniffeld
SniffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snifte, heeft gesnift)
1 hoorbaar en enigszins hortend door de neus ademhalen
2 zachtjes huilen.

SnifteGesnift
SnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sneed, heeft gesneden; snijder)
1 (van voorwerpen) een min of meer scherpe snee maken
2 pijnlijk aandoen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed, heeft gesneden)
1 (ook absoluut) (iets) met een mes e.d. van elkaar scheiden
2 (ook absoluut) (iemand) afzetten
3 (ook absoluut) (iemand) zo inhalen dat deze naar de kant van de weg gedrongen wordt
4 (ook absoluut) castreren
5 uitsnijden
6 (van lijnen) (een andere lijn) kruisen in een gemeenschappelijk punt.

In Spaans overeenkomend met: Castrar
Cortar
Estafar
  sAfzetten
Castreren
Ontmannen
Snerpen
SneedGesneden
SnikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snikte, heeft gesnikt)
1 hikkende, krampachtige bewegingen maken tijdens het huilen.

In Spaans overeenkomend met: Sollozar
SnikteGesnikt
SnipperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snipperde, heeft gesnipperd)
1 iets tot snippers maken.

In Spaans overeenkomend met: Picar
SnipperdeGesnipperd
SnoeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; snoeide, heeft gesnoeid)
1 takken wegnemen van (bomen of heesters)
2 inkorten, beperken, begrenzen.

In Spaans overeenkomend met: Limpiar
Cortar, Esquilar
Destallar, Podar
  sBesnoeien
Knippen
Scheren
SnoeideGesnoeid
SnoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snoekte, heeft gesnoekt; snoeker)
1 met de hengel op snoek vissen.

SnoekteGesnoekt
SnoepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snoepte, heeft gesnoept; snoeper)
1 heimelijk eten van.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; snoepte, heeft gesnoept)
1 (snoepgoed enz.) als lekkernij verorberen.

In Spaans overeenkomend met: Golosinear
SnoepteGesnoept
SnoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snoerde, heeft gesnoerd)
1 iets met een snoer binden, verbinden of vastmaken.

SnoerdeGesnoerd
SnoevenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[snoefde]], heeft gesnoefd; snoever)
1 opscheppen.

In Spaans overeenkomend met: Fanfarronear, Jactarse
  sBluffen
Opscheppen
Pochen
Verbeelding hebben
Zwetsen
SnoefdeGesnoefd
SnokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snokte, heeft gesnokt)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) rukken.

SnokteGesnokt
SnookerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snookerde, heeft gesnookerd)
1 snooker spelen.

SnookerdeGesnookerd
SnorkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snorkelde, heeft/is gesnorkeld)
1 met een snorkel onder water zwemmen.

SnorkeldeGesnorkeld
SnorkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snorker) zie snurken.

In Spaans overeenkomend met: Roncar
  sKnorren
Ronken
Snurken
SnorkteGesnorkt
SnorrenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (snorde, heeft gesnord) een brommend geluid maken
2 (snorde, is gesnord) zich snel voortbewegen met een gonzend geluid
3 (snorde, heeft gesnord) zonder vergunning taxidiensten verrichten.
([[overgankelijk]] werkwoord; snorde, heeft gesnord)
1 (informeel) betrappen.

In Spaans overeenkomend met: Buscar
Canturrear, Ronronear, Zumbar
  sBrommen
Gonzen
Opzoeken
Razen
Suizelen
Suizen
Tuiten
Uitkijken
Uitzien
Zoeken
Zoemen
SnordeGesnord
SnotterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snotterde, heeft gesnotterd)
1 herhaaldelijk de neus ophalen
2 huilen.

SnotterdeGesnotterd
SnowboardenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snowboardde, heeft/is gesnowboard; snowboarder)
1 op een snowboard skiŽn.

SnowboarddeGesnowboard
SnuffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snuffelde, heeft gesnuffeld; snuffelaar)
1 (van dieren) door krachtig lucht op te snuiven van een spoor, voedsel enz. zoeken of een persoon of zaak trachten te herkennen
2 bedrijvig zoeken, speuren.

SnuffeldeGesnuffeld
SnuffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snufte, heeft gesnuft)
1 de neus ophalen
2 snuffelen.

SnufteGesnuft
SnuisterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[snuisterde]], heeft gesnuisterd)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) snuffelen.

SnuisterdeGesnuisterd
SnuitenIn de betekenis van: Scherpe hoek wegnemen

  sDe neus snuiten
Zijn neus snuiten
SnuitteGesnuit
SnuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; snoot, heeft gesnoten)
1 (ook absoluut) (de neus) door krachtig lucht uit te ademen van het slijm ontdoen
2 (de pit van een kaars) knippen.

In Spaans overeenkomend met: Sonarse
  sDe neus snuiten
Zijn neus snuiten
SnootGesnoten
SnuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snoof, heeft gesnoven; snuiver)
1 hoorbaar door de neus ademen
2 snot ophalen
3 door krachtig lucht door de neus te halen een reuk, een spoor enz. trachten te herkennen of te vinden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; snoof, heeft gesnoven)
1 (een stimulerend middel) innemen via de neus.

In Spaans overeenkomend met: Aspirar
Resoplar
  sBriesen
SnoofGesnoven
SnurkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; snurkte, heeft gesnurkt; snurker)
1 tijdens de slaap een snorrend, zagend [[keelgeluid]] maken bij het ademen.

In Spaans overeenkomend met: Roncar
  sKnorren
Ronken
Snorken
SnurkteGesnurkt
SocialiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; socialiseerde, heeft gesocialiseerd; socialisatie)
1 (economie) (een zaak, bedrijf enz.) tot gemeenschappelijk bezit maken
2 (iem., zichzelf) aanpassen aan de normen van een gemeenschap.

In Spaans overeenkomend met: Socializar
SocialiseerdeGesocialiseerd
SodemieterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (sodemieterde, is gesodemieterd) (informeel) met een smak vallen
2 (sodemieterde, heeft gesodemieterd) (informeel) donderjagen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sodemieterde, heeft gesodemieterd)
1 smijten, smakken.

SodemieterdeGesodemieterd
SoebattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; soebatte, heeft gesoebat)
1 (informeel) aanhoudend smeken om iets.

SoebatteGesoebat
SoezenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; soesde, heeft gesoesd)
1 dommelen.

SoesdeGesoesd
SoftballenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[softbalde]], heeft gesoftbald; softballer)
1 softbal spelen.

SoftbaldeGesoftbald
SoggenSogdeGesogd
SoignerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; soigneerde, heeft gesoigneerd)
1 zorg besteden aan het uiterlijk
2 de lichamelijke conditie van sportlieden verzorgen.

SoigneerdeGesoigneerd
SolderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; soldeerde, heeft gesoldeerd; soldering)
1 metalen voorwerpen [[aaneenhechten]] met soldeersel.

In Spaans overeenkomend met: Soldar
SoldeerdeGesoldeerd
SolemniserenSolemniseerdeGesolemniseerd
SolerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; soleerde, heeft gesoleerd)
1 (muziek) als solist optreden
2 als eenling handelen.

SoleerdeGesoleerd
SolfegiŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; solfegieerde, heeft gesolfegieerd)
1 solfŤge zingen.

SolfegieerdeGesolfegieerd
SolidariserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[solidariseerde]], heeft gesolidariseerd)
1 solidair worden.

SolidariseerdeGesolidariseerd
SoliderenSolideerdeGesolideerd
SollenSoldeGesold
SolliciterenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; solliciteerde, heeft gesolliciteerd)
1 (schertsend) proberen te krijgen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; solliciteerde, heeft gesolliciteerd)
1 naar een baan dingen.

In Spaans overeenkomend met: Solicitar
SolliciteerdeGesolliciteerd
SolmiŽrenSolmieerdeGesolmieerd
SolverenIn Spaans overeenkomend met: Liquidar
  sAfwikkelen
Liquideren
Opheffen
SolveerdeGesolveerd
SomberenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; somberde, heeft gesomberd; somberaar)
1 uiting geven aan een sombere stemming, pessimistisch zijn.

SomberdeGesomberd
SommerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sommeerde, heeft gesommeerd; sommering)
1 aanmanen om te voldoen aan een verplichting of eis.

In Spaans overeenkomend met: Mandar, Ordenar
  sBevelen
Gelasten
Verordenen
Voorschrijven
SommeerdeGesommeerd
SonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sondeerde, heeft gesondeerd; sondering)
1 onderzoeken met een sonde
2 peilingen verrichten, o.a. de samenstelling en drukweerstand van de bodem onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Sondar, Sondear
  sLoden
Peilen
Polsen
Vademen
Vissen naar
SondeerdeGesondeerd
SonjabakkerenSonjabakkerdeGesonjabakkerd
SoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sopte, heeft gesopt)
1 reinigen met zeepsop
2 in vloeistof dopen.

In Spaans overeenkomend met: Botar, Empapar, Mojar, Sumergir
  sDoordrenken
Doorweken
Indompelen
Indopen
SopteGesopt
SorterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sorteerde, heeft gesorteerd; sorteerder, sortering)
1 uitzoeken, soort bij soort, kleur bij kleur enz. leggen.

In Spaans overeenkomend met: Clasificar
  sClassificeren
Indelen
SorteerdeGesorteerd
SoufflerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; souffleerde, heeft gesouffleerd)
1 (iemand) zijn rol zachtjes voorzeggen
2 laten rijzen d.m.v. geklopt eiwit met veel lucht erin.

SouffleerdeGesouffleerd
SoundmixenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 zingen met begeleiding van een geluidsband waarop het instrumentale deel van een muziekstuk is opgenomen.

SoundmixteGesoundmixt
SouperenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; soupeerde, heeft gesoupeerd)
1 laat in de avond een maaltijd gebruiken.

In Spaans overeenkomend met: Cenar
  sHet avondmaal gebruiken
SoupeerdeGesoupeerd
SoutacherenSoutacheerdeGesoutacheerd
SoutenerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[souteneerde]], heeft gesouteneerd)
1 souteneur zijn van.

SouteneerdeGesouteneerd
SovjetiserenSovjetiseerdeGesovjetiseerd
SpachtelputzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spachtelputzte, heeft gespachtelputzt)
1 (wanden) met spachtelputz pleisteren.

SpachtelputzteGespachtelputzt
SpadenSpaaddeGespaad
SpalkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spalkte, heeft gespalkt)
1 vastzetten m.b.v. een spalk
2 openhouden m.b.v. een spalk.

SpalkteGespalkt
SpanenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van spaan vervaardigd.

SpaandeGespaand
SpankerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spankerde, heeft/is gespankerd)
1 (informeel) wandelen.

SpankerdeGespankerd
SpannenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spande, heeft gespannen; spanner, spanning)
1 (van kleding) zeer nauw sluiten
2 (van rupsen) zich voortbewegen door het lichaam beurtelings te krommen en te strekken.
([[overgankelijk]] werkwoord; spande, heeft gespannen)
1 strak trekken, (iets [[veerkrachtigs]]) uitrekken
2 door strak uitzetten vormen
3 vastmaken aan, voor een voertuig of instrument
4 (dieren) met twee poten vastbinden.
(onpersoonlijk werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Hilar
Uncir
Amartillar, Atirantar, Dar cuerda, Tensar
  sBespannen
Inspannen
Nauwer aanhalen
Optuigen
Opwinden
Strekken
Tuigen
Uitrekken
Voorspannen
SpandeGespannen
SpanserenSpanseerdeGespanseerd
SparenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spaarde, heeft gespaard)
1 (ook absoluut) (geld) [[opzijleggen]], bewaren
2 besparen, zuinig zijn met
3 verzamelen
4 ontzien
5 behoeden voor.

In Spaans overeenkomend met: Dignarse, Ser indulgente
Ahorrar, Economizar
  sBesparen
Bezuinigen
Ontzien
Toegeeflijk zijn voor
Uitsparen
Uitwinnen
Uitzuinigen
Zich laten vermurwen
SpaardeGespaard
SparkelenSparkeldeGesparkeld
SparrenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sparde, heeft gespard)
1 (vechtsport) met een tegenstander oefenen, trainen.

SpardeGespard
SpartelbenenSpartelbeendeGespartelbeend
SpartelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spartelaar, sparteling)
1 (spartelde, heeft/is gesparteld) met armen en benen ongecoŲrdineerd heen en weer slaan
2 (spartelde, heeft gesparteld) (van vissen) met de staart slaan.

In Spaans overeenkomend met: Bregar, Forcejear
Aletear ((),(Dicho de un pez: Mover frecuentemente las aletas cuando se lo saca del agua.))
  sWorstelen
Zich aftobben
SparteldeGesparteld
SpatelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[spatelde]], heeft gespateld)
1 met een spatel roeren.

SpateldeGespateld
SpatiŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spatieerde, heeft gespatieerd; spatiŽring)
1 spaties aanbrengen in (woorden).

In Spaans overeenkomend met: Espaciar
  sDoor spaties scheiden
SpatieerdeGespatieerd
SpattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spatte, is gespat)
1 in of als kleine deeltjes op- of wegspringen
2 (bouwkunde) uitwijken, uit elkaar wijken.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spatte, heeft gespat)
1 spetteren.

SpatteGespat
SpatterenSpatterdeGespatterd
SpecialiserenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; specialiseerde zich, heeft zich gespecialiseerd; specialist, specialisatie/specialisering)
1 zich in het bijzonder toeleggen op.

SpecialiseerdeGespecialiseerd
SpecificerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; specificeerde, heeft gespecificeerd)
1 in afzonderlijke onderdelen opgeven, omschrijven.

In Spaans overeenkomend met: Especificar
SpecificeerdeGespecificeerd
SpeculerenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; speculeerde, heeft gespeculeerd)
1 gokken op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; speculeerde, heeft gespeculeerd; speculatie)
1 bespiegelingen houden die uitgaan boven het feitelijk of logisch bewijsbare
2 handelen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen.

In Spaans overeenkomend met: Especular
SpeculeerdeGespeculeerd
SpeechenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; speechte, heeft gespeecht)
1 een speech houden.

SpeechteGespeecht
Speedbootracen
SpeeddatenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[speeddatete]], heeft gespeeddatet)
1 tijdens een ontmoetingsavond kort kennismaken met diverse potentiŽle partners.

SpeeddateteGespeeddatet
SpeerwerpenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 werpnummer in de atletiek, waarbij men een speer zo ver mogelijk probeert te gooien.

SpekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spekte, heeft gespekt)
1 royaal van geld voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Llenar
Abastecer, Proveer
  sBevoorraden
Dempen
Invullen
Leveren
Provianderen
Stoppen
Volmaken
Volschenken
Voorzien van
Vullen
SpekteGespekt
SpeldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speldde, heeft gespeld)
1 vasthechten met een speld of spelden.

SpelddeGespeld
SpeldenwerkenSpeldenwerkteGespeldenwerkt
SpelemeienSpelemeideGespelemeid
SpelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; speelde, heeft gespeeld)
1 lichtvaardig, speels of doelloos omgaan met.
(werkwoord; speelde, heeft gespeeld)
1 gokken op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; speelde, heeft gespeeld; speler)
1 zich afspelen.
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde, heeft gespeeld)
1 (ook absoluut) zich bezighouden met (een spel)
2 (ook absoluut) (een speelkaart) zichtbaar op tafel leggen
3 (ook absoluut) (een bal) in beweging brengen
4 (ook absoluut) (een gebeurtenis, persoon) voorstellen op het toneel of voor de camera
5 (ook absoluut) (een instrument) bespelen
6 (ook absoluut) (een muziekstuk) uitvoeren
7 (ook absoluut) handelen volgens een aangenomen gedragslijn
8 door spel in de genoemde toestand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Jugar, Tocar
  sUitvoeren
Voorspelen
SpeeldeGespeeld
Spelerijden
SpelevarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spelevaarde, heeft gespelevaard)
1 voor het plezier varen.

SpelevaardeGespelevaard
SpellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spelde, heeft gespeld; speller, spelling)
1 de letters van een woord in volgorde schrijven of opnoemen
2 geheel en aandachtig lezen.

In Spaans overeenkomend met: Deletrear
Silabear
SpeldeGespeld
SpenderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spendeerde, heeft gespendeerd)
1 ten koste leggen, besteden.

In Spaans overeenkomend met: Dedicar
Desembolsar, Gastar
  sBesteden
Opdragen
Opdragen aan
Toewijden
Uitgeven
Verteren
SpendeerdeGespendeerd
SpenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speende, heeft gespeend; spening)
1 niet meer zogen
2 (vis) in fris water in leven houden om de grondsmaak weg te nemen
3 (zaailingen) uitplanten.

SpeendeGespeend
SperrenSperdeGesperd
SpetenSpeetteGespeet
SpettenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spette, heeft gespet)
1 spatten.

SpetteGespet
SpetterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spetterde, heeft gespetterd)
1 in of als kleine deeltjes op- of wegspringen
2 met op- of wegspringende vochtdeeltjes nat maken.

SpetterdeGespetterd
SpeurenSpeurdeGespeurd
SpiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spiedde, heeft gespied)
1 onderzoekend kijken.

In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar
  sBeloeren
Bespieden
Bespioneren
Gluren
Spioneren
Verspieden
SpieddeGespied
SpiegelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; spiegelde, heeft gespiegeld)
1 een voorbeeld nemen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; spiegelde, heeft gespiegeld; spiegeling)
1 licht of beelden terugkaatsen
2 lichtstralen met een spiegel in een bepaalde richting werpen.
(wederkerend werkwoord; spiegelde zich, heeft zich gespiegeld)
1 zich in een spiegel bekijken, teruggekaatst worden.

In Spaans overeenkomend met: Reflejar
  sReflecteren
Terugkaatsen
Weerkaatsen
Weerspiegelen
SpiegeldeGespiegeld
SpiekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spiekte, heeft gespiekt; spieker)
1 stiekem aantekeningen of boeken inzien bij proefwerk of examen of stiekem van anderen overschrijven.

SpiekteGespiekt
SpierenSpierdeGespierd
SpietsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spietste, heeft gespietst)
1 doorboren met een spies.

In Spaans overeenkomend met: Empalar
SpietsteGespietst
SpijbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spijbelde, heeft gespijbeld; spijbelaar)
1 stiekem van school of van een andere verplichte bijeenkomst wegblijven.

SpijbeldeGespijbeld
SpijkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spijkerde, heeft gespijkerd)
1 bevestigen of in elkaar zetten met spijkers.

In Spaans overeenkomend met: Clavetear
  sNagelen
SpijkerdeGespijkerd
SpijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; speet, heeft gespeten)
1 spijt veroorzaken.

SpeetGespeten
SpijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spijsde, heeft gespijsd)
1 (archaÔsch) spijzigen
2 (in [[BelgiŽ]]) van de nodige [[geldmiddelen]] voorzien.

SpijsdeGespijsd
SpijzigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spijzigde, heeft gespijzigd; spijziging)
1 (formeel) te eten geven.

In Spaans overeenkomend met: Dar de comer
  sTe eten geven
Voederen
Voeren
SpijzigdeGespijzigd
SpikkelenSpikkeldeGespikkeld
SpillenSpildeGespild
SpinnenIn de betekenis van:
1 (van katten) een snorrend geluid maken
2 (van voertuigen, ballen enz.) een om zijn as draaiende, rondtollende beweging maken

SpindeGespind
SpinnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (spinde/spon, heeft gespind/gesponnen) (van katten) een snorrend geluid maken
2 (spinde/spon, heeft gespind/gesponnen) (van oplossingen of vloeistoffen) draderig worden
3 (spinde, heeft gespind) (van voertuigen, ballen enz.) een om zijn as draaiende, rondtollende beweging maken.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spon, heeft gesponnen)
1 uit lange vezels een draad vormen
2 (van insecten en spinnen) een draad voortbrengen
3 ineen draaien.

In Spaans overeenkomend met: Hilar
SponGesponnen
SpinzenSpinsdeGespinsd
SpionerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spioneerde, heeft gespioneerd; spionage)
1 in het geheim waarnemingen doen om die aan anderen door te geven.

In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar
  sBeloeren
Bespieden
Bespioneren
Gluren
Spieden
Verspieden
SpioneerdeGespioneerd
SpiralenSpiraaldeGespiraald
SpirantiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spirantiseerde, heeft gespirantiseerd)
1 (taalkunde) tot een spirant maken.

SpirantiseerdeGespirantiseerd
SpitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spitsing)
∂ alleen in verbindingen.

SpitsteGespitst
SpittenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spitte, heeft gespit; spitter)
1 met de spade omwerken, uitgraven
2 met een puntig werktuig doorboren.

In Spaans overeenkomend met: Cavar
  sGraven
Omspitten
Woelen
SpitteGespit
SplijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spleet, is gespleten; splijting)
1 uiteenvallen of scheuren in de lengterichting van de structuur.
([[overgankelijk]] werkwoord; spleet, heeft gespleten)
1 door een slag [[uiteendrijven]] in de lengterichting van de structuur.

In Spaans overeenkomend met: Abrir en canal
Hender, Rajar
Cuartearse, Henderse, Resquebrajarse
Partirse
  sBarsten
Doorklieven
Klieven
Kloven
Scheuren
Splitsen
SpleetGespleten
SplinterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; splinterde, heeft gesplinterd)
1 tot splinters breken
2 splinters afgeven.

SplinterdeGesplinterd
SplitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; splitste, heeft gesplitst; splitsing)
1 in delen verdelen
2 (van een touw of kabel) de strengen of staaldraden aan het uiteinde met die van een andere ineenvlechten
3 (scheikunde) ontbinden, uiteen doen vallen.
(wederkerend werkwoord; splitste zich, heeft zich gesplitst)
1 [[uiteengaan]], scheiden.

In Spaans overeenkomend met: Abrir en canal
Dividir, Partir
Empalmar
  sAfbreken
Delen
Kloven
Opsplitsen
Splijten
Verdelen
SplitsteGesplitst
SplittenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; splitte, is gesplit)
1 uit elkaar gaan.

SplitteGesplit
SpoedenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.
(wederkerend werkwoord; spoedde zich, heeft zich gespoed)
1 zich haastig begeven.

SpoeddeGespoed
SpoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spoelde, is gespoeld; spoeling)
1 door een stroom meegevoerd worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; spoelde, heeft gespoeld)
1 door heen en weer bewegen in een vloeistof reinigen
2 door middel van een stromende vloeistof verplaatsen
3 op een spoel winden.

In Spaans overeenkomend met: Enjuagar
Enjuagarse
Gargarizar
  sAfspoelen
Gorgelen
SpoeldeGespoeld
SpokenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spookte, heeft gespookt)
1 rondwaren, dolen als een spook
2 (van gedachten of gevoelens) onophoudelijk opdoemen.
(onpersoonlijk werkwoord; spookte, heeft gespookt)
1 door spoken bezocht worden.

SpookteGespookt
SpoliŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spolieerde, heeft gespolieerd; spoliatie)
1 plunderen, een rechtmatig deel onthouden.

SpolieerdeGespolieerd
SponsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie sponzen.

SponsteGesponst
SponsorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sponsorde, heeft gesponsord; sponsoring)
1 als sponsor fungeren voor.

In Spaans overeenkomend met: Afianzar, Patrocinar
  sBorg staan voor
Garanderen
Waarborgen
SponsordeGesponsord
SponzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sponsde, heeft gesponsd)
1 met een spons schoonmaken
2 (een tekening) met gestampte houtskool of krijt inwrijven om de tekening door te drukken.

SponsdeGesponsd
SpoorzoekenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; spoorzoeker)
1 sporen volgen.

SporenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (spoorde, heeft gespoord) overeenkomen
2 (spoorde, heeft/is gespoord) per spoor reizen.
([[overgankelijk]] werkwoord; spoorde, heeft gespoord)
1 (een paard) de sporen geven.

SpoordeGespoord
SportenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sportte, heeft gesport; sporter)
1 aan sport doen.

In Spaans overeenkomend met: Hacer deporte
SportteGesport
SportklimmenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sportklimmer)
1 tak van bergbeklimmen waarbij de nadruk ligt op een zo hoog mogelijke [[moeilijkheidsgraad]], niet op het bereiken van zo hoog mogelijke toppen.

SportvissenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sportvisser)
1 vissen als sport.

SpotlachenSpotlachteGespotlacht
SpottenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; spotte, heeft gespot)
1 (het verwachte) volledig overtreffen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; spotte, heeft gespot; spotter)
1 zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; spotte, heeft gespot)
1 ontdekken.

In Spaans overeenkomend met: Burlarse, Mofarse
  sGekscheren
Honen
Uitlachen
SpotteGespot
SpouwenSpouwdeGespouwd, Gespouwen
SprankelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprankelde, heeft gesprankeld)
1 vonken geven
2 zeer levendig zijn.

SprankeldeGesprankeld
SprayenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sprayde, heeft gesprayd)
1 als een spray verstuiven.

SpraydeGesprayd
SpreidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spreidde, heeft gespreid; spreiding)
1 vlak, in een laag uitleggen
2 gelijkmatig over een tijdsverloop verdelen
3 uit elkaar plaatsen
4 over meer mensen verdelen.

In Spaans overeenkomend met: Desenvolver, Extender, Tender
  sOntvouwen
Uitspreiden
SpreiddeGespreid
SprekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprak, heeft gesproken; spreker)
1 [[taalklanken]] voortbrengen
2 gedachten uiten d.m.v. [[taalklanken]], iets zeggen
3 (van zaken) overtuigend zijn, zich duidelijk doen kennen
4 (van muziekinstrumenten) geluid geven.
([[overgankelijk]] werkwoord; sprak, heeft gesproken)
1 zeggen
2 praten met
3 zich in de genoemde taal kunnen uiten.

In Spaans overeenkomend met: Coloquiar
Proferir, Pronunciar
Hablar
Decir
  sBabbelen
Praten
Uiten
Uitspreken
SprakGesproken
SprengenSprengdeGesprengd
SprenkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sprenkelde, heeft gesprenkeld; sprenkelaar, sprenkeling)
1 (een stof) [[druppelsgewijs]] uitstrooien
2 (een oppervlak) [[druppelsgewijs]] bevochtigen.

In Spaans overeenkomend met: Asperjar, Hisopear, Rociar
  sBesprenkelen
Besproeien
Sproeien
SprenkeldeGesprenkeld
SprietenSprietteGespriet
SprietogenSprietoogdeGesprietoogd
SpringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; springer)
1 (sprong, heeft/is gesprongen) zich door een afzet met de voeten of poten met kracht in de lucht verheffen
2 (sprong, is gesprongen) (van zaken) plotseling overgaan in de genoemde positie of toestand
3 (sprong, is gesprongen) uit elkaar barsten
4 (sprong, heeft/is gesprongen) voor of buiten een lijn of vlak uitsteken
5 (sprong, heeft gesprongen) (van mannelijke dieren) paren
6 (sprong, is gesprongen) (bouwkunde) naar de hoeken oplopen
7 (sprong, heeft/is gesprongen) (van wild) in het jachtveld opvliegen of oplopen.

In Spaans overeenkomend met: Estallar, Reventar
Echarse
Saltar
  sBarsten
Bersten
Een sprong doen
Openbarsten
Openbersten
Scheuren
SprongGesprongen
SprintenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprintte, heeft/is gesprint; sprinter)
1 op topsnelheid rijden of rennen over korte afstand.

In Spaans overeenkomend met: Correr
Embalar, Embalarse
  sRacen
SprintteGesprint
SpritsenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spritste, heeft gespritst)
1 (informeel) sprietsen.

SpritsteGespritst
SproeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sproeide, heeft gesproeid)
1 (ook absoluut) (water e.d.) in fijne stralen of druppels over iets uitgieten
2 (grond, gewassen) besproeien.

In Spaans overeenkomend met: Abrevar, Aguar, Regar
Asperjar, Hisopear, Rociar
  sBegieten
Besprenkelen
Besproeien
Bevloeien
Gieten
Sprenkelen
Water geven
Wateren
SproeideGesproeid
SprokkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; sprokkelde, heeft gesprokkeld; sprokkelaar, sprokkeling)
1 (gevallen dor hout) zoeken, verzamelen.

SprokkeldeGesprokkeld
SpruitenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sproot, is gesproten)
1 afstammen van.
([[onovergankelijk]] werkwoord; sproot, is gesproten; spruiting)
1 uitschieten, loten vormen.

In Spaans overeenkomend met: Abotonar
Nacer
  sBotten
Geboren worden
Ontluiken
Uitbotten
Uitschieten
Uitspruiten
SprootGesproten
SpugenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; spuugde, heeft gespogen/gespuugd)
1 minachten.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spuugde, heeft gespogen/gespuugd)
1 (speeksel) door de mond uitwerpen
2 braken.

In Spaans overeenkomend met: Escupir, Esputar, Expectorar
Vomitar
  sBraken
Kotsen
Overgeven
Spuwen
Uitspugen
Vomeren
Spuugde, SpoogGespuugd, Gespogen
SpuienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spuide, heeft gespuid; spuier, spuiing)
1 door een spuisluis lozen
2 uiten
3 (effecten) in groten [[getale]] op de markt brengen.

In Spaans overeenkomend met: Aventar, Ventilar
  sLuchten
Uitluchten
Ventileren
Wannen
SpuideGespuid
SpuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spoot, is gespoten; spuiter)
1 (van vloeistoffen) met kracht door een nauwe opening naar buiten stromen.
([[overgankelijk]] werkwoord; spoot, heeft gespoten)
1 (ook absoluut) (een vloeistof) met kracht door een nauwe opening naar buiten persen
2 (ook absoluut) (drugs) bij zichzelf met een [[injectiespuit]] toedienen
3 vervaardigen door de grondstof door een nauwe opening te persen
4 door spuiten in de genoemde toestand brengen
5 bewerken door spuiten.

SpootGespoten
SpurtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spurtte, heeft/is gespurt; spurter)
1 sprinten.

SpurtteGespurt
SputterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sputterde, heeft gesputterd; sputteraar, sputtering)
1 kleine belletjes speeksel uitwerpen
2 ontevreden zijn, bezwaren uiten
3 knetterend spatten.

In Spaans overeenkomend met: RefunfuŮar, Rezongar
  sKankeren
Mopperen
Morren
SputterdeGesputterd
SpuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; spuwde, heeft gespuwd; spuwer, spuwing)
1 spugen
2 braken.

In Spaans overeenkomend met: Escupir, Esputar, Expectorar
  sSpugen
Uitspugen
SpuwdeGespuwd
SquashenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; squashte, heeft gesquasht; squasher)
1 squash spelen.

SquashteGesquasht
StaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stond, heeft gestaan)
1 symboliseren
2 tot het uiterste verdedigen.
(werkwoord; stond, heeft gestaan)
1 steunen, eens zijn met.
(werkwoord; stond, heeft gestaan)
1 zich verhouden tot.
(werkwoord; stond, heeft gestaan)
1 weldra zullen
2 kosten, geŽist worden voor
3 eisen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond, heeft gestaan)
1 (van personen of dieren) in opgerichte houding op zijn voeten of poten rusten
2 (van zaken) op steunpunten rusten
3 zich bevinden in een bepaalde toestand of positie
4 er doen uitzien, een indruk van iemand geven
5 geschreven, gedrukt zijn
6 in opgerichte houding voortdurend met iets bezig of aan iets blootgesteld zijn
7 niet bewegen.

In Spaans overeenkomend met: Quedar
Estar de pie
Vestir
  sAankleden
Kleden
Omkleden
StondGestaan
StaartdelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[staartdeelde]], heeft gestaartdeeld)
1 een staartdeling uitvoeren.

StaartdeeldeGestaartdeeld
StabiliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stabiliseerde, heeft gestabiliseerd; stabilisator, stabilisering/stabilisatie)
1 bestendigen.

StabiliseerdeGestabiliseerd
StaffelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; staffelde, heeft gestaffeld)
1 (boekhouden) volgens de staffelmethode berekenen
2 (boekhouden) een staffel uitvoeren.

StaffeldeGestaffeld
StagedivenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 zich van een [[podium]] af in de menigte werpen.

StagedivedeGestagedived
StagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[staagde]], heeft gestaagd)
1 (een mast of [[steng]]) door middel van [[stagen]] meer vooroverhalen.

StaagdeGestaagd
StagerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[stageerde]], heeft gestageerd)
1 stage lopen.

StageerdeGestageerd
StagnerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stagneerde, is gestagneerd; stagnering/stagnatie)
1 stilstaan, vastlopen, gestremd zijn.

In Spaans overeenkomend met: Atascarse, Estancar, Estancarse
  sStelpen
Stilstaan
Stillen
Stoppen
Verstoppen
Verstopt raken
StagneerdeGestagneerd
StakelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[stakelde]], heeft gestakeld)
1 (scheepvaart) lichtsignalen geven met een fakkel of toorts.

StakeldeGestakeld
StakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; staakte, heeft gestaakt; staker, staking)
1 het werk tijdelijk neerleggen om bepaalde eisen af te dwingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; staakte, heeft gestaakt)
1 (iets waarmee men bezig is) beŽindigen.

In Spaans overeenkomend met: Declararse en huelga
StaakteGestaakt
StalenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van staal gemaakt
2 zeer sterk, onverwoestbaar.
([[overgankelijk]] werkwoord; staalde, heeft gestaald; staling)
1 tot staal maken
2 harden, sterken.

In Spaans overeenkomend met: Endurecer, Templar
  sHarden
Temperen
StaaldeGestaald
StaliniserenStaliniseerdeGestaliniseerd
StalkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stalkte, heeft gestalkt)
1 iemand hinderlijk achtervolgen, bespieden, telefonisch lastigvallen enz.

StalkteGestalkt
StallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stalde, heeft gestald; stalling)
1 jagen op eenden m.b.v. een lokeend
2 op stal staan.
([[overgankelijk]] werkwoord; stalde, heeft gestald)
1 op stal zetten
2 (een auto, fiets enz.) in een garage, bewaarplaats zetten
3 (economie) (effecten) in prolongatie geven.

StaldeGestald
StamelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stamelde, heeft gestameld; stamelaar, stameling)
1 gebrekkig spreken.
([[overgankelijk]] werkwoord; stamelde, heeft gestameld)
1 gebrekkig sprekend uitbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Balbucear, Balbucir, Tartamudear
  sHakkelen
Stotteren
StameldeGestameld
StammenStamdeGestamd
StampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stampte, heeft gestampt)
1 met de voet of een voorwerp krachtig op de grond stoten
2 (van machines) dreunend stoten en schokken
3 (van varende schepen) schommelen om de [[breedteas]], waarbij de boeg diep in de golven steekt
4 (in [[BelgiŽ]]) trappen, schoppen
5 ([[wielersport]]) stoempen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stampte, heeft gestampt)
1 door stoten [[kleiner]] of [[fijner]] maken
2 door stoten van de bolster ontdoen
3 door te stampen in genoemde toestand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Patear
Machacar, Machucar, Triturar
Atabalear, Piafar, Tabalear
Arfar, Cabecear
  sFijnstampen
Stampvoeten
Trappelen
StampteGestampt
StampvoetenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stampvoette, heeft gestampvoet; stampvoeter)
1 met de voeten hard op de grond stoten.

In Spaans overeenkomend met: Patear
Atabalear, Piafar, Tabalear
  sStampen
Trappelen
StampvoetteGestampvoet
StandaardiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; standaardiseerde, heeft gestandaardiseerd; standaardisatie/standaardisering)
1 brengen tot een standaard of eenheid in afmeting, vorm, inhoud, samenstelling enz.

In Spaans overeenkomend met: Estandardizar
StandaardiseerdeGestandaardiseerd
StandhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hield stand, heeft standgehouden)
1 volhouden, niet vallen of bezwijken.

In Spaans overeenkomend met: Durar
Contrarrestar, Oponerse
  sAanblijven
Aanhouden
Beklijven
Bezwaar hebben tegen
Duren
Voortduren
Weerstaan
Zich verzetten
Hield standStandgehouden
StangenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stangde, heeft gestangd)
1 (informeel) opzettelijk (iemand) kwaad maken.

StangdeGestangd
StansenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stanste, heeft gestanst; stanser)
1 uit metaal, rubber, leer slaan of daarin aanbrengen met een snijdende stempel.

StansteGestanst
StapelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stapelde, heeft gestapeld; stapelaar, stapeling)
1 opstapelen
2 (scheepvaart) opbergen.

In Spaans overeenkomend met: Acumular, Reunir
  sOpeenhopen
Opeenstapelen
Ophopen
Opstapelen
StapeldeGestapeld
StappenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stapper)
1 (stapte, heeft/is gestapt) lopen met grote passen of met vaste tred
2 (stapte, is gestapt) een stap doen van een lager naar een hoger punt of omgekeerd
3 (stapte, heeft/is gestapt) (van paarden) stapvoets gaan
4 (stapte, heeft gestapt) uitgaan, cafťs bezoeken.

In Spaans overeenkomend met: Caminar, Dar pasos
  sLopen
Schrijden
Treden
Wandelen
StapteGestapt
StarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; staarde, heeft gestaard)
1 de ogen onbeweeglijk op een bepaald punt gericht houden zonder iets te zien.

StaardeGestaard
StarogenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; staroogde, heeft gestaroogd)
1 staren.

StaroogdeGestaroogd
StartenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; startte, is gestart; starter)
1 vertrekken van het beginpunt
2 op gang kunnen komen.
([[overgankelijk]] werkwoord; startte, heeft gestart)
1 (ook absoluut) (iets) beginnen te ondernemen
2 op gang brengen.

In Spaans overeenkomend met: Partir, Salir
Arrancar ((van auto),(de un coche))
  sAantrappen
Vertrekken
StartteGestart
StationerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stationeerde, heeft gestationeerd)
1 een standplaats geven
2 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) parkeren.

In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Situar
  sLeggen
Plaatsen
Situeren
StationeerdeGestationeerd
StattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[statte]], heeft gestat)
1 (informeel) de stad ingaan om te winkelen.

StatteGestat
StatussenStatusteGestatust
StavenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; staafde, heeft gestaafd; staving)
1 bekrachtigen
2 bewijzen.

In Spaans overeenkomend met: Confirmar
Demostrar, Justificar, Probar
Apoyar, Corroborar
  sAantonen
Adstrueren
Bekrachtigen
Bevestigen
Bewijzen
Erkennen
Uitwijzen
Vormen
Waarmaken
StaafdeGestaafd
SteendrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; steendrukte, heeft gesteendrukt)
1 (een prent, tekening enz.) in steendruk vervaardigen of bedrukken.

SteendrukteGesteendrukt
SteengrillenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; steengriller)
1 recreatief tafelen waarbij men zijn vlees zelf bakt op een gloeiend hete steen.

SteengrildeGesteengrild
SteenhouwenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; steenhouwer)
1 het stenen hakken, uithouwen.

SteggelenSteggeldeGesteggeld
SteigerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; steigerde, heeft gesteigerd)
1 (van paarden) op de [[achterbenen]] overeind gaan staan
2 (schertsend) (van mensen) verontwaardigd protesteren.

In Spaans overeenkomend met: Empinarse, Encabritarse
SteigerdeGesteigerd
StekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stak, heeft gestoken)
1 zich in de genoemde positie of toestand bevinden
2 een gevoel geven alsof men geprikt is
3 (scheepvaart) diep gaan
4 een stekende beweging maken.
([[overgankelijk]] werkwoord; stak, heeft gestoken)
1 (ook absoluut) (iemand) met een puntig voorwerp treffen en verwonden
2 (ook absoluut) pijnlijk in het gemoed treffen
3 in een omhulsel bergen
4 in de genoemde plaats, toestand brengen
5 op de genoemde plaats bevestigen
6 met een spade uitgraven
7 door spitten laten ontstaan.

In Spaans overeenkomend met: Ensartar
Injerir
Colocar, Hincar, Meter, Poner
Picar, Pinchar, Punzar
  sDoen
Indoen
Insteken
Leggen
Pikken
Plaatsen
Priemen
Prikken
Rijgen (aan spies)
Stellen
Stoppen
Zetten
StakGestoken
StekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stekte, heeft gestekt)
1 (een plant) vermeerderen door er [[takjes]] van af te snijden en die in aarde of water te zetten.

In Spaans overeenkomend met: Plantar esquejes
StekteGestekt
StelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 (ook absoluut; stal, heeft gestolen) (iets) heimelijk wegnemen om zich wederrechtelijk toe te eigenen
2 (steelde, heeft gesteeld) van de stelen ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Afanar, Robar
Hurtar, Sustraer
  sBestelen
Gappen
Ontvreemden
Zich vergrijpen aan
StalGestolen
StellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde, heeft gesteld)
1 (ook absoluut) (een geschrift) opstellen
2 zetten, in de genoemde toestand, positie brengen
3 afstellen, richten
4 doen
5 vaststellen, bepalen
6 veronderstellen
7 beweren.

In Spaans overeenkomend met: Plantear
Afirmar
Asestar ((wapen),(arma)), Colocar, Meter, Poner
Redactar
Suponer
  sAannemen
Aansnijden
Beweren
Doen
Leggen
Menen
Onderstellen
Opmaken
Opstellen
Opwerpen
Plaatsen
Redigeren
Richten
Steken
Stileren
Stoppen
Vermoeden
Veronderstellen
Voorstellen
Zetten
SteldeGesteld
StelpenALLE betekenissen van dit woord:
(de)
1 zeer korte pen bij [[houtconstructies]] om de delen tegen verschuiven te behoeden.
([[overgankelijk]] werkwoord; stelpte, heeft gestelpt; stelping)
1 het vloeien doen ophouden.

In Spaans overeenkomend met: Estancar
  sStagneren
Stillen
Stoppen
StelpteGestelpt
SteltlopenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; steltloper)
1 op stelten lopen.

StemmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stemde, heeft gestemd; stemmer, stemming)
1 bij verkiezingen enz. zijn stem uitbrengen
2 (muziek) onderling gelijke toonhoogte hebben.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stemde, heeft gestemd)
1 in een bepaalde stemming brengen
2 (een muziekinstrument) op de juiste toonhoogte(n) brengen.

In Spaans overeenkomend met: Acordar ((toestemmen)), Afinar ((van een muziekinstrument)), Concertar ((muziekintrumenten),(instrumentos musicales)), Templar ((),(Poner en tensiůn o presiůn moderada algo, como una cuerda, una tuerca, el freno de un carruaje, etc.))
Balotar ((kiezen)), Votar ((kiezen))
  sBalloteren
Kiezen
StemdeGestemd
StempelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stempelde, heeft gestempeld; stempelaar)
1 werkloos zijn
2 (in [[BelgiŽ]]) zich als werkloze aanmelden bij de stempelcontrole
3 (in [[BelgiŽ]]) werkloos zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; stempelde, heeft gestempeld)
1 een stempel drukken op
2 van een merk of kenmerk voorzien.

In Spaans overeenkomend met: AcuŮar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar
  sAanmunten
Afdrukken
Slaan
Zijn stempel drukken op
StempeldeGestempeld
StencilenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stencilde, heeft gestencild)
1 d.m.v. een stencil afdrukken.

StencildeGestencild
StenenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van steen.

SteendeGesteend
StenigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stenigde, heeft gestenigd; steniging)
1 doodgooien met stenen.

In Spaans overeenkomend met: Apedrear, Lapidar, Matar a pedradas
StenigdeGestenigd
StenograferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stenografeerde, heeft gestenografeerd)
1 (een tekst) in stenografie schrijven.

StenografeerdeGestenografeerd
StenotypenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[stenotypte]], heeft gestenotypt; stenotypist)
1 stenogrammen opnemen en op de schrijfmachine uitwerken.

StenotypteGestenotypt
SteppenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stepte, heeft gestept)
1 op of als op een autoped rijden
2 (van paarden) bij het draven de voorknieŽn hoog opheffen en krachtig buigen.

StepteGestept
StereotyperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stereotypeerde, heeft gestereotypeerd)
1 (metalen letterplaten) d.m.v. een papieren matrijs vervaardigen naar zetsel
2 (een tekst) in stereotypie drukken.

StereotypeerdeGestereotypeerd
SteriliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; steriliseerde, heeft gesteriliseerd)
1 (een mens of dier) onvruchtbaar maken door operatief ingrijpen of door bestraling
2 vrijmaken van alle levende [[micro-organismen]] door verhitting
3 (in [[BelgiŽ]]) wecken.

In Spaans overeenkomend met: Esterilizar
SteriliseerdeGesteriliseerd
SterkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; sterkte, heeft gesterkt)
1 ondersteunen in een overtuiging, opvatting enz.
([[overgankelijk]] werkwoord; sterkte, heeft gesterkt; sterking)
1 kracht geven, versterken.

In Spaans overeenkomend met: Reconfortar
  sOpbeuren
Versterken
Vertroosten
SterkteGesterkt
StervenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stierf, is gestorven)
1 (van mensen) doodgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; stierf, is gestorven)
1 op de genoemde wijze overlijden.

In Spaans overeenkomend met: Fallecer, Sucumbir, Sucumbir a
Morir
  sBezwijken
Doodgaan
Omkomen
Overlijden
Verscheiden
Versmachten
StierfGestorven
SteunenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; steunde, heeft gesteund)
1 vertrouwen op, zijn kracht vinden in.
([[onovergankelijk]] werkwoord; steunde, heeft gesteund)
1 leunen, rusten op
2 kreunen.
([[overgankelijk]] werkwoord; steunde, heeft gesteund)
1 stutten
2 helpen staande of in stand te blijven of ergens mee door te gaan.

In Spaans overeenkomend met: Apoyar, Recostarse, Respaldar
Consistir
  sBerusten
Bestaan
Gegrond zijn
Ondersteunen
Rugsteunen
Schragen
Stutten
SteundeGesteund
SteurenSteurdeGesteurd
StevenenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stevende, is gestevend)
1 koers zetten, varen naar
2 (van personen) doelbewust gaan naar.

StevendeGestevend
StevigenStevigdeGestevigd
StichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stichtte, heeft gesticht)
1 (ook absoluut) (iemand) in godsdienstig of zedelijk opzicht verheffen
2 bewerken dat iets tot stand komt
3 verwekken, veroorzaken.

In Spaans overeenkomend met: Edificar
Establecer, Instalar
Fundar, Instituir, Motivar
Causar, Dar lugar a, Instigar, Maquinar, Ocasionar, Producir
  sAandoen
Aanrichten
Baseren
Berokkenen
Bezorgen
Funderen
Grondvesten
Inrichten
Oprichten
Teweegbrengen
Veroorzaken
Vestigen
StichtteGesticht
StiefelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stiefelde, heeft/is gestiefeld)
1 (informeel) hard lopen, gaan.

StiefeldeGestiefeld
StierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stierde, heeft gestierd)
1 lopen met krachtige pas zonder op- of omkijken.

StierdeGestierd
StiftenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stiftte, heeft gestift)
1 (voetbal) (de bal) op een bepaalde manier zů raken, dat hij in een [[boogje]] over een tegenspeler heen gaat.

StiftteGestift
StigmatiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stigmatiseerde, heeft gestigmatiseerd)
1 ten [[onrechte]] als zeer negatief kenmerken.

StigmatiseerdeGestigmatiseerd
StijfkloppenIn Spaans overeenkomend met: Batir a punto de nieve, Montar a punto de nieve
Klopte stijfStijfgeklopt
StijfselenStijfseldeGestijfseld
StijfvloekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vloekte stijf, heeft stijfgevloekt)
1 zodanig vloeken tegen iemand dat hij niets terug weet te zeggen of te doen.

Vloekte stijfStijfgevloekt
StijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; steeg, is gestegen; stijging)
1 omhooggaan
2 een hogere rang, positie, waarde e.d. krijgen
3 een eindpunt hebben dat hoger ligt dan het beginpunt
4 geleidelijk en sterk toenemen.

In Spaans overeenkomend met: Elevarse
Aumentar
Ascender, Ascender a, Ascender al, Montar, Subir, Subir a
  sAangroeien
Beklimmen
Bestijgen
Groeien
Klimmen
Naar boven gaan
Opstijgen
Rijzen
Toenemen
SteegGestegen
StijldansenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stijldanser)
1 stijldansen uitvoeren.

StijvenIn de betekenis van: Sterken in

In Spaans overeenkomend met:
Alentar
  sAanmoedigen
Bemoedigen
StijfdeGestijfd
StijvenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stijfde, heeft gestijfd)
1 sterken in.
([[overgankelijk]] werkwoord; steef, heeft gesteven)
1 (wasgoed) met stijfsel bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Almidonar
  sAanmoedigen
Bemoedigen
SteefGesteven
StikkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stikte, is gestikt)
1 (informeel) geheel gevuld zijn met.
(werkwoord; stikte, is gestikt)
1 (informeel) in overvloed hebben.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stikte, is gestikt)
1 door onvoldoende toevoer van lucht of door giftig gas om het leven komen
2 (informeel) benauwd worden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stikte, heeft gestikt)
1 (iets) zodanig naaien dat elke volgende steek telkens door de opening van de voorgaande wordt gehaald.

In Spaans overeenkomend met: Asfixiarse
Coser a mŠquina, Pespuntear
StikteGestikt
StilerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stileerde, heeft gestileerd; stilering)
1 uitbeelden in vereenvoudigde of zuivere vorm
2 in goede stijl opstellen of uitdrukken.

In Spaans overeenkomend met: Redactar
Estilizar ((uitbeelden in vereenvoudigde of zuivere vorm),(Adelgazar la silueta corporal, en todo o en parte.))
  sOpmaken
Opstellen
Redigeren
Stellen
StileerdeGestileerd
StilhoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hield stil, heeft stilgehouden)
1 stil blijven staan, stoppen.
([[overgankelijk]] werkwoord; hield stil, heeft stilgehouden)
1 in rust houden, stil laten zijn
2 geheim houden.

In Spaans overeenkomend met: Detenerse, Parar, Tenerse
  sAanleggen
Afslaan
Blijven staan
Halt houden
Stilstaan
Stoppen
Hield stilStilgehouden
StilleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; legde stil, heeft stilgelegd; stillegging)
1 buiten bedrijf stellen, stil laten liggen.

In Spaans overeenkomend met: Parar
  sAanhouden
Keren
Stoppen
Stuiten
Legde stilStilgelegd
StillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stilde, heeft gestild; stilling)
1 doen ophouden, bevredigen.

In Spaans overeenkomend met: Estancar
Tranquilizar
  sBedaren
Gerust stellen
Kalmeren
Stagneren
Stelpen
Stoppen
StildeGestild
StilliggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lag stil, heeft stilgelegen)
1 liggen zonder beweging
2 niet functioneren.

Lag stilStilgelegen
StilstaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stond stil, heeft stilgestaan)
1 langdurig nadenken over.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond stil, heeft stilgestaan)
1 staan zonder te bewegen
2 stilhouden, tot staan komen
3 (van een uurwerk) niet functioneren
4 zich niet ontwikkelen.

In Spaans overeenkomend met: Detenerse, Estacionarse, Parar, Tenerse
Atascarse, Estancarse
  sAanleggen
Afslaan
Blijven staan
Halt houden
Stagneren
Stilhouden
Stoppen
Verstoppen
Verstopt raken
Stond stilStilgestaan
StilvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel stil, is stilgevallen)
1 onbedoeld tot rust of stilstand komen.

Viel stilStilgevallen
StilzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette stil, heeft stilgezet)
1 tot stilstand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Parar
  sAfzetten
Buiten werking stellen
Stopzetten
Zette stilStilgezet
StilzittenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zat stil, heeft stilgezeten)
1 zitten zonder beweging
2 niet bezig zijn.

Zat stilStilgezeten
StilzwijgenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Callarse
  sZich stilhouden
Zijn mond houden
Zwijgen
Zweeg stilStilgezwegen
StimulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stimuleerde, heeft gestimuleerd; stimulator, stimulatie/stimulering)
1 aansporen, prikkelen, de werkzaamheid van iets bevorderen.

In Spaans overeenkomend met: Impulsar
Animar, Estimular
  sAanporren
Aansporen
Aanvuren
Aanzetten tot
Prikkelen
StimuleerdeGestimuleerd
StinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stonk, heeft gestonken; stinker)
1 onaangenaam ruiken.

In Spaans overeenkomend met: Apestar, Heder
StonkGestonken
StipendiŽrenStipendieerdeGestipendieerd
StippelenStippeldeGestippeld
StippenStipteGestipt
StipulerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stipuleerde, heeft gestipuleerd; stipulatie)
1 als voorwaarde, voorbehoud, beperking of uitbreiding in een contract vastleggen.

In Spaans overeenkomend met: Estipular
  sAls voorwaarde stellen
Bedingen
Conditioneren
StipuleerdeGestipuleerd
StockerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stockeerde, heeft gestockeerd)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) (goederen) opslaan.

StockeerdeGestockeerd
StoefenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[stoefte]], heeft gestoeft)
1 (in BelgiŽ; informeel) opscheppen.

StoefteGestoeft
StoeienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stoeide, heeft gestoeid)
1 speels omgaan met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoeide, heeft gestoeid; [[stoeier]], stoeiing)
1 speels vechten.

In Spaans overeenkomend met: Juguetear, Loquear, Retozar
  sDartelen
Robbedoezen
StoeideGestoeid
StoelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stoelde, heeft gestoeld)
1 berusten op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoelde, heeft gestoeld; stoeling)
1 (van planten) zich vormen tot een wortelstel met stengelvoet.

StoeldeGestoeld
StoelenmattenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 stoelen voorzien van een zitting van matten of biezen.

StoepenStoepteGestoept
Stoepparkeren
StoffenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van geweven stof.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stofte, heeft gestoft)
1 (meubels, planken enz.) van stof ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Quitar el polvo, Quitar el polvo a
  sAfstoffen
Stof afnemen
StofteGestoft
StofferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stoffeerde, heeft gestoffeerd; stoffeerder, stoffering)
1 van bekleding en vulling voorzien
2 (een gebouw, kamer) van vloerbedekking, gordijnen e.d. voorzien
3 (beeldende kunst) versieren.

In Spaans overeenkomend met: Guarnecer
  sAfzetten
Beslaan
Garneren
Uitmonsteren
StoffeerdeGestoffeerd
StofhagelenStofhageldeGestofhageld
StofregenenStofregendeGestofregend
StofzuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stofzuigde, heeft gestofzuigd)
1 (een vertrek, de vloer enz.) met een stofzuiger schoonmaken.

In Spaans overeenkomend met: Aspirar
StofzuigdeGestofzuigd
StofzuigerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stofzuigerde, heeft gestofzuigerd)
1 stofzuigen.

StofzuigerdeGestofzuigerd
StokenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stookte, heeft gestookt)
1 onrustgevoelens aanwakkeren.
([[overgankelijk]] werkwoord; stookte, heeft gestookt)
1 (ook absoluut) (een ruimte) verwarmen
2 (vuur) laten branden
3 als brandstof gebruiken
4 distilleren.

In Spaans overeenkomend met: Alambicar, Destilar
Encender
Calentar
  sAanmaken
Branden
Destilleren
Distilleren
Doen ontbranden
Ontsteken
Overhalen
StookteGestookt
StokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stokte, is gestokt)
1 (van de stem, de adem) blijven steken.
([[overgankelijk]] werkwoord; stokte, heeft gestokt)
1 (landbouw) (bonen) aan stokken binden.

StokteGestokt
StollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stolde, is gestold; stolling)
1 van vloeibare in vaste toestand overgaan.

In Spaans overeenkomend met: Cuajarse
Coagular
  sStremmen
StoldeGestold
StolpenStolpteGestolpt
StomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (stoomde, heeft gestoomd) (van vloeistoffen) damp, stoom afgeven
2 (stoomde, heeft/is gestoomd) (van motorschepen) varen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stoomde, heeft gestoomd)
1 d.m.v. hete damp gaar maken
2 d.m.v. hete damp reinigen
3 (landbouw) (grond) zuiveren van [[micro-organismen]] d.m.v. hete gassen.

In Spaans overeenkomend met: Cocer al vapor, Cocinar al vapor, Vaporizar
Lavar en seco
  sMet stoom bereiden
Uitstomen
StoomdeGestoomd
StommelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stommelde, heeft/is gestommeld)
1 onzekere, gerucht meebrengende bewegingen maken.

StommeldeGestommeld
StompenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stompte, heeft gestompt)
1 met de vuist, de elleboog stoten.

StompteGestompt
StoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stopte, is gestopt)
1 tot stilstand komen
2 ophouden met.
([[overgankelijk]] werkwoord; stopte, heeft gestopt)
1 (ook absoluut) (geweven stoffen) herstellen door gaten met draden [[kruiselings]] te overspannen
2 (ook absoluut) (de werking van de ingewanden) vertragen
3 (een ruimte, opening, gat) dichtmaken, met iets opvullen
4 in een ruimte bergen
5 tot stilstand brengen.

In Spaans overeenkomend met: Detener
Remendar
Detenerse
Parar
Colocar, Meter, Poner
Pararse
Llenar
Estancar
Cesar
Obturar, Tapar
  sAanhouden
Aanleggen
Aflaten
Afslaan
Arresteren
Blijven staan
Boeten
Dempen
Dichten
Dichtmaken
Doen
Flikken
Halt houden
In verzekerde bewaring nemen
Inrekenen
Invullen
Keren
Lappen
Leggen
Ophouden
Oplappen
Plaatsen
Spekken
Stagneren
Steken
Stelpen
Stellen
Stilhouden
Stilstaan
Stilleggen
Stillen
Stuiten
Toestoppen
Uitscheiden
Verstellen
Verstoppen
Volmaken
Volschenken
Volstoppen
Vullen
Wijken
Zetten
StopteGestopt
StopzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette stop, heeft stopgezet; stopzetting)
1 laten stilstaan of ophouden.

In Spaans overeenkomend met: Inmovilizar, Parar
  sAfzetten
Buiten werking stellen
Onbeweeglijk maken
Stilzetten
Stremmen
Zette stopStopgezet
StorenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stoorde, heeft gestoord)
1 zich ergeren aan.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stoorde, heeft gestoord; stoorder, storing)
1 (een geregelde gang van zaken, een toestand of bezigheden) hinderlijk onderbreken.

In Spaans overeenkomend met: Dificultar, Estorbar, Molestar, Perturbar
  sBelemmeren
Hinderen
Verstoren
StoordeGestoord
StormenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stormde, is gestormd)
1 snel en onstuimig voorwaarts lopen.
(onpersoonlijk werkwoord; stormde, heeft gestormd)
1 zeer hard waaien.

StormdeGestormd
StormlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep storm, heeft stormgelopen)
1 bestormen.

Liep stormStormgelopen
StornerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; storneerde, heeft gestorneerd)
1 (boekhouden) een fout herstellen door een tegenpost aan de credit- of debetzijde.

StorneerdeGestorneerd
StortenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van stort, plaatstaal.
(werkwoord; stortte, heeft gestort)
1 met hartstocht beginnen aan.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stortte, is gestort; storter, storting)
1 met geweld of plotseling vallen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stortte, heeft gestort)
1 (ook absoluut) (geld) overmaken
2 met geweld of plotseling neergooien.
(wederkerend werkwoord; stortte zich, heeft zich gestort)
1 zich overhaast in de genoemde richting begeven.
(onpersoonlijk werkwoord; stortte, heeft gestort)
1 gieten, stortregenen.

In Spaans overeenkomend met: Pagar
Derramar
Echar, Verter
  sBetalen
Dokken
Gieten
Plengen
Schenken
Strooien
Uitbetalen
Uitkeren
Vergieten
Voldoen
StortteGestort
StortregenenALLE betekenissen van dit woord:
(onpersoonlijk werkwoord; stortregende, heeft gestortregend)
1 gieten, hevig regenen.

StortregendeGestortregend
StotenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stiet, is gestoten)
1 aantreffen.
(werkwoord; stiet, heeft gestoten)
1 zich ergeren aan.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stoter)
1 (stiet, heeft/is gestoten) schokkende bewegingen maken
2 (stiet, is gestoten) botsen
3 (stiet, is gestoten) (van roofvogels) met kracht op een prooi neerschieten.
([[overgankelijk]] werkwoord; stoter)
1 (ook absoluut; stiet, heeft gestoten) (sport) gewichtheffen waarbij de halter eerst naar het strottenhoofd gebracht wordt en dan met gestrekte armen uitgestoten
2 (ook absoluut; stiet, heeft/is gestoten) (een bal) door een stoot spelen
3 (stiet, heeft gestoten) door een schok in de genoemde positie of toestand brengen
4 (stiet, heeft gestoten) door een stoot bezeren.

In Spaans overeenkomend met: Empujar
  sAanduwen
Douwen
Dringen
Duwen
Stootte, StietGestoten
StotterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stotterde, heeft gestotterd; stotteraar)
1 spreken met haperingen, vaak snelle herhalingen van beginklanken.

In Spaans overeenkomend met: Balbucear, Farfullar, Tartamudear
  sHakkelen
Stamelen
StotterdeGestotterd
StouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stouwde, heeft gestouwd)
1 stoppen, bergen
2 (scheepvaart) een lading zo goed mogelijk in een schip bergen
3 (informeel) veel eten en drinken.

In Spaans overeenkomend met: Estibar
  sStuwen
Verstouwen
StouwdeGestouwd
StovenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stoofde, heeft gestoofd)
1 door zacht en aanhoudend verwarmen gaar laten worden.

In Spaans overeenkomend met: Brasear, Guisar
Estofar
  sBraiseren
Smoren
StoofdeGestoofd
StraatracenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; strattracete, heeft gestraatracet)
1 aan een straatrace deelnemen.

StraatraceteGestraatracet
StraatslijpenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; straatslijper)
1 rondhangen op straat.

In Spaans overeenkomend met: Corretear
StraffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; strafte, heeft gestraft; straffer)
1 (iemand) straf geven, laten ondergaan.

In Spaans overeenkomend met: Castigar
  sBestraffen
StrafteGestraft
StraktrekkenTrok strakStrakgetrokken
StralenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (straalde, heeft gestraald) licht of warmte uitzenden of weerkaatsen
2 (straalde, heeft gestraald) zeer gelukkig eruitzien
3 (straalde, is gestraald) (informeel) zakken voor een examen
4 (straalde, heeft gestraald) als straling uitgaan.

StraaldeGestraald
StrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; strandde, is gestrand; stranding)
1 (van goederen) aanspoelen
2 (van een schip) vastlopen op het strand
3 mislukken, doodlopen
4 zijn reis niet kunnen voortzetten.

In Spaans overeenkomend met: Varar
  sAan de grond lopen
Vastlopen
StranddeGestrand
StrandjuttenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 het zich toe-eigenen van aangespoelde goederen.

StrategoŽnStrategodeGestrategood
StreakenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; streakte, heeft gestreakt; streaker)
1 naakt rennen in het openbaar.

StreakteGestreakt
StreamenStreamdeGestreamd
StrekkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; strekte, heeft gestrekt)
1 dienen, gelden als.
([[onovergankelijk]] werkwoord; strekte, heeft gestrekt)
1 van kracht zijn voor het genoemde gebied.
([[overgankelijk]] werkwoord; strekte, heeft gestrekt)
1 zoveel mogelijk in de lengterichting brengen.

In Spaans overeenkomend met: Estirar
Extender, Tender
Amartillar, Atirantar, Dar cuerda, Tensar
  sNauwer aanhalen
Ophouden
Opwinden
Rekken
Spannen
Uitbreiden
Uitrekken
Uitsteken
Uitstrekken
Vergroten
Wijder maken
StrekteGestrekt
StrelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streelde, heeft gestreeld; streling)
1 aaien, liefkozend strijken over
2 aangenaam aandoen.

In Spaans overeenkomend met: Acariciar
  sLiefkozen
StreeldeGestreeld
StremmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stremde, is gestremd; stremming)
1 (van melk) kaasstof afscheiden.
([[overgankelijk]] werkwoord; stremde, heeft gestremd)
1 (melk) dik laten worden
2 in zijn loop belemmeren.

In Spaans overeenkomend met: Coagular
Inmovilizar
  sOnbeweeglijk maken
Stollen
Stopzetten
StremdeGestremd
StrengelenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; strengelde zich, heeft zich gestrengeld)
1 zich slingeren.

In Spaans overeenkomend met: Bobinar, Enrollar, Envolver
  sOprollen
Wikkelen
Winden
StrengeldeGestrengeld
StrengenStrengdeGestrengd
StrepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streepte, heeft gestreept)
1 met strepen bezetten.

StreepteGestreept
StressenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; streste, heeft gestrest; stresser)
1 zich nerveus, overspannen gedragen, vooral vanwege tijdsdruk.

In Spaans overeenkomend met: Estresar
StresteGestrest
StresserenStresseerdeGestresseerd
StretchenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stretchte, heeft gestretcht)
1 rekoefeningen doen.

StretchteGestretcht
StrevenALLE betekenissen van dit woord:
(het)
1 het zich inspannen voor een doel
2 datgene waarvoor iemand zich inspant.
(werkwoord; streefde, heeft gestreefd)
1 zich inspannen, zijn best doen.

In Spaans overeenkomend met: Procurar, Tratar de
Afanarse, Esforzarse
  sMoeite doen
Pogen
Trachten
Zich beijveren
Zich inspannen
Zoeken
StreefdeGestreefd
StribbelenStribbeldeGestribbeld
StriemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; striemde, heeft gestriemd)
1 hard op de huid slaan.

In Spaans overeenkomend met: Azotar
  sGeselen
Teisteren
StriemdeGestriemd
StrijdenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; streed, heeft gestreden)
1 ijveren voor.
(werkwoord; streed, heeft gestreden)
1 in tegenspraak zijn met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; streed, heeft gestreden; strijder)
1 strijd voeren.

In Spaans overeenkomend met: Batallar, Batirse, Bregar, Combatir, Lidiar, Pelear
Disputar
Luchar
Militar
  sDisputeren
Kampen
Oorlogvoeren
Redetwisten
Strijd voeren
Strijden voor
Twisten
Vechten
Worstelen
StreedGestreden
StrijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; streek, heeft gestreken; strijker, strijking)
1 scheren.
([[overgankelijk]] werkwoord; streek, heeft gestreken)
1 (ook absoluut) met de hand, een voorwerp langs of over een oppervlak wrijven
2 (ook absoluut) (textiel, kleren) met een strijkijzer gladmaken
3 (een vlag, zeil) laten zakken, neerhalen.

In Spaans overeenkomend met: Rozar
Planchar
  sPersen
StreekGestreken
StrikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; strikte, heeft gestrikt)
1 (ook absoluut) (veters, een [[das]]) tot een strik binden
2 met, in een strik vangen
3 (iemand) overhalen iets te doen.

In Spaans overeenkomend met: Atar
Anudar
  sKnopen
Vastknopen
StrikteGestrikt
StrippenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stripte, heeft gestript; stripper, stripping)
1 een [[striptease]] opvoeren
2 met de [[strippenkaart]] reizen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stripte, heeft gestript)
1 ontdoen van het overtollige door er langs te schrapen.

StripteGestript
StrokenStrookteGestrookt
StromenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stroming)
1 (stroomde, heeft/is gestroomd) (van vloeistoffen) zich voortbewegen
2 (stroomde, is gestroomd) (van mensenmassa's) zich in groten [[getale]] voortbewegen.

In Spaans overeenkomend met: Chorrear
Circular
Fluir, Manar
  sCirculeren
Druipen
In omloop zijn
Lopen
Rondgaan
Rouleren
Vlieten
Vloeien
StroomdeGestroomd
StrompelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; strompelde, is gestrompeld; strompelaar, strompeling)
1 gebrekkig lopen.

StrompeldeGestrompeld
StrooienALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 van stro.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; strooide, heeft gestrooid; strooier)
1 (iets) verspreid neerwerpen.

In Spaans overeenkomend met: Desparramar
Echar, Verter
  sRondstrooien
Storten
StrooideGestrooid
StroomlijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stroomlijnde, heeft gestroomlijnd; stroomlijning)
1 volgens de stroomlijn vormen
2 (iets) zo organiseren dat het zo efficiŽnt mogelijk functioneert.

StroomlijndeGestroomlijnd
StrooplikkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; strooplikker)
1 overdreven vleien.

StroopsmerenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stroopsmeerder)
1 [[strooplikken]], vleien.

StropenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stroopte, heeft gestroopt; stroper, stroping)
1 opeenschuiven
2 een rooftocht ondernemen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stroopte, heeft gestroopt)
1 (ook absoluut) (wild, vis, gewassen) stelen van verboden terrein, uit verboden water
2 (kledingstukken e.d.) opschuiven
3 (konijnen e.d.) villen
4 strijkelings afhalen of afscheiden.

In Spaans overeenkomend met: Merodear
Pillar, Robar
  sBeroven
Buitmaken
Plunderen
Roven
StroopteGestroopt
StroppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stropte, heeft gestropt)
1 (een stuk touw e.d.) tot een strop maken
2 (een dier) d.m.v. een strop of strik vangen.

StropteGestropt
StrossenStrosteGestrost
StrubbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; strubbelde, heeft gestrubbeld)
1 ruzie maken, kibbelen.

StrubbeldeGestrubbeld
StructurerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; structureerde, heeft gestructureerd; structurering)
1 een structuur aanbrengen in.

In Spaans overeenkomend met: Estructurar
StructureerdeGestructureerd
StruikelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; struikelde, is gestruikeld)
1 (informeel) aantreffen in grote hoeveelheden.
([[onovergankelijk]] werkwoord; struikelde, is gestruikeld)
1 het evenwicht verliezen of vallen door met de voet ergens achter te blijven haken, door een misstap enz.
2 falen omdat men de problemen heeft onderschat
3 een kleine misstap begaan.

In Spaans overeenkomend met: Tropezar, Tropezarse
StruikeldeGestruikeld
StruinenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; struinde, heeft gestruind; struiner)
1 rondlopen om te zien of men iets van zijn gading kan vinden.

StruindeGestruind
StuderenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; studeerde, heeft gestudeerd)
1 intensief denken over, met inzet bestuderen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; studeerde, heeft gestudeerd)
1 zich met een tak van wetenschap of kunst bezighouden om er in door te dringen.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; studeerde, heeft gestudeerd)
1 (een studie) volgen aan een universiteit of hogeschool
2 zich praktisch in de muziek oefenen.

In Spaans overeenkomend met: Cursar
Estudiar
  sBestuderen
StudeerdeGestudeerd
StuffenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[stufte]], heeft gestuft)
1 gummen.

StufteGestuft
StuikenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stuikte, heeft gestuikt)
1 (balken, planken e.d.) met de [[uiteinden]] vast aan elkaar laten sluiten
2 (schoven) tegen elkaar zetten om te drogen
3 (klinknaden) met de kook- of zetbeitel dichtzetten.

StuikteGestuikt
StuiptrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[stuiptrekte]], heeft gestuiptrekt; stuiptrekking)
1 zich als in een stuip samentrekken.

StuiptrekteGestuiptrekt
StuitenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stuitte, is gestuit)
1 aantreffen, ongezocht te maken krijgen met.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuitte, heeft/is gestuit; stuiter, stuiting)
1 [[terugspringen]] na met kracht tegen iets aangekomen te zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; stuitte, heeft gestuit)
1 verhinderen, tegenhouden.

In Spaans overeenkomend met: Parar
Atajar
  sAanhouden
Belemmeren
Beletten
Keren
Stilleggen
Stoppen
Tegenhouden
StuitteGestuit
StuiterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuiterde, heeft/is gestuiterd)
1 stuiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; stuiterde, heeft gestuiterd)
1 doen terugkaatsen.

In Spaans overeenkomend met: Rebotar ((),(intr. Dicho de un cuerpo elŠstico: Botar repetidamente, ya sobre el terreno, ya chocando con otros cuerpos.))
  sRicocheren
StuiterdeGestuiterd
StuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (stoof, heeft/is gestoven) door een luchtstroom gedreven zich in zeer fijne deeltjes snel voortbewegen
2 (stoof, heeft/is gestoven) razen
3 (stoof, heeft gestoven) stof opdrijven, opjagen.

In Spaans overeenkomend met: Brotar, Surgir
  sOpspatten
Verspuiten
StoofGestoven
StukadorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[stukadoorde]], heeft gestukadoord)
1 stuken
2 witten.

In Spaans overeenkomend met: Revocar
  sBepleisteren
Pleisteren
StukadoordeGestukadoord
StukbijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beet stuk, heeft stukgebeten)
1 door bijten stukmaken.

Beet stukStukgebeten
StukbrekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brak stuk, heeft stukgebroken)
1 door breken stukmaken.

In Spaans overeenkomend met: Quebrar, Romper
  sAfbreken
Breken
Doorbreken
Schenden
Verbreken
Brak stukStukgebroken
StukenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; stuukte, heeft gestuukt)
1 (een oppervlakte, ruimte) voorzien van een pleisterlaag.

StuukteGestuukt
StukerenStukeerdeGestukeerd
StukgaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging stuk, is stukgegaan)
1 kapotgaan, breken.

In Spaans overeenkomend met: Estropearse
  sKapotgaan
Ging stukStukgegaan
StukgooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gooide stuk, heeft stukgegooid)
1 door gooien stukmaken.

Gooide stukStukgegooid
StuklezenLas stukStukgelezen
StuklopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep stuk, is stukgelopen)
1 onklaar raken, misgaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; liep stuk, heeft stukgelopen)
1 al lopend stukmaken.

Liep stukStukgelopen
StukmakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte stuk, heeft stukgemaakt)
1 kapotmaken
2 (bankbiljetten) wisselen in kleingeld.

In Spaans overeenkomend met: Estropear
Echar a perder
  sBederven
Beschadigen
Havenen
Knoeien
Schenden
Stuk maken
Toetakelen
Verknoeien
Verpesten
Maakte stukStukgemaakt
StukscheurenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scheurde stuk, heeft stukgescheurd)
1 door scheuren stuk maken.

Scheurde stukStukgescheurd
StukschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoot stuk, heeft stukgeschoten)
1 door schieten stukmaken.

Schoot stukStukgeschoten
StukslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg stuk, heeft stukgeslagen)
1 door slaan stukmaken.

In Spaans overeenkomend met: Estrellar, Trizar
  sBreken
Verbrijzelen
Sloeg stukStukgeslagen
StuksmijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeet stuk, heeft stukgesmeten)
1 door smijten stukmaken.

Smeet stukStukgesmeten
StuksnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed stuk, heeft stukgesneden)
1 door snijden stukmaken.

Sneed stukStukgesneden
StukvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel stuk, is stukgevallen)
1 door vallen breken, in stukken vallen.

Viel stukStukgevallen
StulpenStulpteGestulpt
StumperenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stumperde, heeft gestumperd)
1 onbeholpen te werk gaan.

StumperdeGestumperd
StuntelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuntelde, heeft gestunteld)
1 onhandig bezig zijn of te werk gaan.

StunteldeGestunteld
StuntenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuntte, heeft gestunt; stunter)
1 iets [[opvallends]], onverwachts doen.

StuntteGestunt
StuntvliegenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stuntvlieger)
1 allerlei acrobatische toeren uitvoeren met een vliegtuig.

SturenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stuurde, heeft gestuurd)
1 naar het roer of stuur luisteren, zich laten sturen.
([[overgankelijk]] werkwoord; stuurde, heeft gestuurd)
1 (ook absoluut) (een vervoermiddel) een bepaalde richting laten volgen, het stuur of roer bedienen
2 doen gaan, doen toekomen
3 op de gewenste manier laten werken.

In Spaans overeenkomend met: Dirigir, Marear ((schip),(buque))
Despachar, Enviar, Expedir
Conducir
  sBesturen
Dirigeren
Doen toekomen
Mennen
Opsturen
Opzenden
Richten
Verzenden
Zenden
StuurdeGestuurd
StuttenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stutte, heeft gestut)
1 (atletiek) rugwaarts kiepen aan brug, rekstok of ringen
2 (een bouwwerk) dragen door druk van onderen of opzij.

In Spaans overeenkomend met: Apoyar
  sOndersteunen
Rugsteunen
Schragen
Steunen
StutteGestut
StuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stuwde, heeft gestuwd; stuwer, stuwing)
1 duwend voortbewegen
2 (goederen) zo efficiŽnt mogelijk in een ruimte pakken of bergen
3 (een stromende vloeistof) de natuurlijke afvloeiing belemmeren, door een stuwdam tegenhouden.

In Spaans overeenkomend met: Propulsar
Interceptar, Privar el paso
Estibar
  sAfdammen
Afsluiten
Belemmeren
Opduwen
Stouwen
Versperren
Verstouwen
Voortstuwen
StuwdeGestuwd
SubcategoriserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[subcategoriseerde]], heeft gesubcategoriseerd; subcategorisering/subcategorisatie)
1 onderverdelen.

SubcategoriseerdeGesubcategoriseerd
SublimerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sublimeerde, is gesublimeerd; sublimatie)
1 (natuurkunde) van vaste [[fase]] direct in gasfase overgaan of omgekeerd.
([[overgankelijk]] werkwoord; sublimeerde, heeft gesublimeerd)
1 naar een hoger niveau opheffen, veredelen.

In Spaans overeenkomend met: Sublimar
SublimeerdeGesublimeerd
SubordinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[subordineerde]], heeft gesubordineerd; subordinatie)
1 [[onderschikken]], ondergeschikt maken aan.

SubordineerdeGesubordineerd
SubscriberenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[subscribeerde]], heeft gesubscribeerd; [[subscribent]], subscriptie)
1 intekenen.

SubscribeerdeGesubscribeerd
SubsidiŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; subsidieerde, heeft gesubsidieerd; [[subsidiŽnt]], subsidiŽring)
1 subsidie geven aan.

In Spaans overeenkomend met: Subvencionar
SubsidieerdeGesubsidieerd
SubstantiverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[substantiveerde]], heeft gesubstantiveerd; substantivering)
1 (taalkunde) tot een substantief maken.

SubstantiveerdeGesubstantiveerd
SubstituerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; substitueerde, heeft gesubstitueerd; substituering/substitutie)
1 vervangen
2 (scheikunde) (een of meer atomen) in een molecule vervangen door een of meer andere.

In Spaans overeenkomend met: Reemplazar, Remplazar, Substituir
  sIn de plaats stellen
SubstitueerdeGesubstitueerd
SudderenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sudderde, heeft gesudderd)
1 zachtjes pruttelend koken of gaar worden.

In Spaans overeenkomend met: Hervir
SudderdeGesudderd
SudokuenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[sudokude]], heeft gesudokud)
1 sudoku's oplossen of proberen op te lossen.

SudokudeGesudokuud
SuffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sufte, heeft gesuft)
1 dof van geest zijn
2 geen aandacht schenken aan wat om iemand heen voorvalt.

SufteGesuft
SuggererenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; suggereerde, heeft gesuggereerd)
1 de suggestie doen, voorstellen
2 (een denkbeeld, wens, voornemen, indruk) in de geest doen ontstaan.

In Spaans overeenkomend met: Sugerir
Sugestionar
  sEen wenk geven
Influisteren
Opperen
Voorstellen
SuggereerdeGesuggereerd
SuikerenALLE betekenissen van dit woord:
(bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief)
1 uit suiker bestaande.
([[overgankelijk]] werkwoord; suikerde, heeft gesuikerd)
1 met suiker zoet maken.

SuikerdeGesuikerd
SuilenSuildeGesuild
SuizebollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; suizebolde, heeft gesuizebold)
1 duizelig, half bedwelmd zijn.

SuizeboldeGesuizebold
SuizelenIn Spaans overeenkomend met: Canturrear, Ronronear, Zumbar
  sBrommen
Gonzen
Razen
Snorren
Suizen
Tuiten
Zoemen
SuizeldeGesuizeld
SuizenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; suizing)
1 (suisde, heeft gesuisd) een zacht blazend geluid maken
2 (suisde, heeft/is gesuisd) zich snel en met weinig geluid voortbewegen.

In Spaans overeenkomend met: Canturrear, Ronronear, Zumbar
  sBrommen
Gonzen
Razen
Snorren
Suizelen
Tuiten
Zoemen
SuisdeGesuisd
SukkelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (sukkelde, heeft gesukkeld) moeilijkheden ondervinden, tegenspoed hebben
2 (sukkelde, heeft/is gesukkeld) sjokken.

SukkeldeGesukkeld
SullenSuldeGesuld
SumoworstelenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 traditionele, met het shintoÔsme verbonden, [[Japanse]] vorm van worstelen.

SuperviserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; [[superviseerde]], heeft gesuperviseerd; [[supervisor]], supervisie)
1 toezicht houden op.

SuperviseerdeGesuperviseerd
SupplerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[suppleerde]], heeft gesuppleerd)
1 (formeel) aanvullen.

SuppleerdeGesuppleerd
SuppliŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[supplieerde]], heeft gesupplieerd; suppositie)
1 smeken, verzoeken.

SupplieerdeGesupplieerd
SupporterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; supporterde, heeft gesupporterd)
1 als supporter aanwezig zijn.

SupporterdeGesupporterd
SupprimerenSupprimeerdeGesupprimeerd
SurfenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; surfte, heeft/is gesurft; surfer, surfing)
1 zich staande op een plank voortbewegen op de branding van de zee
2 windsurfen
3 internetten.

In Spaans overeenkomend met: Navegar
  sNetsurfen
Websurfen
SurfteGesurft
SurinamiserenSurinamiseerdeGesurinamiseerd
SurplacenSurplaceteGesurplacet
SurveillerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; surveilleerde, heeft gesurveilleerd)
1 toezicht houden, bewaken.

In Spaans overeenkomend met: Controlar, Examinar, Verificar
  sAflezen
Controleren
Checken
Nakijken
Toezien
SurveilleerdeGesurveilleerd
SurvivallenSurvivaldeGesurvivald
SuspenderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[suspendeerde]], heeft gesuspendeerd)
1 schorsen uit een ambt
2 (scheikunde) in suspensie laten overgaan.

SuspendeerdeGesuspendeerd
SussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; suste, heeft gesust)
1 stillen, kalmeren, tot bedaren brengen.

SusteGesust
SwaffelenSwaffeldeGeswaffeld
SwingenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; swingde, heeft geswingd)
1 dansen op swingmuziek
2 bruisen, levendig zijn.

In Spaans overeenkomend met: Blandir, Tremolar
  sSlingeren
Zwaaien
SwingdeGeswingd
SwitchenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; switchte, heeft/is geswitcht)
1 (sport) van plaats verwisselen
2 omschakelen.

SwitchteGeswitcht
SymboliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; symboliseerde, heeft gesymboliseerd; symbolisatie/symbolisering)
1 het symbool zijn van, zinnebeeldig voorstellen.

In Spaans overeenkomend met: Simbolizar
  sZinnebeeldig voorstellen
SymboliseerdeGesymboliseerd
SympathiserenIn Spaans overeenkomend met: Congeniar, Simpatizar
  sOvereenkomen
Overeenstemmen
SympathiseerdeGesympathiseerd
SyncenSyncteGesynct
SynchroniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; synchroniseerde, heeft gesynchroniseerd; synchronisatie)
1 in de tijd laten samenvallen.

SynchroniseerdeGesynchroniseerd
Synchroonzwemmen
SyncoperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; syncopeerde, heeft gesyncopeerd; syncopering)
1 (taalkunde) (een klank in het binnenste van een woord) weglaten, uitstoten
2 (muziek) [[syncopen]] aanbrengen in.

SyncopeerdeGesyncopeerd
SyndicerenSyndiceerdeGesyndiceerd
SynthetiserenSynthetiseerdeGesynthetiseerd
SystematiserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[systematiseerde]], heeft gesystematiseerd)
1 volgens een bepaald systeem ordenen.

In Spaans overeenkomend met: Sistematizar
SystematiseerdeGesystematiseerd

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

boven