Lijst van 12405 Nederlandse werkwoorden

Ga naar lijst Spaanse werkwoorden
Ir a lista de verbos espaŮoles
Laatst gewijzigd:       05 Feb 2018
ŕltima Actualizaciůn: 05 Feb 2018

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

InfinitiefVerleden tijdVoltooid deelwoord
UitademenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; ademde uit, heeft uitgeademd)
1 ingeademde lucht, adem uitblazen.

In Spaans overeenkomend met: Espirar, Exhalar
  sAdemen
Getuigen van
Uitdampen
Uitwasemen
Ademde uitUitgeademd
UitbaggerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; baggerde uit, heeft uitgebaggerd; uitbaggering)
1 door baggeren uitdiepen.

In Spaans overeenkomend met: Dragar
  sBaggeren
Opbaggeren
Baggerde uitUitgebaggerd
UitbakenenBakende uitUitgebakend
UitbakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bakte uit, heeft uitgebakken)
1 (spek) door bakken ontdoen van vetdelen.

Bakte uitUitgebakken
UitbalancerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; balanceerde uit, heeft uitgebalanceerd; uitbalancering)
1 het zwaartepunt zodanig leggen dat de juiste evenwichtsverhoudingen ontstaan
2 de samenstellende delen zo ordenen dat een harmonieus, evenwichtig geheel ontstaat.

Balanceerde uitUitgebalanceerd
UitbaliŽnBaliede uitUitgebalied
UitbannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bande uit, heeft uitgebannen; uitbanning)
1 uitdrijven, wegjagen.

In Spaans overeenkomend met: Desterrar
Conjurar, Exorcizar
  sBezweren
Verbannen
Bande uitUitgebannen
UitbarstenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; barstte uit, is uitgebarsten)
1 zich plotseling fel uiten.
([[onovergankelijk]] werkwoord; barstte uit, is uitgebarsten; uitbarsting)
1 plotseling uitbrekend zich manifesteren.

In Spaans overeenkomend met: Estallar, Prorrumpir ((geween, geschreeuw),(llorar, clamor))
Barstte uitUitgebarsten
UitbatenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; baatte uit, heeft uitgebaat; uitbater, uitbating)
1 exploiteren.

In Spaans overeenkomend met: Explotar
  sExploiteren
Uitbuiten
Uitmelken
Baatte uitUitgebaat
UitbazuinenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bazuinde uit, heeft uitgebazuind)
1 overal met veel ophef bekendmaken.

Bazuinde uitUitgebazuind
UitbeeldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beeldde uit, heeft uitgebeeld; uitbeelder, uitbeelding)
1 in beeld voorstellen.

In Spaans overeenkomend met: Reproducir, Retratar
Representar
  sAanbieden
Afbeelden
Indienen
Presenteren
Verbeelden
Vertonen
Verzinnelijken
Voorstellen
Beeldde uitUitgebeeld
UitbeitelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beitelde uit, heeft uitgebeiteld)
1 met een beitel uithakken.

In Spaans overeenkomend met: Escoplear
Beitelde uitUitgebeiteld
UitbellenBelde uitUitgebeld
UitbenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; beende uit, heeft uitgebeend; uitbener, uitbening)
1 het been uit (het vlees) halen.

In Spaans overeenkomend met: Deshuesar
  sOntpitten
Beende uitUitgebeend
UitbestedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; besteedde uit, heeft uitbesteed; uitbesteder, uitbesteding)
1 buitenshuis in de kost doen
2 (werk) aan anderen overdoen.

Besteedde uitUitbesteed
UitbetalenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; betaalde zich uit, heeft zich uitbetaald)
1 de inspanning waard zijn, [[terugverdiend]] worden.
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; betaalde uit, heeft uitbetaald; uitbetaler, uitbetaling)
1 als loon betalen
2 de waarde (van een [[cheque]]) in geld geven.

In Spaans overeenkomend met: Pagar
Entregar
  sAfgeven
Betalen
Dokken
Overgeven
Overleggen
Storten
Uitkeren
Voldoen
Betaalde uitUitbetaald
UitbezemenBezemde uitUitgebezemd
UitbijtenIn de betekenis van:
Vrijmaken door het hakken van bijten

  sAantasten
Bijten
Corroderen
Uitvreten
Wegvreten
Bijtte uitUitgebijt
UitbijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
1 (ook absoluut; beet uit, heeft/is uitgebeten) door een bijtende stof of de bijtende werking daarvan verwijderen
2 (beet uit, heeft uitgebeten) door bijten met de tanden wegnemen uit.

In Spaans overeenkomend met: Corroer
  sAantasten
Bijten
Corroderen
Uitvreten
Wegvreten
Beet uitUitgebeten
UitbikkenBikte uitUitgebikt
UitblazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blies uit, heeft uitgeblazen; uitblazing)
1 uitrusten.
([[overgankelijk]] werkwoord; blies uit, heeft uitgeblazen)
1 (lucht, rook, damp, geur e.d.) door blazen naar buiten brengen
2 door blazen doven.

In Spaans overeenkomend met: Soplar
Apagar, Apagarse
  sBlazen
Blussen
Doven
Uitblussen
Uitdoen
Uitdoven
Uitmaken
Waaien
Blies uitUitgeblazen
UitblekenBleekte uitUitgebleekt
UitblijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bleef uit, is uitgebleven; uitblijver, uitblijving)
1 zich niet voordoen.

Bleef uitUitgebleven
UitblinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; blonk uit, heeft uitgeblonken; uitblinker)
1 schitteren boven iets anders uit.

In Spaans overeenkomend met: Diferenciarse, Distinguirse, Figurar, Resplandecer
Aventajar, Superar
  sOvertreffen
Te boven gaan
Uitmunten
Verschillen
Voorbijstreven
Zich onderscheiden
Blonk uitUitgeblonken
UitbloedenBloedde uitUitgebloed
UitbloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bloeide uit, is uitgebloeid; uitbloeiing)
1 ten einde bloeien.

Bloeide uitUitgebloeid
UitblussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bluste uit, heeft uitgeblust; uitblussing)
1 geheel blussen.

In Spaans overeenkomend met: Apagar, Apagarse, Extinguir
  sBlussen
Doven
Uitblazen
Uitdoen
Uitdoven
Uitmaken
Bluste uitUitgeblust
UitblutsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; blutste uit, heeft uitgeblutst)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) uitdeuken.

Blutste uitUitgeblutst
UitboegserenBoegseerde uitUitgeboegseerd
UitboekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boekte uit, heeft uitgeboekt)
1 boeken als zijnde vertrokken.

Boekte uitUitgeboekt
UitboenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boende uit, heeft uitgeboend)
1 door boenen reinigen.

Boende uitUitgeboend
UitboetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boette uit, heeft uitgeboet)
1 (een schuld, zonde) door boetedoening tenietdoen.

Boette uitUitgeboet
UitbollenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; bolde uit, is uitgebold)
1 (in BelgiŽ; [[wielersport]]) (van voertuigen, fietsers e.d.) uitrollend tot stilstand komen
2 (in [[BelgiŽ]]) zich niet verder inspannen, het [[rustiger]] aan doen, afbouwen.

Bolde uitUitgebold
UitbomenBoomde uitUitgeboomd
UitborenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; boorde uit, heeft uitgeboord; uitboring)
1 borend uithollen
2 door boren groter maken
3 door boren verwijderen.

Boorde uitUitgeboord
UitborstelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; borstelde uit, heeft uitgeborsteld; uitborsteling)
1 door borstelen reinigen
2 door borstelen over een oppervlak verdelen.

Borstelde uitUitgeborsteld
UitbottenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; botte uit, is uitgebot; uitbotting)
1 knoppen krijgen, uitlopen.

In Spaans overeenkomend met: Abotonar
  sBotten
Spruiten
Uitschieten
Uitspruiten
Botte uitUitgebot
UitbouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bouwde uit, heeft uitgebouwd)
1 buiten de oorspronkelijke [[begrenzing]] bouwen, of zo dat het uitsteekt
2 verder ontwikkelen, uitbreiden.

In Spaans overeenkomend met: Abultar
  sUitbreiden
Vergroten
Bouwde uitUitgebouwd
UitbradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; braadde uit, heeft uitgebraden)
1 door braden ontdoen van vet.

Braadde uitUitgebraden
UitbrakenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; braakte uit, heeft uitgebraakt; uitbraking)
1 brakend uitspuwen
2 ([[pejoratief]]) uiten.

In Spaans overeenkomend met: Provocar
  sKotsen
Overgeven
Braakte uitUitgebraakt
UitbrandenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brandde uit, is uitgebrand; uitbranding)
1 zo afbranden dat alleen de muren overblijven.
([[overgankelijk]] werkwoord; brandde uit, heeft uitgebrand)
1 (iets) met vuur of een gloeiend voorwerp uitsteken of verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Foguear
  sDoodbranden
Toeschroeien
Brandde uitUitgebrand
UitbreidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; breidde uit, heeft uitgebreid; uitbreiding)
1 een grotere oppervlakte doen beslaan.
(wederkerend werkwoord; breidde zich uit, heeft zich uitgebreid)
1 een groter gebied beslaan.

In Spaans overeenkomend met: Ampliar, Ensanchar, Explayar
Expandir, Extender, Tender
Abultar
  sExpanderen
Ophouden
Rekken
Strekken
Uitbouwen
Uitsteken
Uitstrekken
Verbreden
Vergroten
Verruimen
Wijder maken
Breidde uitUitgebreid
UitbrekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; brak uit, is uitgebroken; uitbreker, uitbreking)
1 uit gevangenschap ontsnappen
2 losbarsten, plotseling in alle hevigheid beginnen.
([[overgankelijk]] werkwoord; brak uit, heeft uitgebroken)
1 door breken vergroten.

In Spaans overeenkomend met: Prorrumpir
  sOnstuimig te voorschijn komen
Zich met geweld een weg banen
Zich storten
Brak uitUitgebroken
UitbrengenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; bracht uit, heeft uitgebracht; uitbrenging)
1 van zich doen uitgaan
2 kenbaar maken
3 op de markt brengen.

In Spaans overeenkomend met: Comunicar
Exhibir, Exponer, Presentar
Hacer
  sAanmaken
Bedrijven
Doen
Etaleren
Maken
Uitrichten
Uitstallen
Uitvoeren
Bracht uitUitgebracht
UitbroedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; broedde uit, heeft uitgebroed; uitbroeder, uitbroeding)
1 al broedend laten uitkomen
2 (schertsend) als product van zijn geest tevoorschijn brengen.

In Spaans overeenkomend met: Fomentar
Empollar
Broedde uitUitgebroed
UitbroeienBroeide uitUitgebroeid
UitbrokkelenBrokkelde uitUitgebrokkeld
UitbrommenBromde uitUitgebromd
UitbrullenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; brulde uit, heeft uitgebruld)
1 door brullen uiten.

In Spaans overeenkomend met: Mugir, Rugir
Aullar
  sBlŤren
Briesen
Brullen
Bulderen
Bulken
Gillen
Loeien
Brulde uitUitgebruld
UitbuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; boog uit, is uitgebogen)
1 naar buiten gebogen worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; boog uit, heeft uitgebogen)
1 [[buitenwaarts]] buigen.

Boog uitUitgebogen
UitbuikenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; buikte uit, heeft uitgebuikt)
1 (schertsend) natafelen na een overvloedige maaltijd.

Buikte uitUitgebuikt
UitbuilenBuilde uitUitgebuild
UitbuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; buitte uit, heeft uitgebuit; uitbuiter, uitbuiting)
1 zoveel mogelijk voordeel proberen te halen van.

In Spaans overeenkomend met: Explotar
  sExploiteren
Uitbaten
Uitmelken
Buitte uitUitgebuit
UitbulderenBulderde uitUitgebulderd
UitcheckenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; checkte uit, heeft uitgecheckt)
1 voorgeschreven handelingen verrichten bij het verlaten van een vliegtuig, boot enz.

Checkte uitUitgecheckt
UitcijferenCijferde uitUitgecijferd
UitdagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; daagde uit, heeft uitgedaagd; uitdager, uitdaging)
1 (iemand) aansporen tot een reactie.

In Spaans overeenkomend met: Desafiar, Provocar, Retar
  sProvoceren
Tarten
Tergen
Uitlokken
Uittarten
Daagde uitUitgedaagd
UitdampenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dampte uit, is uitgedampt; uitdamping)
1 door verdamping vocht verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Exhalar
  sUitademen
Uitwasemen
Dampte uitUitgedampt
UitdelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; deelde uit, heeft uitgedeeld; uitdeler, uitdeling)
1 aan ieder van een aantal personen een deel geven.

In Spaans overeenkomend met: Repartir
  sRonddelen
Rondgeven
Uitreiken
Verdelen
Deelde uitUitgedeeld
UitdelgenDelgde uitUitgedelgd
UitdelvenDelfde uit, Dolf uitUitgedolven
UitdenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dacht uit, heeft uitgedacht; uitdenker, uitdenking)
1 bedenken.

In Spaans overeenkomend met: Discurrir, Inventar
  sBedenken
Uitkienen
Verzinnen
Dacht uitUitgedacht
UitdeukenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; deukte uit, heeft uitgedeukt; uitdeuker, uitdeuking)
1 van binnen uit deuken wegwerken uit.

Deukte uitUitgedeukt
UitdienenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Diende uitUitgediend
UitdiepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; diepte uit, heeft uitgediept; uitdieping)
1 dieper maken
2 grondig onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Profundizar
Diepte uitUitgediept
UitdijenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; dijde uit, is uitgedijd; uitdijing)
1 groter van omvang, volume worden.

In Spaans overeenkomend met: Abultarse, Hincharse
  sOpzetten
Opzwellen
Rijzen
Zwellen
Dijde uitUitgedijd
UitdoenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; deed uit, heeft uitgedaan)
1 (kleding) van het lichaam verwijderen
2 (licht, vlammen) laten verdwijnen
3 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) doen verdwijnen, uitvegen, doorhalen
4 (in [[BelgiŽ]]) rooien
5 (in [[BelgiŽ]]) afmaken, volbrengen, uitzitten.

In Spaans overeenkomend met: Quitar, Sacar
Apagar, Apagarse, Extinguir
  sAfdoen
Afzetten
Blussen
Doven
Uitblazen
Uitblussen
Uitdoven
Uitkrijgen
Uitmaken
Uittrekken
Deed uitUitgedaan
UitdoezelenDoezelde uitUitgedoezeld
UitdokterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dokterde uit, heeft uitgedokterd; uitdoktering)
1 (informeel) na onderzoek, met enige moeite, vaststellen.

Dokterde uitUitgedokterd
UitdorsenDorste uitUitgedorst
UitdossenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; doste uit, heeft uitgedost; uitdossing)
1 feestelijk of potsierlijk kleden.

In Spaans overeenkomend met: Adornar, Ataviar, Engalanar, Ornamentar
  sDecoreren
Opsieren
Optooien
Sieren
Tooien
Versieren
Doste uitUitgedost
UitdovenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; doofde uit, is uitgedoofd)
1 zijn gloed verliezen.
([[overgankelijk]] werkwoord; doofde uit, heeft uitgedoofd)
1 de vlam, de gloed van iets doen uitgaan.

In Spaans overeenkomend met: Apagar, Apagarse, Extinguir
  sBlussen
Doven
Uitblazen
Uitblussen
Uitdoen
Uitmaken
Doofde uitUitgedoofd
UitdraaienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; draaide uit, is uitgedraaid)
1 uitlopen op.
([[overgankelijk]] werkwoord; draaide uit, heeft uitgedraaid)
1 door draaien verwijderen
2 door het omzetten van een schakelaar uitdoen
3 printen.

Draaide uitUitgedraaid
UitdragenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; droeg uit, heeft uitgedragen)
1 naar buiten dragen, brengen
2 onder de mensen brengen.

Droeg uitUitgedragen
UitdrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef uit, heeft uitgedreven)
1 naar buiten drijven, verjagen
2 (van edelmetaal) uitkloppen, bewerken met figuren.

In Spaans overeenkomend met: Expulsar
  sNaar buiten jagen
Uitjagen
Uitwijzen
Verbannen
Verjagen
Wegsturen
Dreef uitUitgedreven
UitdrinkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dronk uit, heeft uitgedronken)
1 leegdrinken.

In Spaans overeenkomend met: Apurar
  sLeegdrinken
Opdrinken
Opmaken
Dronk uitUitgedronken
UitdrogenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; droogde uit, is uitgedroogd; uitdroging)
1 geheel droog worden.

In Spaans overeenkomend met: Secar
  sDrogen
Droogmaken
Droogde uitUitgedroogd
UitdroppelenDroppelde uitUitgedroppeld
UitdroppenDropte uitUitgedropt
UitdruipenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; droop uit, is uitgedropen; uitdruiping)
1 druipend vocht verliezen.

In Spaans overeenkomend met: Escurrir
  sAfdruipen
Droop uitUitgedropen
UitdrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; drukte uit, heeft uitgedrukt; uitdrukking)
1 kenbaar maken
2 door drukken doen leeg lopen
3 doven door drukken.
(wederkerend werkwoord; drukte zich uit, heeft zich uitgedrukt)
1 zich in woorden uiten.

In Spaans overeenkomend met: Exprimir
Enunciar, Expresar
  sBetuigen
Opperen
Persen
Uiten
Uitknijpen
Uitpersen
Uitspreken
Verwoorden
Drukte uitUitgedrukt
UitdruppelenDruppelde uitUitgedruppeld
UitdruppenDrupte uitUitgedrupt
UitduidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; duidde uit, heeft uitgeduid; uitduiding)
1 helemaal duidelijk maken.

In Spaans overeenkomend met: Indicar, SeŮalar
  sAanduiden
Aangeven
Aanwijzen
Duidde uitUitgeduid
UitdunnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dunde uit, heeft uitgedund; uitdunning)
1 (gewassen die dicht op elkaar geplant zijn) hier en daar uittrekken om de overige meer ruimte te geven
2 [[dunner]] maken.

Dunde uitUitgedund
UitduwenDuwde uitUitgeduwd
UitdweilenDweilde uitUitgedweild
UiteenbarstenBarstte uiteenUiteengebarsten
UiteendoenDeed uiteenUiteengedaan
UiteendrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; dreef uiteen, heeft uiteengedreven)
1 uit elkaar jagen.

Dreef uiteenUiteengedreven
UiteengaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging uiteen, is uiteengegaan)
1 niet langer of verder samengaan of samenblijven.

In Spaans overeenkomend met: Divorciarse
Ging uiteenUiteengegaan
UiteengroeienGroeide uiteenUiteengegroeid
UiteenhoudenHield uiteenUiteengehouden
UiteenjagenIn Spaans overeenkomend met: Destrozar
  sVerslaan
Jaagde uiteen, Joeg uiteenUiteengejaagd
UiteenleggenLegde uiteenUiteengelegd
UiteenlopenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep uiteen, is uiteengelopen)
1 niet in dezelfde richting lopen, zich van elkaar verwijderen
2 onderling verschillen.

In Spaans overeenkomend met: Diferir, Ser diferente
Divergir
  sDivergeren
Schelen
Verschillen
Liep uiteenUiteengelopen
UiteennemenIn Spaans overeenkomend met: Desmontar
  sDemonteren
Uit elkaar nemen
Nam uiteenUiteengenomen
UiteenrafelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rafelde uiteen, heeft uiteengerafeld; uiteenrafeling)
1 ontwarren
2 nauwgezet onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Deshilachar
Rafelde uiteenUiteengerafeld
UiteenrijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; reet uiteen, heeft uiteengereten)
1 in stukken scheuren.

Reet uiteenUiteengereten
UiteenrukkenRukte uiteenUiteengerukt
UiteenslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg uiteen, heeft uiteengeslagen)
1 met geweld uiteendrijven.

Sloeg uiteenUiteengeslagen
UiteenspattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spatte uiteen, is uiteengespat)
1 in stukken springen.

Spatte uiteenUiteengespat
UiteenspringenSprong uiteenUiteengesprongen
UiteenstuivenStoof uiteenUiteengestoven
UiteenvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel uiteen, is uiteengevallen)
1 in de samenstellende delen van elkaar vallen.

Viel uiteenUiteengevallen
UiteenzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zette uiteen, heeft uiteengezet)
1 in zijn delen verklaren, uitleggen.

In Spaans overeenkomend met: Aclarar, Desarrollar, Explicar, Tratar
Exponer, Impresionar, Presentar
  sBeduiden
Belichten
Tentoonstellen
Toelichten
Uitleggen
Uitstallen
Verklaren
Zette uiteenUiteengezet
UitenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; uitte, heeft geuit)
1 tot uitdrukking komen, zich openbaren.
([[overgankelijk]] werkwoord; uitte, heeft geuit; uiting)
1 (gevoelens, meningen e.d.) uitspreken.
(wederkerend werkwoord; uitte zich, heeft zich geuit)
1 zijn gedachten, gevoelens tonen.

In Spaans overeenkomend met: Proferir, Pronunciar
Emitir ((uiten van een mening),(emitir una opiniůn))
Echar, Enunciar, Exhalar, Expresar
Manifestar
  sBetuigen
Laten blijken
Manifesteren
Opperen
Slaken
Spreken
Tonen
Uitdrukken
Uitspreken
Verwoorden
Zeggen
UitteGeuit
UitetenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; at uit, is uitgegeten)
1 afeten.
([[overgankelijk]] werkwoord; at uit, heeft uitgegeten)
1 door eten ontdoen van het binnenste.

At uitUitgegeten
UitfadenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
1 (een filmbeeld) langzaam laten vervagen.

Fadede uitUitgefaded
UitfilterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; filterde uit, heeft uitgefilterd; uitfiltering)
1 door filteren verwijderen.

Filterde uitUitgefilterd
UitflappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Flapte uitUitgeflapt
UitfloepenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; floepte uit, is uitgefloept)
1 plotseling uitgaan.

Floepte uitUitgefloept
UitfluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[floot]] uit, heeft uitgefloten; uitfluiting)
1 door fluiten zijn afkeuring van iets te kennen geven.

Floot uitUitgefloten
UitfoeterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; foeterde uit, heeft uitgefoeterd)
1 uitvaren tegen.

Foeterde uitUitgefoeterd
UitfrezenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; freesde uit, heeft uitgefreesd; uitfrezing)
1 met een frees uithollen.

Freesde uitUitgefreesd
UitgaanALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; ging uit, is uitgegaan)
1 (taalkunde) eindigen op.
(werkwoord; ging uit, is uitgegaan)
1 gericht zijn op.
(werkwoord; ging uit, is uitgegaan)
1 veronderstellen
2 georganiseerd worden door.
([[onovergankelijk]] werkwoord; ging uit, is uitgegaan)
1 vanaf een bepaald punt vertrekken
2 zich buitenshuis vermaken met bezoek aan een theater, [[eetgelegenheid]] enz.
3 ophouden te branden
4 verlaten, leeg worden
5 uitgetrokken kunnen worden
6 (van verkering) eindigen.

In Spaans overeenkomend met: Salir
Expirar, Terminarse
  sAflopen
Eindigen
Ophouden
Uitkomen
Uitlopen
Uitraken
Uitstappen
Uitstijgen
Uittreden
Verlopen
Ging uitUitgegaan
UitgalmenGalmde uitUitgegalmd
UitgevenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; gaf uit, heeft uitgegeven)
1 laten doorgaan voor.
([[onovergankelijk]] werkwoord; gaf uit, heeft uitgegeven)
1 (in [[BelgiŽ]]) (van deuren, straten) uitkomen.
([[overgankelijk]] werkwoord; gaf uit, heeft uitgegeven)
1 als betaling geven
2 iets in omloop brengen
3 in druk geven, doen drukken en verhandelen.

In Spaans overeenkomend met: Invertir
Editar
Desembolsar, Gastar
Emitir
Publicar
  sAfgeven
Besteden
Emitteren
In omloop brengen
Spenderen
Verteren
Gaf uitUitgegeven
UitgierenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Gierde uitUitgegierd
UitgietenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; goot uit, heeft uitgegoten; uitgieting)
1 leeggieten
2 plenzen.

Goot uitUitgegoten
UitgillenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gilde uit, heeft uitgegild)
1 door gillen uiten.

Gilde uitUitgegild
UitglijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; gleed uit, is uitgegleden)
1 vallen door gladheid of een glad voorwerp
2 struikelen, een misstap begaan.

In Spaans overeenkomend met: Deslizarse, Patinar, Resbalar
  sGlibberen
Glijden
Glippen
Schuiven
Gleed uitUitgegleden
UitglippenGlipte uitUitgeglipt
UitgloeienIn Spaans overeenkomend met: Recocer
Gloeide uitUitgegloeid
UitgommenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord) zie uitgummen.

Gomde uitUitgegomd
UitgooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gooide uit, heeft uitgegooid)
1 (ook absoluut) als keeper de bal in het speelveld gooien
2 naar buiten gooien
3 (kleding) vlug en nonchalant uitdoen.

In Spaans overeenkomend met: Arrojar, Eyacular, Tirar
  sGooien
Smijten
Uitsmijten
Uitwerpen
Gooide uitUitgegooid
UitgravenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; groef uit, heeft uitgegraven; uitgraving)
1 door graven uit de bodem tevoorschijn halen
2 gravend doen ontstaan of dieper maken.

In Spaans overeenkomend met: Excavar
Groef uitUitgegraven
UitgroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; groeide uit, is uitgegroeid; uitgroeiing)
1 groeiend groot worden.

In Spaans overeenkomend met: Salir una excrescencia
Groeide uitUitgegroeid
UitgummenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; gumde uit, heeft uitgegumd)
1 met gum uitvegen.

Gumde uitUitgegumd
UithakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hakte uit, heeft uitgehakt)
1 hakkend wegnemen
2 door hakken vormen, aanbrengen.

In Spaans overeenkomend met: Esculpir
  sBeeldhouwen
Uithouwen
Hakte uitUitgehakt
UithalenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; haalde uit, heeft uitgehaald)
1 een krachtige beweging maken met een arm of been van het lichaam af
2 scherpe kritiek leveren, scherpe verwijten uiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; haalde uit, heeft uitgehaald)
1 (ook absoluut) (een toon, een noot) lang aanhouden
2 uit iets anders halen
3 leeghalen
4 uitvoeren
5 baten, helpen.

In Spaans overeenkomend met: Retirar
Extraer
Arrancar
Ceder el paso
Vaciar
Sacar
  sLedigen
Legen
Lenzen
Lichten
Ontlokken
Ruimen
Tappen
Te voorschijn halen
Te voorschijn trekken
Trekken
Uittrekken
Uitwijken
Haalde uitUitgehaald
UithamerenHamerde uitUitgehamerd
UithangenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; hing uit, heeft uitgehangen; uithanging)
1 naar buiten hangen, aan de [[buitenzijde]] van iets hangen
2 (informeel) (van personen) zich bevinden.
([[overgankelijk]] werkwoord; hing uit, heeft uitgehangen)
1 naar buiten hangen, zo ophangen dat het uitsteekt
2 in zijn volle lengte en breedte ophangen
3 (informeel) zich voordoen als.

Hing uitUitgehangen
UithardenHardde uitUitgehard
UithoestenHoestte uitUitgehoest
UithollenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; holde uit, heeft uitgehold; uitholling)
1 hol maken
2 het wezenlijke of de innerlijke stevigheid wegnemen van.

In Spaans overeenkomend met: Abombar, Vaciar
Socavar
  sOndergraven
Ondermijnen
Holde uitUitgehold
UithongerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hongerde uit, heeft uitgehongerd; uithongering)
1 door gebrek aan voedsel bijna doen omkomen.

Hongerde uitUitgehongerd
UithorenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hoorde uit, heeft uitgehoord; uithoring)
1 alles wat iemand weet van hem trachten te vernemen door vragen
2 ten einde horen.

Hoorde uitUitgehoord
UithoudenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; hield uit, heeft uitgehouden; uithouding)
1 tot het einde toe volhouden
2 uitgestrekt of uitgespreid houden.

In Spaans overeenkomend met: Aguantar hasta el fin
Aguantar, Comportar
  sDoorstaan
Dulden
Harden
Uitstaan
Verdragen
Verduren
Weerstaan
Hield uitUitgehouden
UithouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[hieuw]] uit, heeft uitgehouwen; uithouwing)
1 door houwen vormen, aanbrengen in
2 houwend wegnemen.

In Spaans overeenkomend met: Esculpir
  sBeeldhouwen
Uithakken
Hieuw uitUitgehouwen
UithozenHoosde uitUitgehoosd
UithuilenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; huilde uit, heeft uitgehuild)
1 door huilen zijn emoties lucht geven.

Huilde uitUitgehuild
UithuwelijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; huwelijkte uit, heeft uitgehuwelijkt; uithuwelijking)
1 ten huwelijk geven.

In Spaans overeenkomend met: Casar
Huwelijkte uitUitgehuwelijkt
UithuwenHuwde uitUitgehuwd
UitjagenIn Spaans overeenkomend met: Expulsar
  sNaar buiten jagen
Uitdrijven
Uitwijzen
Verbannen
Verjagen
Wegsturen
Jaagde uit, Joeg uitUitgejaagd
UitjankenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; jankte uit, heeft uitgejankt)
1 (informeel) uithuilen.
([[overgankelijk]] werkwoord; jankte uit, heeft uitgejankt)
1 jankend uiten.

Jankte uitUitgejankt
UitjoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; joelde uit, heeft uitgejoeld)
1 door roepen beschimpen.

Joelde uitUitgejoeld
UitjouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; jouwde uit, heeft uitgejouwd)
1 door roepen beschimpen.

In Spaans overeenkomend met: Gritar
Jouwde uitUitgejouwd
UitjubelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; jubelde uit, heeft uitgejubeld)
1 jubelend uiting geven aan.

Jubelde uitUitgejubeld
UitkaardenKaardde uitUitgekaard
UitkafferenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kafferde uit, heeft uitgekafferd)
1 (informeel) uitschelden.

Kafferde uitUitgekafferd
UitkakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kakte uit, heeft uitgekakt)
1 (informeel) poepen
2 (informeel) een hekel hebben aan.

Kakte uitUitgekakt
UitkammenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kamde uit, heeft uitgekamd; uitkamming)
1 zorgvuldig doorzoeken
2 kammend in orde brengen
3 met een kam wegnemen uit.

In Spaans overeenkomend met: Peinar
Rastrillar
  sAanharken
Harken
Kammen
Opharken
Kamde uitUitgekamd
UitkappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kapte uit, heeft uitgekapt)
1 (in [[BelgiŽ]]) (een figuur) door kappen tot stand brengen
2 (voetbal) (een tegenstander) door het kappen van de bal uitspelen
3 door kappen verwijderen
4 (in BelgiŽ; informeel) uitstorten of uitgieten
5 (voegen) weghakken.

Kapte uitUitgekapt
UitkauwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kauwde uit, heeft uitgekauwd)
1 door kauwen bewerken, de krachtige substantie eruit halen.

Kauwde uitUitgekauwd
UitkavelenKavelde uitUitgekaveld
UitkeilenKeilde uitUitgekeild
UitkepenKeepte uitUitgekeept
UitkerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; keerde uit, heeft uitgekeerd; uitkeerder, uitkering)
1 als aandeel of rechtmatig deel betalen.

In Spaans overeenkomend met: Pagar
  sBetalen
Dokken
Storten
Uitbetalen
Voldoen
Keerde uitUitgekeerd
UitkermenIn Spaans overeenkomend met: Exclamar
  sEen kreet slaken
Uitkraaien
Uitroepen
Kermde uitUitgekermd
UitkervenKerfde uit, Korf uitUitgekerfd, Uitgekorven
UitketterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ketterde uit, heeft uitgeketterd)
1 (informeel) uitschelden.

Ketterde uitUitgeketterd
UitkiemenKiemde uitUitgekiemd
UitkienenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kiende uit, heeft uitgekiend)
1 (informeel) zorgvuldig berekenen, uitzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Discurrir, Inventar
  sBedenken
Uitdenken
Verzinnen
Kiende uitUitgekiend
UitkiezenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; koos uit, heeft uitgekozen)
1 uit een aantal voorwerpen of personen een keus doen.

In Spaans overeenkomend met: Elegir, Escoger
  sKiezen
Uitlezen
Uitpikken
Uitzoeken
Verkiezen
Koos uitUitgekozen
UitkijkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; keek uit, heeft uitgekeken)
1 voortdurend in een bepaalde richting of in het rond kijken
2 verlangend op iets wachten.
(werkwoord; keek uit, heeft uitgekeken)
1 naar buiten zicht hebben of bieden op.
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (keek uit, heeft uitgekeken) voorzichtig zijn
2 (keek uit, heeft/is uitgekeken) (een programma, film) tot het einde bekijken.

In Spaans overeenkomend met: Buscar
  sOpzoeken
Snorren
Uitzien
Zoeken
Keek uitUitgekeken
UitkippenKipte uitUitgekipt
UitklappenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; klapte uit, is uitgeklapt; uitklapping)
1 naar buiten opengaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; klapte uit, heeft uitgeklapt)
1 naar buiten opendoen.

Klapte uitUitgeklapt
UitklarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) [[duidelijker]], [[transparanter]] worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; klaarde uit, heeft uitgeklaard; uitklaring)
1 (goederen, schepen en vliegtuigen) van de vereiste papieren voor export voorzien
2 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) ophelderen, uitzoeken.

Klaarde uitUitgeklaard
UitklauterenKlauterde uitUitgeklauterd
UitkledenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kleedde uit, heeft uitgekleed; uitkleding)
1 van de kleren ontdoen
2 (iemand) veel geld afhandig maken.

In Spaans overeenkomend met: Desnudar, Desvestir
  sOntkleden
Kleedde uitUitgekleed
UitkleienKleide uitUitgekleid
UitkletsenKletste uitUitgekletst
UitklimmenKlom uitUitgeklommen
UitklinkenKlonk uitUitgeklonken
UitkloppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; klopte uit, heeft uitgeklopt; uitklopping)
1 al kloppend reinigen van stof, vuil enz.
2 door kloppen verwijderen
3 door erop te kloppen groter van oppervlakte maken.

Klopte uitUitgeklopt
UitknagenKnaagde uitUitgeknaagd
UitknijpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kneep uit, heeft uitgeknepen; uitknijping)
1 door knijpen van de inhoud ontdoen
2 knijpend naar buiten laten komen
3 uitbuiten.

In Spaans overeenkomend met: Exprimir
  sPersen
Uitdrukken
Uitpersen
Kneep uitUitgeknepen
UitknikkerenKnikkerde uitUitgeknikkerd
UitknippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knipte uit, heeft uitgeknipt; uitknipping)
1 met een schaar wegnemen uit
2 knippend vormen
3 met een knip van een schakelaar buiten werking stellen.

In Spaans overeenkomend met: Cortar al ras
Knipte uitUitgeknipt
UitknobbelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knobbelde uit, heeft uitgeknobbeld)
1 (informeel) uitzoeken.

Knobbelde uitUitgeknobbeld
UitknobelenKnobelde uitUitgeknobeld
UitknokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; knokte uit, heeft uitgeknokt)
1 uitvechten.

Knokte uitUitgeknokt
UitkokenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kookte uit, heeft uitgekookt)
1 door koken reinigen, zuiveren
2 door koken ontdoen van vet.

Kookte uitUitgekookt
UitkomenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; kwam uit, is uitgekomen)
1 openlijk toegeven.
(werkwoord; kwam uit, is uitgekomen)
1 als uitkomst krijgen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; kwam uit, is uitgekomen)
1 uit een ruimte naar buiten komen, tevoorschijn komen, terechtkomen
2 toegang geven
3 uitlopen, uitbotten
4 (van eieren) openbarsten zodat de jongen eruit kunnen
5 (van wandaden) bekend worden
6 juist blijken te zijn
7 (spel) spelen
8 verschijnen
9 eindigen, tot slot of resultaat hebben
10 rondkomen
11 gelegen komen
12 [[waarneembaar]] zijn.

In Spaans overeenkomend met: Brotar, Lanzar
Destacarse
Aparecer
Salir
Salir del huevo
Convenir, Ser conveniente
Desembocar
Resultar, Seguirse
  sAfsteken
Betamen
Gelegen komen
Ontkiemen
Opdagen
Opdraven
Opvallen
Passen
Resulteren
Schikken
Te voorschijn komen
Uit het ei komen
Uitgaan
Uitlopen
Uitmonden
Uitstappen
Uitstijgen
Uittreden
Verschijnen
Voegen
Volgen
Voortkomen
Voortspruiten
Voortvloeien
Kwam uitUitgekomen
UitkopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kocht uit, heeft uitgekocht; uitkoping)
1 door geld te geven losmaken van een verbintenis.

Kocht uitUitgekocht
UitkoterenKoterde uitUitgekoterd
UitkotsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kotste uit, heeft uitgekotst)
1 kotsend uitspugen
2 (iemand) met weerzin uitstoten, afstoten.

Kotste uitUitgekotst
UitkraaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kraaide uit, heeft uitgekraaid)
1 door kraaien uiten.

In Spaans overeenkomend met: Exclamar
  sEen kreet slaken
Uitkermen
Uitroepen
Kraaide uitUitgekraaid
UitkrabbenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; krabde uit, heeft uitgekrabd)
1 door krabben wegnemen uit.

Krabde uitUitgekrabd
UitkragenKraagde uitUitgekraagd
UitkramenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kraamde uit, heeft uitgekraamd; uitkraming)
1 luid verkondigen.

In Spaans overeenkomend met: Exponer
  sEtaleren
Tentoonspreiden
Uitstallen
Kraamde uitUitgekraamd
UitkrassenKraste uitUitgekrast
UitkrijgenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kreeg uit, heeft uitgekregen)
1 ten einde lezen.

In Spaans overeenkomend met: Quitar, Sacar
  sAfdoen
Afzetten
Uitdoen
Uittrekken
Kreeg uitUitgekregen
UitkrijsenKrijste uitUitgekrijst
UitkrijtenKreet uitUitgekreten
UitkristalliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[kristalliseerde]] uit, is uitgekristalliseerd; uitkristallisering)
1 zich in kristallen afscheiden
2 een vaste, uitgewerkte vorm aannemen.

Kristalliseerde uitUitgekristalliseerd
UitkuisenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; kuiste uit, heeft uitgekuist)
1 (in BelgiŽ; informeel) (de binnenkant van iets) schoonmaken
2 (in BelgiŽ; informeel) leegeten.

Kuiste uitUitgekuist
UitlachenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lachte uit, heeft uitgelachen)
1 door lachen bespotten.

In Spaans overeenkomend met: Burlarse
ReŪrse de
  sHonen
Spotten
Lachte uitUitgelachen
UitladenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; laadde uit, heeft uitgeladen; uitlader, uitlading)
1 (goederen) uit een voer- of vaartuig halen
2 (een vaar- of voertuig) van zijn lading ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Descargar
  sAfladen
Laadde uitUitgeladen
UitlangenLangde uitUitgelangd
UitlassenLaste uitUitgelast
UitlatenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; liet uit, heeft uitgelaten)
1 zijn mening zeggen, zich uiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; liet uit, heeft uitgelaten; uitlating)
1 naar buiten laten, laten vertrekken uit een bepaalde ruimte.

In Spaans overeenkomend met: Dejar salir
Desaprovechar
  sLoslaten
Lossen
Nalaten
Tappen
Verzaken
Verzuimen
Vieren
Weglaten
Liet uitUitgelaten
UitleggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; legde uit, heeft uitgelegd; uitlegger, uitlegging)
1 doen begrijpen
2 groter, langer of ruimer maken
3 leggend uitspreiden.

In Spaans overeenkomend met: Desarrollar
Desdoblar
Interpretar
Aclarar, Explicar
Alargar
  sBeduiden
Doortrekken
Duidelijk maken
Duiden
Interpreteren
Langer maken
Ophelderen
Rekken
Toelichten
Uiteenzetten
Uitrekken
Uittrekken
Verhelderen
Verklaren
Verlengen
Vertolken
Legde uitUitgelegd
UitleidenLeidde uitUitgeleid
UitlekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; lekte uit, is uitgelekt; uitlekking)
1 (van geheimen) zich verspreiden, bekend worden
2 drogen doordat het vocht er [[druppelsgewijs]] tussenuit valt.

In Spaans overeenkomend met: Susurrar, Trascender
Lekte uitUitgelekt
UitlenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leende uit, heeft uitgeleend; uitlener, uitlening)
1 aan iemand tijdelijk in gebruik geven.

In Spaans overeenkomend met: Adelantar, Dar en prťstamo
Prestar
  sLenen
Voorschieten
Leende uitUitgeleend
UitlepelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lepelde uit, heeft uitgelepeld)
1 met een lepel uitscheppen.

In Spaans overeenkomend met: Sacar con cuchara
Lepelde uitUitgelepeld
UitlevenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; leefde zich uit, heeft zich uitgeleefd; uitleving)
1 aan zijn lusten, neigingen of vermogens ten volle voldoen.

In Spaans overeenkomend met: Desmadrarse
Leefde uitUitgeleefd
UitleverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; leverde uit, heeft uitgeleverd; uitlevering)
1 overleveren aan de opeiser
2 (handel) (iets) afleveren.

Leverde uitUitgeleverd
UitlezenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; las uit, heeft uitgelezen; uitlezing)
1 ten einde lezen
2 de in een computer opgeslagen informatie ophalen en laten neerschrijven.

In Spaans overeenkomend met: Elegir, Escoger
  sKiezen
Uitkiezen
Uitpikken
Uitzoeken
Verkiezen
Las uitUitgelezen
UitlichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lichtte uit, heeft uitgelicht; uitlichting)
1 uit iets lichten
2 (film) zo belichten dat er geen schaduwen ontstaan.

In Spaans overeenkomend met: Arrebatar
  sUitnemen
Lichtte uitUitgelicht
UitlijnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lijnde uit, heeft uitgelijnd)
1 (autowielen) zodanig stellen dat ze in een recht spoor lopen
2 (techniek) in ťťn lijn brengen.

Lijnde uitUitgelijnd
UitlikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; likte uit, heeft uitgelikt)
1 door likken leegmaken
2 (van dieren) likkend zuiveren (wonden).

In Spaans overeenkomend met: RebaŮar
  sSchoonvegen
Likte uitUitgelikt
UitlogenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; loogde uit, heeft uitgeloogd; uitloging)
1 (oplosbare stoffen die in een substantie aanwezig zijn) door behandeling met een waterig [[oplosmiddel]] van de [[onoplosbare]] afscheiden
2 met loog reinigen.

In Spaans overeenkomend met: Lixiviar
Loogde uitUitgeloogd
UitloggenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; logde uit, heeft uitgelogd)
1 doorlopen van de procedure waarmee de verbinding met de computer wordt verbroken.

Logde uitUitgelogd
UitlokkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lokte uit, heeft uitgelokt; uitlokker, uitlokking)
1 iets van iemand gedaan weten te krijgen door een bepaalde handeling te verrichten.

In Spaans overeenkomend met: Evocar
Desafiar, Provocar, Retar
  sNaar buiten roepen
Provoceren
Tarten
Ten gevolge hebben
Tergen
Uitdagen
Uittarten
Lokte uitUitgelokt
UitloodsenLoodste uitUitgeloodst
UitlopenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; liep uit, is uitgelopen)
1 aflopen met een bepaald resultaat, gevolg.
([[onovergankelijk]] werkwoord; liep uit, is uitgelopen)
1 geleidelijk vaart verliezen en tot stilstand komen
2 uitbotten
3 uitmonden
4 (sport) een voorsprong nemen en vergroten
5 langer duren dan verwacht
6 naar het einde toe [[breder]] worden
7 (van schoeisel) [[wijder]] worden doordat erop [[gelopen]] wordt
8 door wrijving slijten en daardoor minder goed sluiten
9 een bepaald einde hebben
10 met een bepaald doel ergens heen gaan, lopen, varen
11 (van [[doelverdedigers]]) uit het doel komen
12 (van vloeistoffen) [[wegvloeien]] van waar zij behoren te zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord; liep uit, heeft uitgelopen)
1 ten einde lopen, helemaal lopen
2 (schoenen) [[wijder]] maken door erop te lopen.

In Spaans overeenkomend met: Lanzar
Culminar
Expirar, Terminarse
Salir
  sAflopen
Afrijden
Eindigen
Ontkiemen
Ophouden
Uitgaan
Uitkomen
Uitraken
Uitvaren
Verlopen
Wegrijden
Liep uitUitgelopen
UitlotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; lootte uit, heeft uitgeloot; uitloting)
1 (iemand) door loten uitsluiten
2 (een [[waardepapier]]) door loting selecteren.

Lootte uitUitgeloot
UitlovenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; loofde uit, heeft uitgeloofd; uitloving)
1 (een prijs, een beloning) openlijk beschikbaar stellen.

In Spaans overeenkomend met: Prometer
Ofrecer, Proponer
  sAanbieden
Beloven
Bieden
Toezeggen
Verzeggen
Voordragen
Voorslaan
Voorstellen
Loofde uitUitgeloofd
UitlozenLoosde uitUitgeloosd
UitluchtenIn Spaans overeenkomend met: Aventar, Ventilar
  sLuchten
Spuien
Ventileren
Wannen
Luchtte uitUitgelucht
UitluidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; luidde uit, heeft uitgeluid; uitluiding)
1 door [[klokgelui]] het einde aankondigen van
2 het einde vieren van
3 met [[klokgelui]] naar zijn laatste rustplaats begeleiden.

Luidde uitUitgeluid
UitluisterenLuisterde uitUitgeluisterd
UitmakenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; maakte uit, heeft uitgemaakt)
1 noemen.
([[overgankelijk]] werkwoord; maakte uit, heeft uitgemaakt)
1 beŽindigen
2 vormen, de genoemde vorm vertonen
3 het genoemde belang hebben
4 tot een bepaalde conclusie komen over
5 doven.

In Spaans overeenkomend met: Integrar
Tratar
Decidir, Decidirse
Apagar, Apagarse, Extinguir
Acabar, Terminar
Eliminar
Importar
Constituir
  sAfmaken
Afschaffen
Afsluiten
Beslissen
Besluiten
BeŽindigen
Blussen
Doven
Eindigen
Elimineren
Erg zijn
Opdoeken
Ter zake doen
Tezamen vormen
Uitblazen
Uitblussen
Uitdoen
Uitdoven
Uitschelden
Van belang zijn
Verwijderen
Voleindigen
Vormen
Wegdoen
Zich voornemen
Maakte uitUitgemaakt
UitmalenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; maalde uit, heeft uitgemalen; uitmaling)
1 uit iets of naar buiten malen
2 d.m.v. watermolens droogmaken.

Maalde uitUitgemalen
UitmelkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[molk]] uit, heeft uitgemolken)
1 alles, de [[kleinste]] details uit iets, iemand halen.

In Spaans overeenkomend met: Explotar
  sExploiteren
Uitbaten
Uitbuiten
Molk uitUitgemolken
UitmergelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mergelde uit, heeft uitgemergeld; uitmergeling)
1 de kracht onttrekken aan.

Mergelde uitUitgemergeld
UitmestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mestte uit, heeft uitgemest; uitmesting)
1 van mest reinigen
2 ontdoen van afval, rommel enz.

Mestte uitUitgemest
UitmetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mat uit, heeft uitgemeten; uitmeter, uitmeting)
1 door meten de grootte vaststellen.

In Spaans overeenkomend met: Medir, Tomar la medida
  sAfmeten
Meten
Opmeten
Opnemen
Roeien
Mat uitUitgemeten
UitmikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; mikte uit, heeft uitgemikt)
1 (informeel) uitkienen.

Mikte uitUitgemikt
UitmondenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; mondde uit, heeft/is uitgemond)
1 uitlopen op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; mondde uit, heeft/is uitgemond; uitmonding)
1 (van rivieren) uitkomen.

In Spaans overeenkomend met: Desembocar
  sUitkomen
Mondde uitUitgemond
UitmonsterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; monsterde uit, heeft uitgemonsterd; uitmonstering)
1 uitdossen.

In Spaans overeenkomend met: Guarnecer
  sAfzetten
Beslaan
Garneren
Stofferen
Monsterde uitUitgemonsterd
UitmoordenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; moordde uit, heeft uitgemoord; uitmoording)
1 al de inwoners, alle leden vermoorden.

Moordde uitUitgemoord
UitmuntenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; muntte uit, heeft uitgemunt; uitmunting)
1 anderen overtreffen.

In Spaans overeenkomend met: Aventajar, Superar
  sOvertreffen
Te boven gaan
Uitblinken
Voorbijstreven
Muntte uitUitgemunt
UitnemenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; nam uit, heeft uitgenomen; uitnemer, uitneming)
1 uit iets nemen.

In Spaans overeenkomend met: Arrebatar
  sUitlichten
Nam uitUitgenomen
UitnijpenNeep uitUitgenepen
UitnodenNoodde uitUitgenood
UitnodigenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; nodigde uit, heeft uitgenodigd)
1 verlokken tot.
([[overgankelijk]] werkwoord; nodigde uit, heeft uitgenodigd; uitnodiger)
1 het verzoek tot iemand richten ergens of bij iemand te komen, iets te doen enz.

In Spaans overeenkomend met: Invitar
  sInviteren
Noden
Vragen
Nodigde uitUitgenodigd
UitoefenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; oefende uit, heeft uitgeoefend; uitoefening)
1 in praktijk brengen
2 van zich laten uitgaan, laten gelden.

In Spaans overeenkomend met: Practicar
Ejercer
  sBeoefenen
Betrachten
In de praktijk brengen
Werkzaam zijn
Oefende uitUitgeoefend
UitpakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; uitpakker, uitpakking)
1 (pakte uit, is uitgepakt) aflopen
2 (pakte uit, heeft uitgepakt) royaal voor de dag komen, veel werk maken om gasten te plezieren
3 (pakte uit, heeft uitgepakt) zijn gemoed luchten.
([[overgankelijk]] werkwoord; pakte uit, heeft uitgepakt)
1 uit de verpakking nemen
2 van zijn inhoud ontdoen
3 unzippen.

In Spaans overeenkomend met: Desempacar, Desempaquetar
Pakte uitUitgepakt
UitpalmenPalmde uitUitgepalmd
UitpeinzenPeinsde uitUitgepeinsd
UitpellenIn Spaans overeenkomend met: Enuclear
Pelde uitUitgepeld
UitpennenPende uitUitgepend
UitpersenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; perste uit, heeft uitgeperst; uitpersing)
1 door persen van vocht ontdoen
2 door persen naar buiten laten komen
3 uitbuiten, afpersen.

In Spaans overeenkomend met: Estrujar, Prensar
Exprimir
  sPersen
Samendrukken
Uitdrukken
Uitknijpen
Perste uitUitgeperst
UitpeuterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; peuterde uit, heeft uitgepeuterd)
1 door peuteren reinigen.

Peuterde uitUitgepeuterd
UitpikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pikte uit, heeft uitgepikt; uitpikking)
1 (van vogels) pikkend wegnemen uit.

In Spaans overeenkomend met: Elegir, Escoger
  sKiezen
Uitkiezen
Uitlezen
Uitzoeken
Verkiezen
Pikte uitUitgepikt
UitplaatsenPlaatste uitUitgeplaatst
UitplantenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; plantte uit, heeft uitgeplant)
1 over zekere oppervlakte planten.

Plantte uitUitgeplant
UitploegenPloegde uitUitgeploegd
UitpluizenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ploos uit, heeft uitgeplozen; uitpluizing)
1 iets dat min of meer verward is tot [[klaarheid]] brengen.

Ploos uitUitgeplozen
UitplukkenPlukte uitUitgeplukt
UitplunderenIn Spaans overeenkomend met: Despojar, Privar
  sBeroven
Plunderde uitUitgeplunderd
UitplussenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pluste uit, heeft uitgeplust)
1 (informeel) nauwkeurig uitzoeken.

Pluste uitUitgeplust
UitpoepenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; poepte uit, heeft uitgepoept)
1 poepen.

Poepte uitUitgepoept
UitpoetsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; poetste uit, heeft uitgepoetst)
1 (schoenen) na het insmeren met schoensmeer door wrijven glanzend maken
2 wegvegen.

Poetste uitUitgepoetst
UitpompenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pompte uit, heeft uitgepompt)
1 door pompen leegmaken
2 door pompen naar buiten brengen of verwijderen.

Pompte uitUitgepompt
UitpondenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; pondde uit, heeft uitgepond; uitponding)
1 splitsen en per stuk verkopen.

Pondde uitUitgepond
UitpotenPootte uitUitgepoot
UitpratenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; praatte uit, is uitgepraat)
1 ten einde praten.
([[overgankelijk]] werkwoord; praatte uit, heeft uitgepraat)
1 door praten tot een oplossing brengen.

Praatte uitUitgepraat
UitproberenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; probeerde uit, heeft uitgeprobeerd)
1 (informeel) door te proberen onderzoeken.

In Spaans overeenkomend met: Ensayar, Intentar, Probar
  sAanpassen
Beproeven
Passen
Proberen
Testen
Toetsen
Probeerde uitUitgeprobeerd
UitproestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Proestte uitUitgeproest
UitpuffenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; pufte uit, is uitgepuft)
1 (informeel) uitblazen om uit te rusten.

Pufte uitUitgepuft
UitpuilenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; puilde uit, heeft/is uitgepuild; uitpuiling)
1 bol naar buiten uitsteken.

Puilde uitUitgepuild
UitpurenPuurde uitUitgepuurd
UitputtenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; putte uit, heeft uitgeput)
1 bij herhaling uiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; putte uit, heeft uitgeput; uitputting)
1 opmaken, legen door er telkens iets van af te nemen
2 slopen, van zijn krachten beroven.

In Spaans overeenkomend met: Agotar, Debilitarse
Debilitar
  sOpgebruiken
Putten uit
Slap maken
Slap worden
Verzwakken
Putte uitUitgeput
UitpuzzelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; puzzelde uit, heeft uitgepuzzeld)
1 (informeel) proberen te verklaren, te vinden.

Puzzelde uitUitgepuzzeld
UitrafelenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rafelde uit, heeft uitgerafeld; uitrafeling)
1 in rafels uiteengaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; rafelde uit, heeft uitgerafeld)
1 rafelen, uitpluizen.

In Spaans overeenkomend met: Deshebrar, Deshilar, Desmenuzar, Hacer tiras
  sVerbrokkelen
Verkruimelen
Rafelde uitUitgerafeld
UitrakenIn Spaans overeenkomend met: Expirar, Terminarse
  sAflopen
Eindigen
Ophouden
Uitgaan
Uitlopen
Verlopen
Raakte uitUitgeraakt
UitrangerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rangeerde uit, heeft uitgerangeerd)
1 door rangeren buiten het doorgaande spoor brengen
2 op non-actief stellen, terzijde schuiven.

Rangeerde uitUitgerangeerd
UitrapenRaapte uitUitgeraapt
UitrazenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; raasde uit, heeft/is uitgeraasd)
1 ten einde razen, uitwoeden.

In Spaans overeenkomend met: Calmarse, Sosegarse
  sBekoelen
Luwen
Tot rust komen
Uitwoeden
Raasde uitUitgeraasd
UitredenReedde uitUitgereed
UitregenenRegende uitUitgeregend
UitreikenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; reikte uit, heeft uitgereikt; uitreiking)
1 uitdelen, officieel overhandigen.

In Spaans overeenkomend met: Repartir
Procurar
  sRonddelen
Rondgeven
Uitdelen
Verdelen
Verschaffen
Verstrekken
Reikte uitUitgereikt
UitrekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rekende uit, heeft uitgerekend; uitrekening)
1 door rekenen vinden.

In Spaans overeenkomend met: Sacar por cŠlculo
Calcular, Contar
Computar
  sBecijferen
Berekenen
Calculeren
Meerekenen
Rekenen
Tellen
Rekende uitUitgerekend
UitrekkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rekte uit, is uitgerekt; uitrekking)
1 langer worden.
([[overgankelijk]] werkwoord; rekte uit, heeft uitgerekt)
1 door trekken of strekken langer, [[breder]] maken.

In Spaans overeenkomend met: Estirar
Alargar
Amartillar, Atirantar, Dar cuerda, Tensar
  sDoortrekken
Langer maken
Nauwer aanhalen
Opwinden
Rekken
Spannen
Strekken
Uitleggen
Uittrekken
Verlengen
Rekte uitUitgerekt
UitrennenRende uitUitgerend
UitrichtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; richtte uit, heeft uitgericht)
1 ten uitvoer brengen
2 iets op zijn juiste plaats brengen.

In Spaans overeenkomend met: Hacer
  sAanmaken
Bedrijven
Doen
Maken
Uitbrengen
Uitvoeren
Richtte uitUitgericht
UitrijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; reed uit, is uitgereden)
1 rijdend weggaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; reed uit, heeft uitgereden)
1 rijdend voltooien.

In Spaans overeenkomend met: Salir
Reed uitUitgereden
UitrijzenRees uitUitgerezen
UitroeienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; roeide uit, heeft uitgeroeid; uitroeier, uitroeiing)
1 op grote schaal vernietigen.

In Spaans overeenkomend met: Erradicar, Exterminar, Masacrar
  sEen slachting aanrichten
Verdelgen
Roeide uitUitgeroeid
UitroepenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; riep uit, heeft uitgeroepen)
1 de genoemde kwalificatie openlijk opdragen aan.
([[overgankelijk]] werkwoord; riep uit, heeft uitgeroepen; uitroeper, uitroeping)
1 roepend uiten
2 afkondigen.

In Spaans overeenkomend met: Exclamar
  sEen kreet slaken
Uitkermen
Uitkraaien
Riep uitUitgeroepen
UitrokenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rookte uit, heeft uitgerookt; uitroking)
1 door roken verdrijven, uit zijn schuilplaats jagen
2 door roken zuiveren, ontsmetten.

Rookte uitUitgerookt
UitrollenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; rolde uit, heeft uitgerold; uitrolling)
1 losrollen, openrollen
2 met een rol, door rollen uitspreiden
3 (een nieuwe [[computerprogramma]], nieuwe technologie) introduceren in de markt.

In Spaans overeenkomend met: Adelgazar
Desenvolver
  sAfwikkelen
Dun maken
Ontrollen
Rolde uitUitgerold
UitrondenRondde uitUitgerond
UitrottenRotte uitUitgerot
UitruilenRuilde uitUitgeruild
UitruimenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ruimde uit, heeft uitgeruimd; uitruiming)
1 (een kamer, een kast) leeghalen.

Ruimde uitUitgeruimd
UitrukkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rukte uit, is uitgerukt; uitrukking)
1 (van troepen en andere korpsen) naar buiten rukken om dienst te doen.
([[overgankelijk]] werkwoord; rukte uit, heeft uitgerukt)
1 met geweld trekkend verwijderen uit.

In Spaans overeenkomend met: Arrancar
  sAfbreken
Afplukken
Afrukken
Plukken
Uittrekken
Wegscheuren
Rukte uitUitgerukt
UitrustenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; rustte uit, heeft/is uitgerust)
1 rusten tot men niet moe meer is.
([[overgankelijk]] werkwoord; rustte uit, heeft uitgerust)
1 van het nodige voorzien.

In Spaans overeenkomend met: Equipar
Relajarse
Descansar
  sToerusten
Rustte uitUitgerust
UitschakelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schakelde uit, heeft uitgeschakeld; uitschakeling)
1 door het omzetten van een schakelaar stilleggen
2 in een positie of toestand brengen waardoor het object niet meer kan werken, niet meer kan meedoen.

In Spaans overeenkomend met: Apagar
Desconectar
Eliminar
Cortar, Desactivar
  sDeactiveren
Wegwerken
Schakelde uitUitgeschakeld
UitschaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Schaterde uitUitgeschaterd
UitscheidenIn de betekenis van: Naar buiten afscheiden

  sAflaten
Ophouden
Stoppen
Wijken
Scheidde uitUitgescheiden
UitscheidenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[schee]] uit, is uitgescheeŽn)
1 (informeel) ophouden.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheidde uit, heeft uitgescheiden)
1 naar buiten afscheiden.

In Spaans overeenkomend met: Cesar
  sAflaten
Ophouden
Stoppen
Wijken
Scheidde uit, Scheed uitUitgescheiden, Uitgescheden
UitscheldenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schold uit, heeft uitgescholden)
1 scheldwoorden toevoegen.

In Spaans overeenkomend met: Insultar a, Tratar
  sUitmaken
Schold uitUitgescholden
UitschenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schonk uit, heeft uitgeschonken; uitschenking)
1 (een vloeistof) schenken.

Schonk uitUitgeschonken
UitscheppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schepte uit, heeft uitgeschept; uitschepping)
1 door scheppen legen.

Schepte uitUitgeschept
UitscherenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoor uit, heeft uitgeschoren)
1 haar afscheren van.

Schoor uitUitgeschoren
UitscheurenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; scheurde uit, is uitgescheurd; uitscheuring)
1 scheurend van elkaar gaan, verder opengaan.
([[overgankelijk]] werkwoord; scheurde uit, heeft uitgescheurd)
1 scheurend wegnemen, uithalen.

Scheurde uitUitgescheurd
UitschietenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; schoot uit, is uitgeschoten)
1 een onbedoelde plotselinge beweging maken
2 heftig uitvallen
3 (scheepvaart) (van de wind) plotseling harder worden
4 uitlopen, uitspruiten.
([[overgankelijk]] werkwoord; schoot uit, heeft uitgeschoten)
1 (ook absoluut) (de bal) het veld intrappen
2 door schieten wegnemen
3 naar buiten gooien, vieren.

In Spaans overeenkomend met: Abotonar
Saltar
  sBotten
Losspringen
Spruiten
Uitbotten
Uitspruiten
Schoot uitUitgeschoten
UitschiftenSchiftte uitUitgeschift
UitschijnenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

Scheen uitUitgeschenen
UitschijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; scheet uit, heeft uitgescheten)
1 (vulgair) poepen
2 (vulgair) uitkotsen.

Scheet uitUitgescheten
UitschilderenIn Spaans overeenkomend met: Pintar
  sAfschilderen
Schilderen
Verven
Schilderde uitUitgeschilderd
UitschitterenIn Spaans overeenkomend met: Dominar
  sBedwingen
Beheersen
Domineren
Overheersen
Schitterde uitUitgeschitterd
UitschoppenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schopte uit, heeft uitgeschopt)
1 door schoppen van de voet doen.

Schopte uitUitgeschopt
UitschrabbenSchrabde uitUitgeschrabd
UitschrapenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schraapte uit, heeft uitgeschraapt; uitschraping)
1 schrapend verwijderen uit, resp. ontdoen van.

Schraapte uitUitgeschraapt
UitschrappenSchrapte uitUitgeschrapt
UitschreeuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreeuwde uit, heeft uitgeschreeuwd)
1 heel hard schreeuwen.

Schreeuwde uitUitgeschreeuwd
UitschreienSchreide uitUitgeschreid
UitschrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schreef uit, heeft uitgeschreven; uitschrijver, uitschrijving)
1 ten einde, volledig schrijven
2 bekendmaken dat iets plaats zal of moet hebben
3 schrappen uit een [[bevolkingsregister]] of als lidmaat van een kerk
4 invullen en/of ondertekenen ter betaling.

In Spaans overeenkomend met: Convocar
Lanzar
Organizar
Escribir
  sBijeenroepen
Convoceren
Lanceren
Neerschrijven
Ontketenen
Oproepen
Organiseren
Regelen
Van stapel laten lopen
Schreef uitUitgeschreven
UitschrobbenSchrobde uitUitgeschrobd
UitschuddenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schudde uit, heeft uitgeschud; uitschudding)
1 door schudden leegmaken
2 (iemand) veel geld afhandig maken.

In Spaans overeenkomend met: Despojar, Saquear
  sAfstropen
Schudde uitUitgeschud
UitschuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; schoof uit, heeft uitgeschoven)
1 naar buiten schuiven
2 door uit elkaar te schuiven vergroten.

In Spaans overeenkomend met: Adelantar
  sUitsteken
Schoof uitUitgeschoven
UitschulpenSchulpte uitUitgeschulpt
UitschurenIn Spaans overeenkomend met: Frotar
  sBoenen
Schuurde uitUitgeschuurd
UitschuttenSchutte uitUitgeschut
UitselecterenSelecteerde uitUitgeselecteerd
UitserverenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; serveerde uit, heeft uitgeserveerd)
1 (een gerecht) vanaf een schaal of schotel opdienen
2 (sport) (een partij, spel) door een gelukte opslag beŽindigen.

Serveerde uitUitgeserveerd
UitslaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sloeg uit, is uitgeslagen)
1 bedekt worden met aanslag, uitslag.
([[overgankelijk]] werkwoord; sloeg uit, heeft uitgeslagen)
1 naar buiten, van zich af slaan
2 door slaan uitdrijven, losmaken, beroven van
3 door slaan zuiveren
4 door slaan uitbreiden, dun en plat maken
5 uiten.

In Spaans overeenkomend met: Echar ((vonken),(chispas))
Sloeg uitUitgeslagen
UitslapenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sliep uit, heeft/is uitgeslapen; uitslaper)
1 slapen tot men uitgerust is.
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Dormir mŠs de la cuenta
Dormir
  sMaffen
Pitten
Slapen
Sliep uitUitgeslapen
UitslepenSleepte uitUitgesleept
UitsliepenSliepte uitUitgesliept
UitslijpenSleep uitUitgeslepen
UitslijtenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sleet uit, is uitgesleten; uitslijting)
1 door slijten een holte krijgen.
([[overgankelijk]] werkwoord; sleet uit, heeft uitgesleten)
1 door slijten doen verdwijnen of hol doen worden.

In Spaans overeenkomend met: Desgastarse
  sAfslijten
Doorslijten
Slijten
Verslijten
Sleet uitUitgesleten
UitslingerenSlingerde uitUitgeslingerd
UitslorpenSlorpte uitUitgeslorpt
UitslovenALLE betekenissen van dit woord:
(wederkerend werkwoord; sloofde zich uit, heeft zich uitgesloofd; uitslover)
1 zich overdreven inspannen.

Sloofde uitUitgesloofd
UitsluitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sloot uit, heeft uitgesloten; uitsluiting)
1 van deelname, uit een kring weren
2 onmogelijk maken.

In Spaans overeenkomend met: Desechar, Excluir
Eliminar
  sAfwijzen
Buitensluiten
Verwerpen
Sloot uitUitgesloten
UitslurpenSlurpte uitUitgeslurpt
UitsmedenSmeedde uitUitgesmeed
UitsmeltenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smolt uit, heeft uitgesmolten; uitsmelter, uitsmelting)
1 (metaal) bij hoge temperatuur uit erts winnen.

Smolt uitUitgesmolten
UitsmerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; smeerde uit, heeft uitgesmeerd; uitsmering)
1 smerend uitspreiden.

In Spaans overeenkomend met: Extender
Smeerde uitUitgesmeerd
UitsmijtenIn Spaans overeenkomend met: Arrojar, Eyacular, Tirar
  sGooien
Smijten
Uitgooien
Uitwerpen
Smeet uitUitgesmeten
UitsnijdenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; sneed uit, heeft uitgesneden; uitsnijder, uitsnijding)
1 (kleding) door knippen uit een lap stof vormen
2 door snijden vormen
3 (vlees) klaarmaken voor de verkoop.

In Spaans overeenkomend met: Tallar
  sWegsteken
Sneed uitUitgesneden
UitsnuitenSnoot uitUitgesnoten
UitsoppenSopte uitUitgesopt
UitspannenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spande uit, heeft uitgespannen; uitspanning)
1 (een paard) uit het gareel losmaken.

Spande uitUitgespannen
UitsparenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spaarde uit, heeft uitgespaard; uitsparing)
1 besparen
2 openlaten.

In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar
  sBesparen
Bezuinigen
Sparen
Uitwinnen
Uitzuinigen
Spaarde uitUitgespaard
UitspattenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spatte uit, heeft uitgespat; uitspatting)
1 losbandig zijn.

In Spaans overeenkomend met: Desbordarse, Ir de juerga
  sAan de rol zijn
Boemelen
Brassen
Slempen
Zwijnen
Spatte uitUitgespat
UitspelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; speelde uit, heeft uitgespeeld)
1 ten einde spelen
2 (de eerste kaart in een slag) spelen
3 (sport) (een tegenstander) uitschakelen door middel van een dribbel of een pass.

In Spaans overeenkomend met: Echar, Lanzar
  sGooien
Keilen
Smijten
Wegslingeren
Wegwerpen
Werpen
Speelde uitUitgespeeld
UitspellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spelde uit, heeft uitgespeld)
1 zeer nauwkeurig lezen.

Spelde uitUitgespeld
UitspinnenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; spon uit, is uitgesponnen; uitspinning)
1 veel opleveren bij het spinnen.
([[overgankelijk]] werkwoord; spon uit, heeft uitgesponnen)
1 erg lang maken door tot de [[kleinste]] [[bijzonderheden]] af te dalen.

Spon uitUitgesponnen
UitspittenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spitte uit, heeft uitgespit)
1 spittend uithalen
2 (informeel) zeer gedetailleerd onderzoeken.

Spitte uitUitgespit
UitsplitsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; splitste uit, heeft uitgesplitst; uitsplitsing)
1 in onderdelen uit elkaar halen.

Splitste uitUitgesplitst
UitspoelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spoelde uit, heeft uitgespoeld; uitspoeling)
1 spoelend reinigen, van zeep ontdoen
2 spoelend uithollen.

Spoelde uitUitgespoeld
UitspokenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spookte uit, heeft uitgespookt)
1 (informeel) (iets [[ongeoorloofds]]) uitvoeren.

Spookte uitUitgespookt
UitspreidenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spreidde uit, heeft uitgespreid; uitspreiding)
1 in zijn volle grootte uitleggen
2 spreiden.

In Spaans overeenkomend met: Diseminar, Esparcir
Desenvolver, Extender, Tender
  sOntvouwen
Spreiden
Verdelen
Spreidde uitUitgespreid
UitsprekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprak uit, is uitgesproken; uitspreking)
1 ten einde spreken.
([[overgankelijk]] werkwoord; sprak uit, heeft uitgesproken)
1 in [[spraakklanken]] weergeven
2 verwoorden
3 bekendmaken.
(wederkerend werkwoord; sprak zich uit, heeft zich uitgesproken)
1 zich verklaren, een uitspraak doen.

In Spaans overeenkomend met: Echar ((rede),(discurso, oraciůn)), Proferir, Pronunciar
Emitir
Enunciar, Expresar, Sentenciar ((mening),(opiniůn))
  sBetuigen
Opperen
Spreken
Uitdrukken
Uiten
Verwoorden
Sprak uitUitgesproken
UitspringenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sprong uit, is uitgesprongen; uitspringing)
1 naar buiten, vooruitsteken.

In Spaans overeenkomend met: Sobresalir
  sUitstaan
Uitsteken
Vooruitspringen
Vooruitsteken
Sprong uitUitgesprongen
UitspruitenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; sproot uit, is uitgesproten; uitspruiting)
1 als een spruit naar buiten, uit de grond komen.

In Spaans overeenkomend met: Abotonar
  sBotten
Spruiten
Uitbotten
Uitschieten
Sproot uitUitgesproten
UitspugenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spoog uit/spuugde uit, heeft uitgespogen/uitgespuugd)
1 (informeel) uitspuwen.

In Spaans overeenkomend met: Escupir
  sSpugen
Spuwen
Spuugde uit, Spoog uitUitgespuugd, Uitgespogen
UitspuitenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; uitspuiting)
∂ alleen in verbindingen.

Spoot uitUitgespoten
UitspuwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; spuwde uit, heeft uitgespuwd; uitspuwing)
1 door de mond naar buiten werpen.

Spuwde uitUitgespuwd
UitstaanALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stond uit, heeft uitgestaan)
1 naar buiten staan
2 (van geld e.d.) tegen [[rente]] uitgeleend zijn, uitgezet zijn.
([[overgankelijk]] werkwoord)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Sobresalir
Aguantar hasta el fin
Padecer, Sufrir
  sDoorstaan
Dulden
Harden
Lijden
Lijden aan
Ondergaan
Uithouden
Uitspringen
Uitsteken
Velen
Verdragen
Vooruitspringen
Vooruitsteken
Stond uitUitgestaan
UitstallenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stalde uit, heeft uitgestald; uitstalling)
1 ten toon leggen voor de verkoop, voor bezichtiging.

In Spaans overeenkomend met: Impresionar
Exhibir, Presentar
Exponer
  sBelichten
Etaleren
Tentoonspreiden
Tentoonstellen
Uitbrengen
Uiteenzetten
Uitkramen
Stalde uitUitgestald
UitstamelenStamelde uitUitgestameld
UitstampenStampte uitUitgestampt
UitstappenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stapte uit, is uitgestapt)
1 uit een voertuig stappen, niet verder meegaan.

In Spaans overeenkomend met: Salir
Bajar
Apearse, Bajarse ((auto),(coche))
Descender
Bajar
  sAfdalen
Afgaan
Afstappen
Dalen
Naar beneden gaan
Neerdalen
Uitgaan
Uitkomen
Uitstijgen
Uittreden
Zinken
Stapte uitUitgestapt
UitstekenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; stak uit, heeft uitgestoken)
1 overtreffen.
([[onovergankelijk]] werkwoord; stak uit, heeft uitgestoken)
1 naar buiten steken.
([[overgankelijk]] werkwoord; stak uit, heeft uitgestoken)
1 uit iets steken, laten staan of hangen
2 verwijderen door te steken
3 (in BelgiŽ; informeel) uithalen, uitspoken.

In Spaans overeenkomend met: Sobresalir
Adelantar
Extender, Tender
Enarbolar ((vlag),(bandera))
  sHijsen
Ophouden
Planten
Rekken
Strekken
Uitbreiden
Uitschuiven
Uitspringen
Uitstaan
Uitstrekken
Vergroten
Vooruitspringen
Vooruitsteken
Wijder maken
Stak uitUitgestoken
UitstellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stelde uit, heeft uitgesteld; uitsteller, uitstelling)
1 voorlopig nalaten, verschuiven tot later.

In Spaans overeenkomend met: Posponer
Demorar, Retrasar
Aplazar, Diferir
  sAanhouden
Verdagen
Verschuiven
Vertragen
Stelde uitUitgesteld
UitstervenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stierf uit, is uitgestorven; uitsterving)
1 (van een geslacht, een diersoort) door de dood van de laatste vertegenwoordiger zijn bestaan eindigen.

In Spaans overeenkomend met: Extinguirse
Stierf uitUitgestorven
UitstijgenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; steeg uit, is uitgestegen)
1 uitsteken boven.
([[onovergankelijk]] werkwoord; steeg uit, is uitgestegen)
1 (formeel) uitstappen.

In Spaans overeenkomend met: Salir
  sUitgaan
Uitkomen
Uitstappen
Uittreden
Steeg uitUitgestegen
UitstippelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stippelde uit, heeft uitgestippeld; uitstippeling)
1 voorlopig, in grote lijnen aangeven.

In Spaans overeenkomend met: Abocetar, Bosquejar, Esbozar
  sOntwerpen
Schetsen
Stippelde uitUitgestippeld
UitstoelenStoelde uitUitgestoeld
UitstoffenStofte uitUitgestoft
UitstomenIn Spaans overeenkomend met: Lavar en seco
  sStomen
Stoomde uitUitgestoomd
UitstortenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stortte uit, heeft uitgestort; uitstorting)
1 stortend ledigen
2 uiten, openbaren.

In Spaans overeenkomend met: Volcar
Stortte uitUitgestort
UitstotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stiet uit, heeft uitgestoten; uitstoting)
1 verstoten, uit een kring, een gemeenschap verdrijven
2 met kracht of hortend uiten
3 door, met stoten verwijderen uit.

In Spaans overeenkomend met: Lanzar
  sDoen horen
Stootte uit, Stiet uitUitgestoten
UitstralenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; straalde uit, heeft/is uitgestraald; uitstraling)
1 als stralen uitgaan van.
([[overgankelijk]] werkwoord; straalde uit, heeft uitgestraald)
1 als stralen verspreiden
2 op duidelijke wijze tonen.

In Spaans overeenkomend met: Irradiar
Emanar
  sEmaneren
Straalde uitUitgestraald
UitstrekkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; strekte uit, heeft uitgestrekt)
1 gelden.
([[overgankelijk]] werkwoord; strekte uit, heeft uitgestrekt; uitstrekking)
1 geheel gestrekt doen zijn.
(wederkerend werkwoord; strekte zich uit, heeft zich uitgestrekt)
1 de genoemde lengte of oppervlakte beslaan.

In Spaans overeenkomend met: Extender, Tender
  sOphouden
Rekken
Strekken
Uitbreiden
Uitsteken
Vergroten
Wijder maken
Strekte uitUitgestrekt
UitstrijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; streek uit, heeft uitgestreken; uitstrijking)
1 strijkend uiteen doen gaan, verspreiden over een oppervlak
2 spreiden over een [[langere]] termijn.

Streek uitUitgestreken
UitstromenStroomde uitUitgestroomd
UitstrooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; strooide uit, heeft uitgestrooid; uitstrooiing)
1 strooiend verspreiden.

Strooide uitUitgestrooid
UitstuffenStufte uitUitgestuft
UitstulpenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; stulpte uit, is uitgestulpt; uitstulping)
1 op een beperkte plaats buiten zijn vorm of grens treden.

Stulpte uitUitgestulpt
UitsturenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; stuurde uit, heeft uitgestuurd; uitsturing)
1 naar buiten sturen.

In Spaans overeenkomend met: Despachar, Despedir, Enviar, Expedir
  sAfzenden
Versturen
Verzenden
Wegsturen
Wegzenden
Stuurde uitUitgestuurd
UittandenTandde uitUitgetand
UittappenTapte uitUitgetapt
UittartenIn Spaans overeenkomend met: Desafiar, Provocar, Retar
  sProvoceren
Tarten
Tergen
Uitdagen
Uitlokken
Tartte uitUitgetart
UittekenenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tekende uit, heeft uitgetekend; uittekening)
1 in tekening afbeelden.

In Spaans overeenkomend met: Dibujar
  sAftekenen
Schetsen
Tekenen
Trekken
Tekende uitUitgetekend
UittellenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; telde uit, heeft uitgeteld; uittelling)
1 uitbetalen
2 (een bokser) verklaren tot verliezer van de partij door tot tien te tellen voor hij weer op de been is na neergeslagen te zijn
3 ten einde tellen.

Telde uitUitgeteld
UitterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; teerde uit, is uitgeteerd; uittering)
1 sterk vermageren.
([[overgankelijk]] werkwoord; teerde uit, heeft uitgeteerd)
1 sterk doen vermageren.

In Spaans overeenkomend met: Languidecer
  sKwijnen
Vervallen
Wegkwijnen
Teerde uitUitgeteerd
UittestenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; testte uit, heeft uitgetest)
1 proberen of iets functioneert.

Testte uitUitgetest
UittijgenToog uitUitgetogen
UittikkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; tikte uit, heeft uitgetikt)
1 uittypen.

Tikte uitUitgetikt
UittillenTilde uitUitgetild
UittorenenTorende uitUitgetorend
UittrappenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; trapte uit, heeft uitgetrapt)
1 (ook absoluut) (van keepers) (de bal) wegschieten van de grond of uit de hand
2 trappend uitdoen
3 door trappen doven
4 (de bal) trappend uit het speelveld werken bij voetbal.

Trapte uitUitgetrapt
UittredenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; trad uit, is uitgetreden; uittreding)
1 uit iets naar buiten treden, een kring van personen verlaten
2 (van de ziel) buiten het lichaam treden.

In Spaans overeenkomend met: Darse de baja, Dimitir, Hacer dimisiůn
Salir
  sAftreden
Bedanken
Uitgaan
Uitkomen
Uitstappen
Uitstijgen
Trad uitUitgetreden
UittrekkenALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; trok uit, heeft uitgetrokken)
1 (tijd, geld) bestemmen en beschikbaar stellen voor een bepaald doel.
([[overgankelijk]] werkwoord; trok uit, heeft uitgetrokken)
1 (kleren) uitdoen
2 door trekken verwijderen
3 onttrekken aan, een aftreksel maken van
4 al trekkend langer maken
5 naar buiten trekken
6 een uittreksel maken van.

In Spaans overeenkomend met: Extraer
Quitar, Sacar
Destinar
Arrancar
Quitarse
Emigrar
Alargar
  sAfbreken
Afdoen
Afplukken
Afrukken
Afzetten
Bestemmen
Doortrekken
Emigreren
Langer maken
Plukken
Rekken
Uitdoen
Uithalen
Uitkrijgen
Uitleggen
Uitrekken
Uitrukken
Uitwijken
Verlengen
Wegscheuren
Trok uitUitgetrokken
UittrompettenTrompette uitUitgetrompet
UittrouwenTrouwde uitUitgetrouwd
UittypenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; typte uit, heeft uitgetypt)
1 in [[machineschrift]] uitwerken.

Typte uitUitgetypt
UitvaardigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vaardigde uit, heeft uitgevaardigd; uitvaardiging)
1 als bevel of voorschrift van zich laten uitgaan.

In Spaans overeenkomend met: Denunciar
Promulgar
Proclamar
  sAfkondigen
Proclameren
Verkondigen
Vaardigde uitUitgevaardigd
UitvagenVaagde uitUitgevaagd
UitvallenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; viel uit, is uitgevallen; uitvaller)
1 (van de belegerden) een aanval op de [[belegeraars]] doen
2 plotseling uitvaren, zich heftig uiten
3 losgaande vallen uit
4 wegvallen
5 de genoemde afloop, het genoemde resultaat hebben.

In Spaans overeenkomend met: Caerse, Desprenderse
Saltar
Desistir, Renunciar
Resultar
  sAfstand doen van
Afvallen
Afvallig worden
Opgeven
Uitvaren
Viel uitUitgevallen
UitvangenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; ving uit, heeft uitgevangen)
1 bij honkbal, softbal, (de slagman) uitschakelen door diens slagbal te vangen voor deze de grond heeft geraakt.

Ving uitUitgevangen
UitvarenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 (voer uit, is uitgevaren) zich woedend uiten
2 (voer uit, heeft/is uitgevaren) wegvaren naar zee, de reis beginnen.

In Spaans overeenkomend met: Salir
Saltar
  sAfrijden
Uitlopen
Uitvallen
Wegrijden
Voer uitUitgevaren
UitvechtenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vocht uit, heeft uitgevochten)
1 door vechten beslissen, uitmaken.

Vocht uitUitgevochten
UitvegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; veegde uit, heeft uitgeveegd)
1 door vegen reinigen
2 door vegen verwijderen.

In Spaans overeenkomend met: Borrar
  sUitwissen
Veegde uitUitgeveegd
UitvenenVeende uitUitgeveend
UitventenVentte uitUitgevent
UitverdedigenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; verdedigde uit, heeft uitverdedigd)
1 (sport) een aanval van de tegenpartij zo onderbreken dat men onmiddellijk aan een tegenaanval kan beginnen.

Verdedigde uitUitverdedigd
UitvergrotenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vergrootte uit, heeft uitvergroot; uitvergroting)
1 vergroot afbeelden.

Vergrootte uitUitvergroot
UitverkiezenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; verkoos uit, heeft uitverkozen; uitverkiezing)
1 verkiezen boven anderen.

Verkoos uitUitverkoren™, Uitverkozen
UitverkopenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; verkocht uit, heeft uitverkocht)
1 alles verkopen, de voorraad opruimen.

Verkocht uitUitverkocht
UitvertellenVertelde uitUitverteld
UitveterenVeterde uitUitgeveterd
UitvezelenVezelde uitUitgevezeld
UitvierenVierde uitUitgevierd
UitvindenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vond uit, heeft uitgevonden; uitvinding)
1 voor het eerst vinden hoe iets gemaakt, bewerkt kan worden
2 te weten komen.

In Spaans overeenkomend met: Descubrir, Desvelar, Poner de manifiesto
Inventar
  sUitvorsen
Vond uitUitgevonden
UitvissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; viste uit, heeft uitgevist)
1 (informeel) na onderzoek achter iets komen.

In Spaans overeenkomend met: Averiguar
Examinar, Explorar
  sExploreren
Nagaan
Navragen
Onderzoeken
Te weten komen
Uitvorsen
Uitzoeken
Verkennen
Vorsen
Viste uitUitgevist
UitvlaggenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord, ook absoluut; vlagde uit, heeft uitgevlagd)
1 (schepen) onder een [[goedkopere]] buitenlandse vlag laten varen.

Vlagde uitUitgevlagd
UitvlakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vlakte uit, heeft uitgevlakt; uitvlakking)
1 (informeel) uitgummen.

Vlakte uitUitgevlakt
UitvliegenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vloog uit, is uitgevlogen)
1 naar buiten, uit nest of hok vliegen
2 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) plotseling agressief spreken, uitvallen.

In Spaans overeenkomend met: Huir volando
  sVertrekken
Vervliegen
Wegvliegen
Vloog uitUitgevlogen
UitvloeienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; vloeide uit, is uitgevloeid; uitvloeiing)
1 zich vloeiend verspreiden.

Vloeide uitUitgevloeid
UitvloekenVloekte uitUitgevloekt
UitvlooienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vlooide uit, heeft uitgevlooid)
1 (informeel) in details uitzoeken.

Vlooide uitUitgevlooid
UitvoegenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; voegde uit, heeft uitgevoegd; uitvoeging)
1 met een vervoermiddel de rijdende stroom verlaten via een uitvoegstrook.

Voegde uitUitgevoegd
UitvoerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; voerde uit, heeft uitgevoerd; uitvoering)
1 (goederen) ter verhandeling naar het buitenland voeren
2 (iets) doen waarvan vastgesteld is dat en hoe het gedaan moet worden
3 (een muziekstuk) spelen voor publiek
4 (m.b.t. de kwaliteit van, de zorg besteed aan een werkstuk) bewerken.

In Spaans overeenkomend met: Exportar
Hacer
Jugar, Tocar
Cumplir, Ejecutar, Llevar a cabo
Realizar
Efectuar
  sAanmaken
Bedrijven
Bewerkstelligen
Doen
Exporteren
Maken
Nakomen
Naleven
Realiseren
Spelen
Uitbrengen
Uitrichten
Verrichten
Vervullen
Verwerkelijken
Voltrekken
Voorspelen
Voerde uitUitgevoerd
UitvogelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vogelde uit, heeft uitgevogeld)
1 (informeel) in details uitdenken.

Vogelde uitUitgevogeld
UitvorsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vorste uit, heeft uitgevorst; uitvorsing)
1 (formeel) door onderzoek aan het licht brengen.

In Spaans overeenkomend met: Averiguar
Descubrir, DesentraŮar, Deshollinar, Desvelar, Escarbar, EscudriŮar, Poner de manifiesto, Ventear
Curiosear
  sBegluren
Bespieden
Nagaan
Napluizen
Navragen
Onderzoeken
Te weten komen
Uitvinden
Uitvissen
Vorste uitUitgevorst
UitvouwenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vouwde uit, heeft uitgevouwen)
1 openvouwen.

Vouwde uitUitgevouwen
UitvragenVraagde™ uit, Vroeg uitUitgevraagd
UitvretenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; vrat uit, heeft uitgevreten; uitvreter)
1 (informeel) uitspoken, uithalen
2 (informeel) op kosten leven van
3 (informeel) uitbijten.

In Spaans overeenkomend met: Corroer
  sAantasten
Bijten
Corroderen
Uitbijten
Wegvreten
Vrat uitUitgevreten
UitvriezenVroor uitUitgevroren
UitwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waaide uit/woei uit, is uitgewaaid; uitwaaiing)
1 door de wind uitgaan, gedoofd worden
2 zich in de wind ontplooien
3 in de wind lopend opfrissen.
([[overgankelijk]] werkwoord; waaide uit/woei uit, heeft uitgewaaid)
1 door waaien doven.

Waaide uit, Woei uitUitgewaaid
UitwaaierenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waaierde uit, heeft/is uitgewaaierd; uitwaaiering)
1 zich vanuit ťťn punt, als een waaier, verspreiden of uitstrekken.

Waaierde uitUitgewaaierd
UitwalsenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; walste uit, heeft uitgewalst)
1 door walsen een groter oppervlak geven.

Walste uitUitgewalst
UitwandelenWandelde uitUitgewandeld
UitwasemenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; wasemde uit, heeft uitgewasemd; uitwaseming)
1 als, in wasem naar buiten of van iets afkomen.
([[overgankelijk]] werkwoord; wasemde uit, heeft uitgewasemd)
1 als, in wasem verspreiden.

In Spaans overeenkomend met: Espirar, Exhalar
  sAdemen
Getuigen van
Uitademen
Uitdampen
Wasemde uitUitgewasemd
UitwassenIn de betekenis van: (Reinigen)

In Spaans overeenkomend met: Lavar
Waste uitUitgewassen
UitwassenIn de betekenis van: Uitlopen; opschieten

Wies uitUitgewassen
UitwaterenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; waterde uit, heeft/is uitgewaterd; uitwatering)
1 zijn water lozen, uitlopen.

Waterde uitUitgewaterd
UitwegenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; woog uit, heeft uitgewogen)
1 bij het gewicht verkopen.

Woog uitUitgewogen
UitweidenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; weidde uit, heeft uitgeweid; uitweiding)
1 uitvoerig spreken.

In Spaans overeenkomend met: Difundirse, Dilatarse, Espaciarse, Explayar
Weidde uitUitgeweid
UitwekenWeekte uitUitgeweekt
UitwenenWeende uitUitgeweend
UitwerkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; werkte uit, is uitgewerkt; uitwerker, uitwerking)
1 zijn volle werking, effect hebben
2 (van bieren en wijnen) uitgisten.
([[overgankelijk]] werkwoord; werkte uit, heeft uitgewerkt)
1 in [[bijzonderheden]] bewerken
2 helemaal berekenen, oplossen
3 figuren snijden in.

In Spaans overeenkomend met: Producir efecto, Ser eficaz
Acabar, Rematar
Elaborar
Desarrollar
  sAfmaken
Afwerken
Effect sorteren
Ontwikkelen
Uitwerking hebben
Werken
Werkte uitUitgewerkt
UitwerpenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wierp uit, heeft uitgeworpen)
1 (ook absoluut) (van de keeper) (de bal) in het speelveld werpen
2 naar buiten werpen, laten vallen.

In Spaans overeenkomend met: Arrojar, Eyacular, Tirar
  sGooien
Smijten
Uitgooien
Uitsmijten
Wierp uitUitgeworpen
UitwiedenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wiedde uit, heeft uitgewied)
1 wiedend verwijderen.

Wiedde uitUitgewied
UitwijdenWijdde uitUitgewijd
UitwijkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; week uit, is uitgeweken; uitwijking)
1 uit de weg, opzij, uit de koers gaan
2 ergens uit weggaan, zich in vrijwillige ballingschap begeven
3 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) emigreren
4 (in [[BelgiŽ]], niet algemeen) verhuizen naar een andere gemeente of streek in eigen land
5 uit elkaar wijken.

In Spaans overeenkomend met: Emigrar
Ceder el paso
Refugiarse
  sDe wijk nemen
Een toevlucht zoeken
Emigreren
Uithalen
Uittrekken
Week uitUitgeweken
UitwijzenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wees uit, heeft uitgewezen; uitwijzing)
1 aantonen, laten zien
2 gebieden heen te gaan, bij rechterlijk vonnis uit het land zetten
3 vonnis vellen over.

In Spaans overeenkomend met: Expulsar
EnseŮar, Indicar, Mostrar, SeŮalar
Demostrar, Probar
  sAantonen
Adstrueren
Bewijzen
Laten zien
Naar buiten jagen
Staven
Tentoonspreiden
Tonen
Uitdrijven
Uitjagen
Verbannen
Verjagen
Vertonen
Waarmaken
Wegsturen
Wijzen
Wees uitUitgewezen
UitwinnenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; won uit, heeft uitgewonnen; uitwinning)
1 (juridisch) [[iemands]] bezittingen verkopen voor de [[tenuitvoerlegging]] van een vonnis.

In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar, Retractar
  sBesparen
Bezuinigen
Sparen
Uitsparen
Uitzuinigen
Won uitUitgewonnen
UitwinterenWinterde uitUitgewinterd
UitwippenWipte uitUitgewipt
UitwisselenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wisselde uit, heeft uitgewisseld; uitwisseling)
1 wederzijds ruilen.

In Spaans overeenkomend met: Intercambiar
Permutar, Trocar
  sInruilen
Inwisselen
Ruilen
Verruilen
Wisselen
Wisselde uitUitgewisseld
UitwissenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wiste uit, heeft uitgewist; uitwissing)
1 door vegen laten verdwijnen.

In Spaans overeenkomend met: Borrar
  sUitvegen
Wiste uitUitgewist
UitwoedenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; woedde uit, heeft/is uitgewoed)
1 ten einde woeden.

In Spaans overeenkomend met: Calmarse, Sosegarse
  sBekoelen
Luwen
Tot rust komen
Uitrazen
Woedde uitUitgewoed
UitwonenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; woonde uit, heeft uitgewoond)
1 door nonchalante bewoning en slecht onderhoud doen vervallen
2 neuken.

Woonde uitUitgewoond
UitwrijvenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wreef uit, heeft uitgewreven; uitwrijving)
1 wrijvend uitspreiden.

In Spaans overeenkomend met: Frotar
  sAanstrijken
Wrijven
Wreef uitUitgewreven
UitwringenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wrong uit, heeft uitgewrongen)
1 door wringen van vocht ontdoen.

In Spaans overeenkomend met: Escurrir
Wrong uitUitgewrongen
UitwuivenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; wuifde uit, heeft uitgewuifd)
1 uitzwaaien.

Wuifde uitUitgewuifd
UitzaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zaaide uit, heeft uitgezaaid; uitzaaiing)
1 over een bepaalde oppervlakte zaaien.
(wederkerend werkwoord; zaaide zich uit, heeft zich uitgezaaid)
1 (van ziektekiemen of kwaadaardige weefselcellen) zich vanuit een haard verspreiden door het lichaam.

Zaaide uitUitgezaaid
UitzagenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zaagde uit, heeft uitgezaagd; uitzaging)
1 door zagen wegnemen uit
2 door zagen uit iets vormen.

Zaagde uitUitgezaagd
UitzakkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zakte uit, is uitgezakt; uitzakking)
1 zakkend buiten iets komen
2 uit het lood zakken
3 uit zijn vorm zakken.

In Spaans overeenkomend met: Abolsarse
Zakte uitUitgezakt
UitzavelenZavelde uitUitgezaveld
UitzeilenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zeilde uit, is uitgezeild; uitzeiling)
1 met een zeilschip uitvaren.
([[overgankelijk]] werkwoord; zeilde uit, heeft uitgezeild)
1 zeilend beŽindigen.

Zeilde uitUitgezeild
UitzendenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zond uit, heeft uitgezonden)
1 (ook absoluut) (een [[radio-]] of tv-programma) d.m.v. [[radiogolven]] verspreiden, overbrengen
2 naar buiten, van huis [[wegzenden]] om iets te verrichten.

In Spaans overeenkomend met: Transmitir
  sOverbrengen
Overdragen
Zond uitUitgezonden
UitzettenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zette uit, is uitgezet)
1 in volume toenemen.
([[overgankelijk]] werkwoord; zette uit, heeft uitgezet; uitzetting)
1 buiten iets zetten
2 [[uitspannen]], opsteken
3 over een bepaalde oppervlakte verspreid zetten
4 (geld) op [[interest]] plaatsen
5 buiten werking stellen
6 van een bepaald punt uitgaande uitmeten, aftekenen.

In Spaans overeenkomend met: Apagar, Apagarse
Desconectar
Expulsar
Colocar
Colocar ahorros a rťdito, Poner ahorros a rťdito
  sOnderbrengen
Zette uitUitgezet
UitziekenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; ziekte uit, heeft/is uitgeziekt)
1 zijn ziekte geheel uit laten werken.

Ziekte uitUitgeziekt
UitzienALLE betekenissen van dit woord:
(werkwoord; zag uit, heeft uitgezien)
1 uitkijken naar, verwachtend zien naar
2 proberen te krijgen.
(werkwoord; zag uit, heeft uitgezien)
1 zicht geven op.
([[onovergankelijk]] werkwoord; zag uit, heeft uitgezien)
∂ alleen in verbindingen.

In Spaans overeenkomend met: Buscar
  sOpzoeken
Snorren
Uitkijken
Zoeken
Zag uitUitgezien
UitziftenZiftte uitUitgezift
UitzijgenZeeg uitUitgezegen
UitzingenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zong uit, heeft uitgezongen)
1 volhouden
2 tot het einde zingen.

Zong uitUitgezongen
UitzittenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zat uit, heeft uitgezeten)
1 tot het einde toe zitten, met zitten doorbrengen.

Zat uitUitgezeten
UitzoekenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zocht uit, heeft uitgezocht; uitzoeking)
1 kiezen uit verschillende mogelijkheden, personen, zaken
2 sorteren, selecteren
3 onderzoeken hoe iets in elkaar zit.

In Spaans overeenkomend met: Elegir, Escoger
Examinar, Explorar
  sExploreren
Kiezen
Nagaan
Onderzoeken
Uitkiezen
Uitlezen
Uitpikken
Uitvissen
Verkennen
Verkiezen
Vorsen
Zocht uitUitgezocht
UitzonderenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[zonderde]] uit, heeft uitgezonderd; uitzondering)
1 uit een geheel afzonderen
2 buiten anderen stellen, niet laten vallen onder een regel, voorschrift enz.

In Spaans overeenkomend met: Exceptuar
Zonderde uitUitgezonderd
UitzoomenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord)
1 met een zoomlens het filmbeeld verder van zich afbrengen zodat men meer te zien krijgt.

Zoomde uitUitgezoomd
UitzuigenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zoog uit, heeft uitgezogen; uitzuiger, uitzuiging)
1 door voortdurende [[onttrekking]] van krachten of goederen uitputten
2 zuigend verwijderen
3 met de stofzuiger geheel reinigen.

Zoog uitUitgezogen
UitzuinigenIn Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar
  sBesparen
Bezuinigen
Sparen
Uitsparen
Uitwinnen
Zuinigde uitUitgezuinigd
UitzuipenZoop uitUitgezopen
UitzuiverenZuiverde uitUitgezuiverd
UitzwaaienALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zwaaide uit, heeft uitgezwaaid)
1 zwaaiend uitgeleide doen.

Zwaaide uitUitgezwaaid
UitzwavelenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zwavelde uit, heeft uitgezwaveld; uitzwaveling)
1 met zwaveldamp reinigen of bleken.

Zwavelde uitUitgezwaveld
UitzwellenZwol uitUitgezwollen
UitzwemmenZwom uitUitgezwommen
UitzwenkenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwenkte uit, is uitgezwenkt; uitzwenking)
1 zich met een draai verwijderen van een punt.

Zwenkte uitUitgezwenkt
UitzwerenZweerde uit, Zwoor uitUitgezworen
UitzwermenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; zwermde uit, is uitgezwermd; uitzwerming)
1 in een zwerm of zwermen uitvliegen
2 eropuit trekken in alle richtingen
3 (militair, leger) tirailleren.

In Spaans overeenkomend met: Enjambrar
Zwermde uitUitgezwermd
UitzwetenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; zweette uit, heeft uitgezweet)
1 (een ziekte) door zweten verdrijven.

In Spaans overeenkomend met: Exudar
Zweette uitUitgezweet
UnificerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; unificeerde, heeft geŁnificeerd; unificatie)
1 tot een eenheid maken.

UnificeerdeGeŁnificeerd
UniformerenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; uniformeerde, heeft geŁniformeerd; uniformering)
1 eenvormig maken.

UniformeerdeGeŁniformeerd
UniŽrenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[unieerde]], heeft geŁnieerd)
1 tot een bond aaneensluiten.

UnieerdeGeŁnieerd
UnzippenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; unzipte, heeft geŁnzipt)
1 een gezipt bestand weer in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen.

UnzipteGeŁnzipt
UpdatenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; updatete, heeft geŁpdatet; updating)
1 [[actueler]] maken.

In Spaans overeenkomend met: Actualizar
  sActualiseren
Actueel maken
Bijwerken
Moderniseren
UpdateteGeŁpdatet
UpgradenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; upgradede, heeft geŁpgraded)
1 verbeteren.

UpgradedeGeŁpgraded
UploadenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; uploadde, heeft geŁpload)
1 bestanden overbrengen (kopiŽren) van de eigen computer naar een andere computer of een netwerk.

UploaddeGeŁpload
UrbaniserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; urbaniseerde, heeft geŁrbaniseerd; urbanisering)
1 verstedelijken.

UrbaniseerdeGeŁrbaniseerd
UrinerenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; urineerde, heeft geŁrineerd)
1 (formeel) plassen, urine uitscheiden.

In Spaans overeenkomend met: Mear, Orinar
  sEen plas doen
Piesen
Pissen
Plassen
UrineerdeGeŁrineerd
UrmenALLE betekenissen van dit woord:
([[onovergankelijk]] werkwoord; [[urmde]], heeft geŁrmd)
1 klagen.

UrmdeGeŁrmd
UsurperenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; [[usurpeerde]], heeft geŁsurpeerd; [[usurpator]], usurpatie)
1 onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen.

In Spaans overeenkomend met: Usurpar
  sKraken
Overweldigen
Zich meester maken van
UsurpeerdeGeŁsurpeerd
UtiliserenALLE betekenissen van dit woord:
([[overgankelijk]] werkwoord; utiliseerde, heeft geŁtiliseerd; utilisatie)
1 ten nutte maken, nuttig gebruiken.

UtiliseerdeGeŁtiliseerd

A B C D E F G H I J K L M N O P QR S T U V W XYZ

<-- Vorige/ AnteriorVolgende/ Siguiente -->

boven